terug  begin  verderprepost
[p. 89]

Schildersmodel

Ik voelde me aan 't einde van mijn krachten en was bang weer naar het ziekenhuis te moeten: de omstandigheden waaronder ik als schildersmodel moest werken, hadden me uitgeput. Ik stond om zeven uur op en kleedde mij aan; maar moeder had vaak de koffie nog niet klaar, de kachel had gerookt, het water wou niet koken of Kees was nog niet terug van de bakker... om kort te gaan, de helft van de tijd ging ik zonder eten de deur uit.

Ik moest altijd een lange weg afleggen. Wij woonden aan de uiterste rand van een volkswijk en praktisch alle schilders juist aan het andere eind van de stad. In de winter (de tijd van het jaar dat ik het meest poseerde) moest ik door regen, sneeuw en ijzel zeker een dik uur te voet gaan, zonder overjas en niet zelden hinkend op een schoen met 'n spijker, altijd met kletsnatte kousen en zonder dat ik een tweede paar bezat. Het gevolg was dat ik zwetend en uitgeput aankwam, met gloeiende ogen en roodaangelopen gezicht. Dan moest ik me uitkleden en mijn stand innemen, staande, op een knie of met heel mijn gewicht op een elleboog. Na een paar tellen al begon ik te klappertanden, er gingen rillingen door me heen en ik werd lijkbleek; een gemene hoest die me de hele winter bijbleef scheurde door mijn borst en daardoor schoot de draperie uit de plooi...

De schilders hadden veel geduld, dat moet ik zeggen (slechts één keer ben ik vanwege het hoesten door een dame weggestuurd): ik zag dat ze medelijden met me hadden, maar ze waren zelf meestal zo arm als de mieren en hadden geen geld te vergeven. Soms stelden ze het poseren uit tot de volgende dag.

[p. 90]

Tussen de middag kreeg ik doorgaans brood met een glas bier of wat koffie; een enkeling had er sardines of een stukje kaas bij. Tegen vieren ging ik terug naar huis.

De aardappels waren rond het middaguur gekookt en moeder had een stuk of tien apart gelegd op een bord, met een meelsausje eroverheen. Ze stonden altijd onder in de oven, zonder deksel. In de loop van de namiddag griste Dirk een aardappel weg; na schooltijd nam Kees er stiekem een, en Naatje nog een derde; en zelfs moeder nam er van tijd tot tijd van, blijkbaar overtuigd dat ik er 's middags bij de schilders goed van at. Als ik thuiskwam vond ik nog maar drie of vier aardappels, die onder hun meelkorst volkomen uitgedroogd waren: dat was mijn avondeten. Soms speelde ik op, andere keren vroeg ik moeder bijna onderdanig om met het koken van mijn aardappels te wachten tot ik thuis was.

‘Extra voor jou koken? Nooit van m'n leven!’

‘Maar pas dan asjeblieft op dat de kleintjes er niet van eten en zet er een deksel overheen, dan blijft er tenminste wat vocht in.’

‘Jij altijd met je toestanden! Als je ze niet lust, geef je ze maar aan de anderen, díe maken niet zo'n drukte.’

Dat heb ik ook vaak gedaan en dan stuurde ik Naatje met vijftien centiem naar de slager om een dun schijfje mager spek te halen. Ik at het rauw, liefst op een stukje zwartbrood met peper en zout, en warmde daarbij wat koffie op, of liever cichorei-nat.

Wanneer mijn kousen te nat waren, moest ik ze 's avonds wassen en ze 's nachts laten drogen voor de volgende morgen. Moeder wilde dat ik ook nog de afwas deed of de vloer ging boenen; dan kon ik honderd keer zeggen dat ik vaak om mijn handen poseerde en ze dus een beetje moest sparen, maar dat drong niet tot haar door.

‘Jij hebt altijd smoesjes om niets te hoeven doen; als een hand rood is en iemand wil hem wit schilderen, dan hoeft hij

[p. 91]

volgens mij alleen maar witte verf te nemen.’

Als ze zoiets zei kon ik ploffen van woede.

 

Toen ik op een winteravond tegen vijven thuiskwam, lag er een briefje van een schilderende dame die vroeg of ik vóór zes uur bij haar wilde zijn. Het was aan het andere eind van de stad. Ik vertrok dus meteen weer en ik haalde het nog net, maar ik had een heel roze, opgewonden gezicht.

Terwijl ik door de gang liep, passeerde mij een heer die naar me glimlachte, maar ik was veel te druk om er aandacht aan te schenken. Ik trof een regeling met de dame, die erg met me ingenomen was en plannen had voor een groot schilderij... had ik ook eens geluk! wekenlang brood op de plank!

Bij het verlaten van het huis liepen twee jongemannen met mij op. Van mijn blos was niets meer over, ik was bleek geworden en rilde - sinds de middag had ik geen hap eten meer gehad. Eén van de twee kon zijn ogen niet van mij afhouden: hij was groot van gestalte, zeer goed gekleed, had lichtblond haar en zachtbruine ogen. Degene die in de gang naar mij gelachen had was een jood met donker uiterlijk; hij stapte bruusk op me toe en vroeg of ik iets met hem wilde drinken, wat ik aannam. De blonde bleef op 'n afstandje. Voor het café keerde ik mij om en zei:

‘En uw vriend?’

‘Hé, kom mee!’

Wij gingen met z'n drieën binnen; de bruine jongeman trok zich spoedig terug en de blonde vroeg of ik mee ging eten.

Het was de eerste keer in mijn leven dat ik een restaurant binnenging. Ik wist hoegenaamd niet hoe ik me moest gedragen, niet eens hoe ik een lepel vast moest houden (ik greep hem met de volle hand, zoals kleine kinderen doen), en dan nog mes en vork... het werd zo erg, dat ik besloot

[p. 92]

met mijn mes te eten, ik had eens horen zeggen dat het erg chic was. Door de manier van kijken van de jongeman merkte ik dat hij zich schaamde. Toen lette ik op hoe híj het deed, ik volgde elke beweging na en het ging uitstekend.

Na het eten gingen wij De klokken van Corneville zien. Mijn nieuwe vriend was Duitser en sprak bijna even slecht Frans als ik. Ik merkte dat hij weinig ervaring met vrouwen had en bijna trots was, een meisje mee uit te nemen. Toen hij mij na afloop meenam naar een hotelkamer, vond ik dat de gewoonste zaak van de wereld. Ik wist het wel: hij mocht niet achterblijven bij zijn vrienden; zijn kameraad had gezegd ‘nou heb ik een meisje dat je past’, dus dat meisje moest ook meegaan naar de kamer, anders was ze een spelbreekster. De volgende avond zou hij een ander oppikken en niet meer aan mij denken... Zo ging het nu eenmaal. En zijn donkergouden ogen en vlasblonde haar waren mooi, heel mooi, en hij had een leuke naam: Eitel.

Toen hij me om twee uur in de nacht thuisbracht, vroeg hij of ik de volgende dag weer met hem wilde dineren.

Op dat ogenblik wist ik dat ik op de drempel van een nieuw leven stond.

prepostterug  begin  verder