Ik ontmoette Eitel drie keer in de week. Als ik van het poseren thuiskwam dirkte ik me zo goed mogelijk op en om zes uur was ik op de afgesproken plaats. Hij had een paar handschoenen, een voile en een paraplu voor me gekocht. Wij aten meestal voor zes of zeven frank in een van de oude restaurants in de benedenstad; daarna bezochten wij een operette of brachten wij de avond door in het café-concert. Na een tijdje nam Eitel me ook wel naar een gewoon café mee, inplaats van naar het theater, maar daar verveelde ik me dood. Ik zou het helemaal niet erg hebben gevonden de hele avond met hem te praten, maar hij was juist helemaal geen prater... De derde of vierder keer zei ik hem dus dat ik het toch niet zo gezellig vond, en na een beetje gekibbel moest hij bekennen dat het hem te duur was om drie keer in de week buitenshuis te eten, dan naar het theater te gaan en een hotelkamer te betalen... Ja, dat was een argument, nietwaar.
‘Als jij je geld nodig hebt voor nuttiger dingen, dan moeten we het niet weggooien aan uitgangetjes. Ik had alleen gedacht dat je rijk was...’
‘Op het ogenblik niet. We zijn heel rijk geweest, maar mijn vader heeft een groot deel van zijn vermogen verloren.’
‘O, als het zo zit - maar ik ben net zo lief in een café, waar ik kan praten.’
‘Praten, ja, maar waarover? 't Is jammer dat je niet kunt kaarten...’
‘O nee, daar krijg ik de kriebels van. Laten we liever naar bed gaan...’
Het liep tegen carnaval en ik was helemaal wild bij het voor-
uitzicht mij te mogen verkleden en naar een bal te gaan. Op een avond zei Eitel me:
‘Ik zal je twee dingen voorstellen, dan kun je kiezen. Of we kunnen echt carnaval vieren, dan huren we een kostuum voor je, we gaan dineren, naar het bal en naar het souper; óf je mag een hele mooie jurk kopen. Een van de twee, denk er maar over na.’
Ik zat op mijn stoel te rillen van vreugde toen ik al dat heerlijks hoorde opnoemen. Eindelijk kon ik ook eens ondervinden wat het wil zeggen om mooi te zijn en naar een bal te gaan, al was het maar voor één keer. Maar een mooie japon, daar deed ik wel twee jaar mee...
Eitel keek me met zijn notenbruine ogen nieuwsgierig aan. Ik hoefde niet te weifelen:
‘Liever een jurk, daar heb ik langer wat aan, dan zie ik er beter uit wanneer we samen ergens heengaan.’
‘Goed, hier heb je honderdvijfentwintig frank, maak je maar mooi... Over een week is het vastelavond, dan gaan we een hapje eten en naar de maskers kijken.’
Goeie genade, wat een berg geld!
De volgende dag al ging ik naar de Nieuwstraat waar ik een kant en klare japon kocht, die een beetje naar mijn figuur vermaakt werd. Hij was donkergroen, nauw toegesneden en met een lange overrok, op het lijfje versierd met linten en gegarneerd met knoopjes en knoopsgaten die met tafzijde waren afgezet. Hij kostte tachtig frank, ik had dus nog vijfenveertig over. Deze keer wilde ik al het geld eens voor mijzelf uitgeven en thuis had ik er dus niets van gezegd. Ik had de laatste weken trouwens goed verdiend doordat een schilder een groot doek met mij had opgezet; na iedere zitting veegde hij ongeveer alles weer uit en de volgende morgen begon hij opnieuw. Ik was buiten mijzelf van plezier: als hij zo doorging, dacht ik, komt er nooit een eind aan...
Van de vijfenveertig frank die overbleven kocht ik:
| 1 paar schoenen | 12,00 | |
| 1 groene vilthoed | 3,00 | |
| 1 grote toef haneveren | 2,75 | |
| 1 groenfluwelen lint | 1,50 | |
| 1 groene voile | 2,75 | |
| 2 hemdjes van 3 frank | 6,00 | |
| 2 broekjes van 2 fr. 50 | 5,00 | |
| 1 violette rok | 5,00 | |
| 1 paar kousen | 2,50 | |
| 3 zakdoeken | 1,50 | |
| 1 stuk zeep | 0,10 | |
| ----- | ||
| 42,10 | ||
| en dan nam ik nog een bad | 1,00 | |
| ----- | ||
| Totaal | 43,10 |
Ik besloot mijn haar met panamakruiden te wassen en in de stad een bad te nemen. Zalig, dat eerste bad! Die sensatie, helemaal in warm water te liggen, nee, die vergeet ik nooit... In het begin kon ik even geen adem meer krijgen, maar daarna, héérlijk!
Ik had mijn nieuwe ondergoed meegenomen, zodat ik thuis alleen nog mijn jurk hoefde aan te trekken en mijn hoed opdoen. Ik kon wel door de straten zweven, zo vrolijk voelde ik me. Thuis was er nog even ruzie met moeder omdat ik kleren had gekocht in plaats van het geld voor het
huishouden af te staan, zoals altijd. Ik zei haar wel dat ik op die manier mijn vriend zou bedriegen en hem zou kunnen verliezen, maar zij bleef me verwijten maken.
Ik trok mijn mooie jurk aan en zette mijn hoed iets achter op mijn hoofd zodat de slag in mijn haar zichtbaar bleef. De krullen hingen op mijn rug, bijeengehouden door een lint; de panamakruiden hadden ze een gouden weerschijn gegeven. De gazen sluier spande ik over mijn hoed en gezicht, en onder mijn kin legde ik er een dikke knoop in. Thuis hadden we geen grote spiegel, maar toen ik mij op straat in de winkelruiten kon zien had ik moeite mijzelf te herkennen: ik was lang, slank, heel elegant, en het geluk had een zeldzame glans over mijn gezicht gelegd.
Eitel stond mij al op te wachten, samen met een vriend die wel vaker met ons meeging en die erg op mij gesteld was. Ze herkenden mij niet. Ik kon het niet laten om tweemaal vlak langs ze te wandelen en hoorde Eitel toen zeggen:
‘Maar anders is ze nooit te laat...’
Ik lichtte mijn voile op en groette.
‘Ben jíj het! Niet te geloven! Kijk haar eens! Jongens, wat een schoonheid zo, het lijkt of je nooit iets anders hebt gedragen!’
Met een mooi spontaan en trots gebaar bood hij me zijn arm; zijn vriend begeleidde mij aan mijn andere zijde. Ik gloeide van geluk en voldoening. Alle drie opgewonden pratend in ons slechte Frans namen wij de Nieuwstraat, destijds een lange, slechtverlichte slurf. Hoewel ik geen jas droeg had ik het niet koud; met mijn pelerine en mijn voile voelde ik mij warm genoeg ingestopt. Het vroor; de wind greep heftig in mijn haneveren en als ik tegen de huizenwand of op de grond mijn schaduw zag met die dansende pluimen op mijn hoofd, voelde ik me niet helemaal op mijn gemak.
Bij het binnentreden van het restaurant zag Eitel me voor het eerst in het volle licht: hij drukte mijn arm stijf tegen zich
aan en zei vertederd: ‘O, mijn diertje van me...’
Na het diner begaven wij ons naar een groot café waar landgenoten van Eitel zaten. Enkelen hunner kende ik. Iedereen begroette mij heel vriendelijk en zei iets aardigs over mijn uiterlijk. Maar eensklaps verstarde ik, al liet ik niets blijken: in het gezelschap zat een jonge man die mij op een avond van het trottoir had opgepikt en toen eindeloos had gemarchandeerd om twee frank minder te betalen dan de tien, die ik gevraagd had. Ik zag hem fluisteren met zijn buurman. Eitel vroeg hun of ze soms over zaken praatten, zo ernstig deden ze.
‘Nee,’ antwoordde de een, ‘wij hebben het over een straatlel, die de nette dame uithangt...’
Eitel, in beslag genomen door de maskers die tevoorschijn dansten, luisterde al niet meer. Nu en dan moest ik mijn zakdoek tegen mijn mond drukken om het klapperen van mijn tanden te verbergen; ik voelde dat het bloed uit mijn gezicht was weggestroomd. Opdat Eitel daar niets achter zou zoeken, bestelde ik een hete grog. Tegen middernacht vertrokken de heren, die allen in avondkostuum waren, naar het bal in de Munt, en wij gingen getweeën naar een Kamer.
Het was in het café zo ondraaglijk voor me geweest, dat ik helemaal neerslachtig was - ik verbeeldde mij dat ik nooit meer oprecht plezier zou kunnen hebben, dat ik geschandvlekt was voor de rest van mijn leven. En plotseling, toen Eitel mij kuste, begon ik te snikken... zou ik maar niet alles bekennen? dacht ik even... nee, nee, niet doen!
‘Wat heb je toch, schatje?’
Toen vertelde ik hem, met mijn hoofd tegen zijn borst, hoe ongelukkig ik bij ons thuis was, dat ik de zorg voor het hele huishouden droeg, dat mijn vader nooit werkte en dat ik nagenoeg óp was.
‘Wat vertel je me daar? Moet jij alleen het hele gezin ver-
zorgen? Maar dat is misdadig, zo mag je niet verder gaan, je moet aan jezelf denken, je hebt niet het recht je zo af te beulen.’
Die taal was nieuw voor mij, zulke woorden had ik nooit gehoord; ik had geloofd dat je nooit rekening met jezelf mocht houden en dat ik misdeed als ik niet alles voor ons gezin opofferde... maar aan jezelf denken scheen dus niet verkeerd te zijn, en dat kalmeerde mij.
‘Weet je wat, engel van me, kom bij me wonen. Eén voorwaarde: op de dag dat ik naar mijn land terugmoet of ga trouwen, zul je me geen verwijten maken of zeggen dat ik je bedrogen heb.’
Geheel verbijsterd ging ik overeind zitten. Hij weet niets van me, hij heeft zelfs geen idee... hoe is 't mogelijk, en toch spreekt hij zo tegen me... maar als hij eens wist... is dat stommiteit van hem, of liefde?
‘Als je wilt, kom dan bij me voor zolang het wil duren; dan ben je veilig voor de klauwen van je ouders die je uitbuiten. Maar het is afgesproken dat je geen moeilijkheden maakt wanneer het uit moet zijn. Ik ben zo openhartig omdat ik meen dat het met een meisje als jij mogelijk is om niets achter te houden...’
Liggend naast Eitel bleef ik de rest van de nacht wikken en wegen, en ik vroeg me af waarom al wat lelijk en vernederend was steeds op mijn hoofd was neergekomen... en toen begreep ik dat ik ermee moest breken. Ik ga bij hem inwonen, dacht ik, want thuis is het leven onmogelijk geworden. Ik draag mijn verdiensten af, dat wel, maar het huis ga ik uit, en anders verdoe ik me.
En kijkend naar het mooie blonde hoofd van mijn minnaar die met gesloten vuisten lag te slapen, dacht ik: jou, jou beloon ik genoeg met mijn lichaam, méér ben ik je niet schuldig.
De volgende dag bond ik thuis mijn spullen samen tot een pak en zei moeder dat ze kon blijven rekenen op alles wat ik
als model verdiende, maar dat ik zelf vertrok. Zij wilde me niet laten gaan. Ik had mijn mooiste kleren over mijn arm hangen; zij riep Hein, wie de tranen in de ogen stonden, te hulp om mij de weg te versperren.
Maar ineens zag ik de oude canapé staan, die ik als bed gebruikte, met vlak daarachter een ongebruikte deur die naar buiten openging. Ik sprong op de canapé, gooide de deur open en rende de trap af. Voor ze van de schrik bekomen waren, was ik buiten, hollend achter een tramwagen.
Een half uur later hing ik mijn kleren in de spiegelkast naast die van mijn vriend.