Eitel zou de zondag met een paar landgenoten doorbrengen in een huisje buiten en ik liet Naatje komen: nu en dan, wanneer ik verstelgoed had, werkten wij er ons samen in een middag doorheen. Eitel droeg altijd gebreide sokken van witte katoen, gemerkt met zijn voorletters in het rood: de oude kindermeid die hem had grootgebracht, breide ze voor hem, maar ze sleten erg en na elke keer wassen moest ik ze nazien en stoppen. Doordat ik de laatste tijd erg veel achter inlichtingen aan was geweest, was het verstelmandje tot over de rand vol.
Naatje en ik gingen aan de slag. Om één uur aten wij wat en meteen begon het verstellen weer, maar om drie uur lagen de sokken in keurige rolletjes weer in hun mandje. Opgelucht zette ik het op een stoel, opdat Eitel ze bij zijn thuiskomst direkt zou zien. Dat ik van naai- en verstelwerk hield, was een van de dingen die hij het meest in mij waardeerde.
We hadden nog tijd om even naar het concert in het park te gaan. Naatje verbaasde zich altijd over de mannen die mij nakeken of gewoon voor me bleven staan: zelf was ik er zo aan gewend dat ik het niet eens meer opmerkte. Dat is te zeggen - op de dag dat zij het níet meer deden, heb ik dat heel goed gemerkt... Wij kochten vier suikerkoekjes en keerden tegen vijven terug. Ik zette thee en we maakten er nog een gezellig uurtje van: ik was nu aan goede voeding gaan wennen, maar Naatje zat nog echt met overgave te smullen.
‘Je bent nu net een echte dame, je hebt een sleepjurk, je zit in een salon en je eet lekkere dingen.’
‘Ja, maar vaak verdraag ik het eten niet, dan krijg ik hoofdpijn en moet ik overgeven. De dokter zegt dat ik te lang
honger heb geleden en dat het nooit meer overgaat.’
Omdat Naatje niet van lezen hield, bekeken wij oude modeprenten.
‘Kijk, ze droegen vroeger crinolines; van toen ik klein was herinner ik me dat moeder er ook in rondliep. Als ze opstond bond ze zo'n enorme rok om zich heen, dan klom ze daarin twee trappen af om water te halen en kwam weer boven met in elke hand een emmer, die zo zwaar tegen het onderwerk woog dat de hele crinoline kromgroeide. Ze heeft er zeker tot 1870 in rondgelopen.’
Na het eten bracht ik Naatje een eindje naar huis; toen ging ik naar bed met een boek, Vader Goriot. Zo vond Eitel me om middernacht, met van geluk stralende ogen, zo heerlijk vond ik het leven op dat moment.
‘Heb je een prettige dag gehad, Eitel? En kijk de mand eens - allemaal gestopt! Daarna ben ik gaan lezen... zalig boek! Maar wat een doortrapte vrouwen komen erin voor, zeg, ik zou voor geen goud zó willen zijn. Hoe kunnen mensen dat doen: omwille van wat luxe hun vader laten verkommeren! Ik geloof, ik zou geen nacht meer slapen als ik zoiets had gedaan.’
Eitel kroop in bed.
‘Wat ben je stil... is er wat? Was het geen geslaagde dag?’
‘O jawel... Keetje, hoor eens, ik heb je altijd gezegd dat het tussen ons niet eeuwig kan duren. Ik ben de hele dag met juffrouw A. uit geweest en ze houdt van me: haar vader is heel rijk, maar ik ben van betere familie. Ze wil me dolgraag trouwen... Ik moet je dus vragen hier vandaan te gaan. Dat was afgesproken en het is natuurlijk in mijn belang dat haar familie niet weet dat je bestaat. Als ik getrouwd ben, zal ik je wel geld sturen.’
Ik kon niet antwoorden.
‘Ik vraag je dat voor mij te doen, Keetje...’
‘En als ik het níet doe?’ vroeg ik, volkomen uit het veld
geslagen.
‘Dan stúúr ik je weg.’
‘Welja, we zeggen maar waar 't op staat, niet?’
En ik keerde hem de rug toe.
Ik deed die nacht geen oog dicht, ik voelde hoe de ellende en de vernedering zich weer meester van mij maakten. En dan de schaamte, de schaamte om dat machteloos te moeten verdragen. Ik was de laatste tijd zo gelukkig geweest, ik had me geschikt naar Eitel, ik was mooi, alles ging goed, en dan opeens dit... en waarom? Zij was op hém verliefd, had hij gezegd, over zichzelf had hij niet gesproken...
De volgende morgen gingen we zonder een woord te spreken naar ons werk. Maar onder het poseren begon ik ineens te snikken.
‘Hé, kleintje, wat heb je?’ vroeg de schilder.
Ik vertelde het hem.
‘En huil je dáárvoor de ogen uit je hoofd? Dat is het niet waard. Ik was juist van plan een groot doek met je op te zetten... En huur vooral geen gemeubileerde kamer, als je weg moet! Als je genoeg geld achter de hand hebt voor de eerste termijn, kun je je eigen meubels op afbetaling kopen en dan heb je zó een eigen omgeving waar niemand je wat doet.’
‘Ik heb tachtig frank overgespaard.’
‘Nu, dan is er geen enkel probleem, dat is geld zat.’
Hij gaf mij het adres van een meubelwinkel waar een vriend van hem, een journalist, kort voordien ook spullen op afbetaling had gekocht voor zijn vriendin.
's Avonds stelde ik Eitel voor om mijn eigen meubels op alle maanden te kopen, en hij vond het goed. We gingen met z'n beiden naar de koopman, wat meer vertrouwen gaf, en voor mijn tachtig frank en ongeveer vijfentwintig frank op elke eerste van de maand, kreeg ik een slaapkamermeublement van jewelste.
Een week later trok ik bij Eitel weg en installeerde mij op
een kamertje. Toen hij mij de eerste avond om tien uur verliet reageerde ik daarop met een huil-aanval, maar toen ik om mij heen keek naar de mooie nieuwe meubels die van mij alléén waren, toen mij te binnen schoot dat ik desnoods de hele nacht kon doorlezen zonder het licht te doven, en dat Eitel niet meer zou mogen mopperen als ik mijn broertjes of zusjes liet komen, werd ik wat rustiger. Het was ellendig, snikte ik, maar ik had beloofd dat ik Eitel niet in de weg zou staan...
Om de mensen te laten geloven dat we uit elkaar waren, ging hij in het vervolg alleen uit. Op een donderdag kwam hij bij me aan met afschuwelijk gefriseerde haren.
‘Eitel, dat is vreselijk!’ riep ik, ‘ze hebben het veel te erg gekruld...’
‘Maar tegen dat het zondag is, zal mijn haar er wel natuurlijker uitzien,’ antwoordde hij. ‘Zondag vraag ik haar hand.’
Die zondag kwam hij 's morgens nog bij me, jong, elegant, stralend en heel zeker van zijn zaak. Het gaf me zo'n schok dat ik voor het eerst een golf van haat in me voelde opkomen: ik had hem zó bij z'n nek kunnen grijpen en door de ramen smijten... Maar toen hij weg was, begon ik weer bitter te schreien, de armen uitgestrekt naar de deur.
Ik ging die dag niet uit en bleef bijna onbeweeglijk op mijn bed liggen. Alle schande en ellende die mij twintig jaren lang had achtervolgd kwam in grote stromen over mij heen en verbijsterd doorleefde ik al die verschrikkelijke dingen opnieuw. Alleen het laatste jaar had ik iets van geluk gekend, elke nacht had ik in zijn armen gelegen en had hij me lieve dingen toegefluisterd - maar dat was nu ook voorbij, ook al kwam hij me nog bezoeken zonder dat juffrouw A. het mocht weten.
Ik stond op en zette thee. Dat kalmeerde mij. Ik keek om mij heen: door de gesloten gordijnen gleed een zacht rood en
gelig licht over de gloednieuwe meubels, en ik zat in mijn eigen opvouwbare fauteuiltje thee te drinken uit een zelfgekozen kopje met seringentakken erop geschilderd.
‘Dat is allemaal van mij, Eitel heeft beloofd dat hij het zou afbetalen... ik kan boeken lenen zoveel ik wil... de kinderen worden groot en beginnen te werken, dus het geld dat ik verdien met de inlichtingen en het poseren kan ik voor mijzelf houden, ik moet toch leven... voor al het moois van de wereld wil ik nog niet onderhouden worden van het geld dat juffrouw A. in haar huwelijk meebrengt, absoluut niet... op ditzelfde ogenblik staat Eitel zich aan te stellen als een aap, de lafbek met zijn gefriseerde kop... ik wou dat ik daar de kamer kon binnenstappen, ik zou mijn haar losmaken en zeggen: ík heb tenminste een natuurlijke slag in mijn haar, maar jíj vervalst je koopwaar, jongen: neem hem niet, juffrouw, zijn haar is zo glad als een bananeschil en hij heeft mij vanmorgen nog gekust... God, wat zouden ze op dit moment tegen elkaar zeggen? Kon ik er maar íets van horen, ik ben zo bang voor wat er gebeuren gaat... Eitel, kom terug, ik zal niets zeggen, ik zal alles doen wat je wilt...’
Trillend van onrust bleef ik de hele nacht op hem wachten, maar hij kwam niet, het was bij zijn aanstaande te laat geworden.