Een vriend van Eitel klaagde dat hij het eten in de restaurants niet verdroeg. Toen stelde Eitel voor dat hij in het vervolg bij ons zou eten.
‘Hij betaalt drie frank per maaltijd en nu ik juist die dure Moezel- en Rijnwijn heb gekocht, kom ik op die manier een beetje uit de kosten.’
Ik had me een kookboek aangeschaft en de vriendin van een schilder had me nog wat keukengeheimen verteld, zodat ik van lieverlee 'n uitstekende burgerpot had leren koken. Met bijstand van een meisje, dat nu en dan in het huishouden hielp, maakte ik voor ons tweeën werkelijk heerlijke maaltjes, en een persoon erbij, daar had ik geen enkel bezwaar tegen. Ik kon bovendien goed met Fritz overweg: wij noemden elkaar bij de voornaam en ik maakte dikwijls kruidendrankjes voor zijn maag.
Maar op een dag gebeurde er iets eigenaardigs. Terwijl het meisje de tafel dekte en ik bij het fornuis in de weer was, zei ik Fritz, die juist de keuken binnenliep:
‘Ach, wil je even die schotel naar de kamer brengen?’
‘Ik? Nee, waar zie je mij voor aan; ik zie me al schotels naar binnen dragen...’
‘Ik draag ze toch ook binnen?’
‘Nu ja, jíj!’
‘O ja, ík...’
Verder zei ik niets, maar toen hij de deur uit was vertelde ik Eitel dat ik niet meer voor zijn vriend wilde koken.
‘Ik heb hem dat gevraagd zonder bijgedachte, zonder er ook maar 't minste belang aan te hechten - ik dacht dat we vrienden onder elkaar waren. Bij de schilders maalt er één
koffie, de ander snijdt brood, zonder daar een probleem van te maken. Maar als hij me beschouwt als de keukenmeid, vergist hij zich en dan hoeft hij zonder aparte uitnodiging niet terug te komen.’
‘Maar luister toch, wij hebben er belang bij dat hij hier komt eten, het is een misverstand geweest.’
‘Het was een misverstand van mij, dat ik geloofde dat meneer een vriend was. Ik wil het niet meer, punt uit.’
‘Je blijft toch een onbeschaafd schepsel, Keetje, je doet je heel netjes voor, maar je bent in je hart een wilde...’
‘Raakt me niet.’
‘En die wijn die ik gekocht heb?’
‘Die drink je maar op, dan zijn we van alles af.’