terug  begin  verderprepost
[p. 105]

Inlichtingen jagen

Eitel was volontair bij een groot bankiershuis en kreeg van zijn vader tweehonderd frank in de maand om van te leven; wat ik verdiende droeg ik grotendeels aan mijn ouders af. Onze kamers kostten zestig frank in de maand, de piano vijfentwintig, en we moesten dus bezuinigen tot het uiterste. Eitel bleef, met zijn garderobe die hij van huis had meegenomen, nog steeds iets houden van een verarmde prins die het niet opgeeft. Elke keer verbaasde het mij als ik zag hoe die jongeman, in weelde opgegroeid, in staat bleek zo scherp op het geld te letten: zoveel voor de huur, zoveel voor eten, zoveel voor kleren en vertier... Hadden mijn ouders maar een tiende deel van zijn zin voor orde bezeten... nee, dat is natuurlijk onzin, wat ik zeg: als bij ons brood of aardappels in huis kwamen, waren wij doorgaans zo uitgehongerd dat we totaal niet in staat waren om eraan te denken dat we ook de volgende dag nog moesten eten...

Een vriend van Eitel bezorgde hem een agentschap voor handelsinlichtingen. Hij kreeg anderhalve frank per inlichting en ik wist er soms tien tot twaalf per dag bij elkaar te zoeken: doordat ik er uitzag als een keurige jonge vrouw die niets te kort kwam, ging dat vrij vlot. Op die manier leerde ik de stad ook in al haar uithoeken kennen en beminnen.

Eitel had me gezegd dat ik er achter moest komen of bepaalde mensen een goede naam hadden, ook wat geld betreft, en of er iets in hun zaak omging. Wat ik wilde weten ging ik gewoon bij de omwonenden vragen. Ik scheen er heel geschikt voor te zijn, want we hoorden herhaaldelijk dat men tevreden was over de manier waarop we het bureau bedienden.

[p. 106]

Natuurlijk deden zich nu en dan onmogelijke toestanden voor, waar ik me zo goed en zo kwaad als 't ging uitredde... Zo moest ik eens in de buurt van de Hoogstraat inlichtingen verzamelen over een handelaarster in ongeregelde goederen. Twee huizen naast het hare ging ik een café binnen, waar ik van buiten niet had kunnen zien wie er zaten. Dat bleken drie vrouwen, die aan één tafeltje vruchtenlikeur zaten te drinken, en een man. Toen ik aan de toonbank bleef wachten op de bediening, vroeg een der vrouwen mij wat ik wilde hebben, eraan toevoegend dat zij de madam was. Ik ga naar haar toe en zeg heel zachtjes dat ik inlichtingen zoek over mevrouw die-en-die, de koopvrouw van twee huizen verder.

‘Nu, vraagt u het haarzelf, hier zit ze!’

En ze wijst op een van beide vrouwen aan haar tafeltje.

Nu, daar stond ik dan.

‘Moet je mij hebben? Wat is er aan de hand?’

Ze was een echte Brusselse, een reuzengestalte van 'n jaar of vijftig, met rosse huidskleur en grijze ogen waar rode adertjes door liepen. Ze zat met de ellebogen op tafel geleund en liet elk ogenblik haar hoofd op haar armen zakken als iemand die dreigt in slaap te vallen. Aan haar plompe handen zaten worstvingertjes met nagels, waar vleeskussentjes rond oppuilden. Ze verschoof een beetje in mijn richting en keek me slaperig aan, bij welke beweging haar enorme lichaam lilde als een gelatinepudding. Het lukte mij gewoon niet mijn blik van dat immense vette lijf af te wenden, en ze zei:

‘Je denkt zeker: daar kunnen er wel drie uit zoals ik?’

‘Drie? Nee,’ antwoordde ik met mijn domme hoofd, ‘maar toch...’

‘Toch tweeëneenhalf, wil je zeggen... hoeveel weeg je?’

‘Achtenveertig kilo.’

‘Zoals ik al zei, dríe... ik weeg honderdvijfenveertig.’

Uit de slaperigheid en de totale onverschilligheid waarmee

[p. 107]

ze mij aankeek, bleek dat het haar geen snars kon schelen of ik het met haar eens was of niet, en dat ze zich hoegenaamd niet voor mij interesseerde. Daarmee verdween de helft van mijn verlegenheid.

‘God, mevrouw,’ zei ik recht in haar gezicht, ‘ik zit glad verkeerd, ik had geen idee dat u hier zou zijn.’

‘Waar gaat het over?’

‘Om een handelsinlichting die mijn broer uit Duitsland mij over u vraagt.’

‘Uit Duitsland? Ik heb in Duitsland niks besteld, wat een kletskoek... ik koop niks wat ik niet gezien heb, ik ga naar handelaars die failleren of opruimen. Van mevrouw hier heb ik net een partij korsetten gekocht...’

De vrouw die ze mij aanwees had de hele tijd al naar me zitten gluren.

‘Geeft u het maar toe,’ zei ze nu, ‘het is voor een inlichtingenbureau. Onderlaatst bent u nog bij me geweest, of weet u dat niet meer? Het ging over die grote bontzaak hier tegenover. Ik zie u trouwens de hele stad doorkruisen: ik ben met mijn korsetten altijd langs de weg en wie u één keer gezien heeft, met die linten, die herkent u...’

‘Ach meid,’ antwoordde de koopvrouw, ‘'t zal mij een zorg zijn wat madammeke van mij wil weten... een glaasje kersenlikeur voor je? Of pruimen? Goed voor de stoelgang... Denk maar niet dat ik over je inzit, hoor...’

Diep verlegen weigerde ik, maar ik kon nu niet vertrekken zonder iets besteld te hebben, dus ik nam een kop thee. De koopvrouw wilde niet dat ik betaalde.

‘Je ziet er leuk uit, kleintje, mooi slank, maar met een korset zou je nog heel wat sjieker zijn: ik heb er een, dat geknipt voor je is, een koopje, dat beloof ik... vraag maar aan háár, die levert ze me...’

De man zat te lachen en keek me spottend aan.

[p. 108]

Jarenlang heb ik dat werk gedaan. Ik was vaak te moe om te kunnen slapen. Nadat ik eerst de hele dag had geposeerd, begon ik mijn omzwervingen en drie of vier uur lang liep ik de hele stad af, van het ene eind naar het andere zonder de tram te nemen. Eitel had me gezegd dat ik elke dag twintig centiem in mijn spaarpot mocht stoppen als ik niet met de tram ging.

Maar ik was heel tevreden en vooral trots dat ik mee kon helpen om in ons onderhoud te voorzien.

prepostterug  begin  verder