terug  begin  verderprepost
[p. 100]

De betoging

Grote mensenmassa's hebben mij altijd een panische angst aangejaagd en zelfs bij een grote begrafenisstoet of een militaire parade maakte ik een omweg om er niet langs te hoeven. Alleen langs een processieweg durfde ik te blijven staan. Ik deed dat overigens alleen terwille van de mooie aankleding: de geborduurde vaandels, de superplieën met hun fijne plooitjes, de purperen koorkappen met zilveren bloemen, de bruidjes, het strooien van bloemblaadjes, en niet te vergeten de houten madonna met mantel, lovertjes en kant die op een draagbaar boven de hoofden zweefde - dat alles deed me de adem stokken van bewondering. Maar de gelovigen zelf met hun kaarsen, de massa die achter het moois deinde, gaven de indruk een stel verslapte sufferds te zijn. Ze wekten alleen maar weerzin bij me en ik heb nooit de drang gevoeld, me bij ze aan te sluiten.

Op een zondag, toen we langs de weg stonden die een processie van de Sinte-Goedele nam, wou Eitel dat ik knielde; zelf had hij zijn hoed afgenomen, hoewel hij protestant was.

‘Eerlijk, ik begrijp je niet,’ zei ik hem achteraf.

‘Ach, die mensen, dat sleepte me mee...’

 

Op een avond zagen Eitel en ik een reuzenstoet van werklui met een muziekkorps en rode vlaggen het Koningsplein op stromen. Fakkels legden een koperen gloed over hun gezichten. Wij bleven staan om ze te zien langsgaan. Opeens twee slagen op de grote trom, de Marseillaise werd ingezet en de hele menigte nam het lied over. Ik had er weleens flarden van opgevangen, zonder dat ik de tekst had gehoord;

[p. 101]

maar ik kreeg een brok in mijn keel, begon mee te neuriën, mijn voet tikte de maat en pardoes sloot ik me bij de arbeiders aan. Mijn vriend wilde me weerhouden, ik trok me met een ruk los, haakte in bij een werkman en de Marseillaise zingend zonder tekst, volgde ik de stoet en het was of ik geen grond meer voelde. Eitel liep naast mij, zonder mij een arm te geven: hij was bleek, had zijn hoed in de ogen gedrukt en zijn kraag opgeslagen.

Door het nauwe Heuvelstraatje waaierden wij de Grote Markt op. Het plein leek wel betoverd, al het goud op de gevels straalde... Maar eensklaps schoten uit een der steegjes agenten te paard tevoorschijn en wierpen zich wild op de mensen. Wij zongen nog altijd het lied van de grommende vulkaan. De muzikanten werden uiteengedreven, mannen raakten onder de paardehoeven, je hoorde links en rechts angstkreten. Als door een orkaan meegesleurd tolde de massa rond op het plein. Eitel sloeg één hand om mijn middel en legde de andere op mijn mond omdat ik, uitdagend, nog doorging met zingen. Hij sleepte me haastig de stoep van een der grote huizen op het plein op en duwde me achter in het zaaltje van wat een bierhuis bleek te zijn.

Een uur later was de markt schoongeveegd. Wij gingen kibbelend de weg naar huis op.

‘Ik ben je gevolgd om je te redden, ik wist dat je in staat was je midden tussen dat tuig te laten doodslaan. Je kunt nog zo bang zijn voor mensenmassa's, als het gepeupel opstaat dan verandert dat prompt... jij en die lui, jullie zijn van één slag.’

‘Dat was geen gepeupel, dat waren werklui; de man die ik een arm heb gegeven rook naar leer.’

‘O ja, ze roken zo lekker, nóu goed! Er is van jou toch níks te maken, dat heb ik vanavond weer gezien.’

‘En jij dan, jij hebt je hoed afgenomen voor die godsdienstige hansworsterij, dat vind ik veel erger.’ En hem niet lan-

[p. 102]

ger met je aansprekend, zei ik nog:

‘Wat ik voel of wat ik doe gaat u trouwens niet aan.’

Wij zeiden geen woord meer tegen elkaar, zelfs niet tijdens het uitkleden en naar bed gaan. Daar wrong ik het laken tussen ons beiden in en ging ik helemaal aan de rand liggen om hem niet aan te hoeven raken. Van slapen was geen sprake: ik woelde rond en rook nog steeds de ledergeur van de man in de menigte, ik hoorde het draven van de paarden en de kreten van vertrapte mensen, en alle huizen van de Grote Markt met hun gouden krullen dansten om mij heen.

Tegen de morgen kalmeerde ik en ik bedacht dat Eitel, door mij te volgen om mij te redden, toch wel netjes was geweest - ik moest niet vergeten dat hij een echte heer was die Latijn en Grieks kende... En opgewonden door het zingen was ik zonder hem misschien ook wel onder de hoeven terecht gekomen. Ik voelde mijn botten al kraken en mijn buik openscheuren...

Krimpend van angst schoof ik naar mijn minnaar toe en krabde hem zachtjes over zijn hoofd. Hij draaide zich naar mij om.

‘Jij lekker dier,’ zei hij terwijl hij me tegen zich aandrukte.

prepostterug  begin  verder