Een schilder bij wie ik dikwijls mijn avonden doorbracht, had onder zijn leerlingen een medisch student van goede familie, die in zijn vrije tijd aan schilderkunst en literatuur deed. Ik ontmoette die student regelmatig op het atelier en hij bracht me doorgaans naar huis. We spraken dan over wat we gelezen hadden, hij leende me boeken en vooral discussieerden wij over de rechten van de mens en zulke dingen. Zoals ik daarbij tegen de maatschappij tekeer kon gaan...
‘Twee kinderen worden op één dag in één straat geboren: het ene wordt gekleed in kantjes, het andere in vodden; het ene zal alles van het leven hebben, het andere niets. Het is één grote leugen, allemaal... een kind is een kind en ze horen allemaal gelijk te zijn. Vaak is het armste nog het best en het knapst, maar het is niet het rijke kind dat tenslotte misdadiger of hoer wordt...’
Zoiets had ik nooit tegen Eitel hoeven zeggen, voor wie de armen zonder mankeren stompzinnig en gemeen waren. Nu was het anders. De jongeman en ik spraken tegen elkaar met gloeiende wangen en stralende ogen, brándende ogen soms en toegeknepen keel om te kunnen getuigen van wat ons bezielde; het kwam voor dat we onze wandelingen drie keer langer maakten dan nodig was omdat wij eenvoudig niet konden zwijgen en niet uit elkaar konden gaan.
Op een avond ontmoetten wij een paar vrienden van Eitel en om alle verdenking de kop in te drukken, vertelde ik het Eitel nog dezelfde avond.
‘Het komt me juist heel goed uit dat ze je met een ander hebben gezien, dan kunnen ze niet tegen mijn meisje zeg-
gen dat ik een vriendinnetje heb.’
De jongeman begon niet over liefde.
Onze wandelingen hadden zich al over een jaar uitgestrekt, toen hij me vroeg of ik hem wilde vergezellen naar Brugge waar hij voor zaken van zijn vader heen moest. Ik ging er gretig op in.
In de trein zaten we weer de hele tijd te praten. De bloeiende brem langs de spoorlijn bracht me in verrukking: ik had die planten nog nooit gezien en toen ik dat zei, greep het mijn reisgenoot op een vreemde manier aan.
‘Alle kinderen moesten op het land worden grootgebracht en er vrij kunnen rondrennen...’
Brugge gaf mij dezelfde rust en ontspanning waardoor ik ook zo van de Amsterdamse grachten had gehouden. Zonder een woord te spreken wandelden wij langs de ruien, verlegen en als beschaamd: mijn grootste denkbeelden over de mensheid leken door de kalme golven wel te worden weggevoerd...
De puntgevels weerspiegelden zich in het water; de vrouwen, gehuld in mantels en met diepe kappen over het hoofd getrokken, schreden traag door de straten alsof zij nergens heen hoefden gaan en het niet op dag en uur aankwam. Haast aarzelend gleed hun witte hand uit de vouwen van hun mantel tevoorschijn om te kloppen op de oude deuren, overtrokken met zwarte of groene lak waar de zon duizend barstjes in getrokken had; andere vrouwen met de statigheid van kloosterzusters openden de deuren omzichtig en even werden dan lange gangen zichtbaar, in blauw en wit getegeld, die geuren van was en confijtsel deden raden, wierook, en het geheim van méér gesloten deuren en dichte gordijnen...
De goedmoedige stilte spinde ons in en lang bleven wij op een bank zitten kijken naar het traag langsstromend water waar de zwanen geruisloze golven in trokken.
In de steegjes zaten perkament-achtige kantwerksters in de deurspelonken; hun vingers die uit lompen staken, wierpen de klosjes over de kussens en onder de naalden tekenden zich deftige, plechtige motieven af. De aanblik van die vrouwen bracht ons tot onze gesprekken terug, want het was bitter de maaksters van die verfijnde weelde zó beklagenswaardig aan het werk te zien. Ik vertelde dat mijn moeder haar ogen door dat elegante gepriegel had bedorven, en hoe ik haar als kind 's nachts gebogen had gezien over haar kussen, met nerveuze vingers de klosjes dooreen werpend bij geen ander licht dan van de snotneus, die zo heette omdat je de pit elk ogenblik moest snuiten.
Wij gingen naar de Grote Markt om op een terrasje een kop koffie te drinken. Mannen en jongens die kennelijk geen werk hadden en even doelloos op het plein en in de omringende straatjes stonden als het onkruid tussen de keien, kwamen om de suiker van de koffie bedelen. Ik gaf er iets van en deed er tien centiem bij. Dat werd doorverteld en al gauw stond een heel troepje om ons heen, waar luid gejuicht werd als ik iemand weer een paar centiem gaf. De tranen sprongen me in de ogen.
‘Het is verbijsterend, juffrouw. Een samenleving waar de mens zó verdrukt wordt is misdadig en zal op een goede dag eenvoudigweg gesloopt worden...’
Wij beklommen het belfort. Op de hoogste omgang zat een schoenlapper om de schoenen te poetsen of te herstellen. Ik werd er bevangen door hoogtevrees, mijn knieën knikten en mijn vriend moest me ondersteunen bij de afdaling. Beneden bleven wij nog even op de treden van een oude stoep zitten als om de lucht van het verleden in te ademen, van de andere tijd en het andere leven dat Brugge uitstraalt en waar ik boven alles van houd.
Hij noemde mij juffrouw en ik hem meneer, en wij hadden gescheiden kamers.
De volgende morgen reden wij per koetsje naar Damme. Langs het kanaal rijdend vertelde hij me van Uilenspiegel en Nele; ik had eens voor Nele geposeerd bij een beeldhouwer die me iets van haar karakter had verteld in verband met de houding die ik moest innemen, maar Nele zelf en haar aangrijpende liefde had ik pas goed begrepen toen ik het boek van De Coster had gelezen. De jongeman zei:
‘Uilenspiegel hield van Nele, maar vóór alles beminde hij Vlaanderen en daar offerde hij zijn liefde voor. Hij ging op zoek naar de Zeven die Vlaanderen moesten redden. Wanneer een man voor zijn ideeën wil vechten, mag hij zich niet laten belemmeren door een vrouw, zegt mijn vader - een getrouwde man is verloren voor de goede zaak.’
‘Maar Nele heeft Uilenspiegel juist van de galg gered door hem als man te kiezen... en uw vader is toch óók getrouwd...’
‘Ja, op zijn veertigste!’
‘Mag je op je veertigste de goede zaak dan wél in de steek laten?’
Dat antwoord zat hem dwars, zijn vader was voor hem een orakel.
‘Mijn vader was jong en knap, maar arm. Geen enkele vrouw wilde hem hebben. Maar toen hij geld had, had hij ze voor 't uitkiezen, ze liepen hem gewoon achterna.’
Ik voelde wel dat ik niet mocht ingaan tegen wat zijn ouders hem hadden bijgebracht, en dat hij op dat punt erg gewetensvol en kwetsbaar was. Ik was zelf natuurlijk allang gehard tegen ouders en als ik hem gezegd had wat ik dacht, had ik hem diep kunnen treffen. Wij waren even oud, maar ik voelde me veel ouder, het leven had me rijper gemaakt. Hij zat nog tot zijn schedel vol met theorieën: je hoefde maar alle kinderen bij elkaar te zetten, ze goed op te voeden en klaar was kees, één grote elite... Ik was daar niet zo zeker van: ik zei wel dat het zo zou wezen, maar ik voelde toch
dat er iets niet klopte...
We verlieten het rijtuig om veldbloemen te plukken; we brachten er armenvol van mee naarbinnen en voor we het wisten waren we in Damme. Het rijtuig hield stil voor het vroegere stadhuis, dat nu een herberg was. Het eerste wat wij deden was een wandeling door het stadje maken, dat oud was en bijna verlaten: niet veel meer dan een stel krotten, waar de bewoners ons achter de kleine gordijntjes stonden na te gluren. Ik wilde net zo'n Vlaamse muts kopen als waarmee ik voor Nele geposeerd had, maar in het hele stadje vonden wij geen enkele winkel. Toen wees men ons het huis van de vrouw die ze maakte. Ik koos er een in donkergeel met rode bloempjes, die me stond alsof hij apart voor mij gemaakt was. De vrouw was in alle staten:
In de stad vindt u geen enkele dame die zulk prachtig haar heeft als u, met die mooie golf en die tressen naar achter, maar bij de boerinnen hier wordt het wél zo gedragen...
Wij kwamen langs het kerkhof waar een zeer oude doodgraver een graf dolf.
‘Bijna beangstigend, die stad - ze is één grote bouwval met alleen maar oude mensen... waar zijn de anderen? Zijn ze weggetrokken en hebben ze alleen de oudjes achtergelaten?’
In de herberg stond ook weer een oude vrouw achter het buffet.
Langs scheefgezakte traptreden beklommen wij de kerktoren en vonden er boven alweer een grijsaard, bezig de klokken te poetsen die hij, volgens zijn zeggen, al zestig jaren luidde.
‘Laten we hier weggaan, het lijkt of het stadje behekst is...’
Op dat moment begon pal naast mij een reuzenklok elf uur te slaan: ik schrok er zo hevig va dat ik in panische angst de trap afrende, alsof alle toverkollen van Damme mij achter de rokken zaten. Mijn reisgenoot volgde me, niet veel
zekerder van zichzelf dan ík, maar evengoed lachend omdat ik zo in de rats had gezeten.
De oude vrouw achter het buffet, die gedurig aan een paarse breikous zat, volgde wantrouwend al onze bewegingen.
‘Laten we liever gaan, alsjeblieft, ik zou er wat voor geven om weer een jong gezicht te zien...’
In het rijtuig kwam mijn vrolijkheid gauw terug; tussen de velden hielden wij opnieuw halt om bloemen te plukken die wij naast ons op de bank ledgen. Toen wij elkaar aanzagen, recht in de ogen, begonnen wij te sidderen en in-gelukkig om onze jeugd vielen wij elkaar in de armen. Wij stortten ons in een vloedgolf van kussen, een baaierd van opwinding en geluk... en dat in een open rijtuig achter de rug van een koetsier...
In Brugge konden we haast niet meer op onze benen staan van emotie, en het middageten was één groot feest...
In de namiddag maakten wij nog een stadswandeling, maar we zagen niets meer: zelfs het Minnewater en de molen gingen als spiegelingen aan ons voorbij, - wij zagen alleen nog elkaar.
's Avonds schoof ik steels het grendeltje van de verbindingsdeur tussen onze kamers weg. Onder het voorwendsel een zakdoek te lenen deed mijn vriend de deur open en sloot hem niet meer. Wij gingen op de vensterbank van het open raam zitten, dat uitzag over de boomrijke tuin die in het halfdonker lag, maar alle geuren van de lente prijsgaf. Twee katten begonnen hardnekkig te krijsen.
‘Wat een afschuwelijke manier om het over liefde te hebben,’ zei ik, ‘het lijkt eerder of ze gevild worden.’
Mijn vriend, die in een nadenkende stemming was, antwoordde daar niet op.
‘Luister eens, ik moet je iets zeggen - ik weet niet wat te doen. We kunnen niet terug. Ik had gedroomd van vriend-
schap: een intelligente en lieve vrouw die me zou begrijpen, die van me zou houden omwille van het ideaal, die me zou bijstaan in de strijd tegen de ongerechtigheid. Jij had dat kunnen zijn omdat je zelf een slachtoffer bent geweest, en nu hebben we alles bedorven... Je zult me steeds tegenhouden, steeds remmen, want een man die een vrouw heeft is als verlamd in de strijd. Mijn vader heeft het altijd gezegd: het gevaar, dat is de vrouw... ze zijn allemaal ijdel en berekenend.’
‘Wij kennen elkaar nu een jaar, André, je hebt alle tijd en gelegenheid gehad om je te overtuigen.’
‘O, had ik bij jou die liefde voor de mensen niet gevonden, had ik met jou niet kunnen praten, dan had je nóg zo mooi kunnen zijn, je zou me toch niet hebben tegengehouden... maar ik zal je nooit trouwen, ik wil geen hinderpaal in mijn leven hebben: en moest ik op een dag naar het andere eind van de wereld gaan om voor mijn idealen te vechten, dan zou ik niet aarzelen.’
‘Je zou mij mee kunnen nemen.’
‘Je zou een blok aan mijn been zijn, je zou me verlammen!’
‘Herinner jij je Nele dan niet meer? Zij heeft bij de Watergeuzen gevochten, zij heeft aan de zijde van Uilenspiegel gemarcheerd...’
‘Ach, Nele's bestaan in deze tijd niet meer!’
‘En ik dacht bovendien dat je van me hield...’
‘Zie je wel, je begrijpt het niet... liefde is één ding, maar er zijn nog andere. Voor de vrouw bestaat het offer niet. De vrouw laat zich alleen leiden door de behoeften van het ogenblik: ik heb honger, ik moet eten; ik heb slaap, ik ga liggen.’
‘Ik heb zin om te beminnen dus ik bemin,’ antwoordde ik, ‘nogal wiedes dat ik dat níet doe als ik er geen zin in heb.’
‘In '48 toen mijn vader nog jong was, móest men zich inzetten voor de zaak van het volk... ze waren met z'n vieren,
vier vrienden die de vrouw uit hun gedachten hadden gebannen; ze zouden grote dingen hebben gedaan, maar eerst is de ene getrouwd, toen de andere, en tenslotte gingen ze allemaal voor de strijd verloren.’
‘Nu, gelukkig is het voor jou nog niet te laat. Wil je niet naar je kamer?’
Hij keek me verschrikt en teleurgesteld aan, maar ging zonder een woord naar zijn kamer terug.
Ik legde mij te bed en smoorde mijn snikken, dat hij me niet zou horen. ‘Wat is er toch met mij, dat men alleen op een afstandje van mij wil houden? Zo is het altijd geweest, al toen ik kind was: het léék vaak goed te gaan, maar op het beslissende ogenblik sprong het af - en waarom, waar was het voor nodig?’
André had me toch horen huilen en kwam naar me toe.
‘Begrijp me dan toch, ik houd van je, maar ik wil onze mooie vriendschap niet bederven... natuurlijk moet het een ideaal zijn een mooie en verstandige vrouw te hebben - maar ik durf niet. Ik heb nooit een meisje gehad, ik schijn daar niet geschikt voor te zijn.’
‘Waarom heb je mij dan gekust? Wij kennen elkaar een jaar, ik heb je met geen woord of blik gelokt, nooit...’
‘Ik wist niet welk gevaar ik met je liep. Alle vrouwen zijn gevaarlijk.’
Het kwam zeker door de opwinding en de angst, misschien ook door zijn onervarenheid, maar het werd niet de liefdesnacht waar ik van gedroomd had - mijn eerste ware liefdesnacht... Ik hield reddeloos veel van hem: zijn warme stem die als muziek in mijn oren klonk, zijn schaterende lach, zijn lange handen waarmee hij onder het spreken gebaarde, zijn naïveteit, zijn teerheid en kwetsbaarheid... en toch had hij me van zich afgeduwd uit angst en wantrouwen...
Ik dacht verder na en verbaasde mij erover dat hij niet had
gezinspeeld op mijn verhouding met Eitel die nog altijd voortduurde en waar hij van wist.
De volgende dag bezochten wij het ziekenhuis en de kerken om er de kunstwerken te zien, maar ik haalde er de schouders over op, zowel over de beelden als de schilderijen. Noch de madonna van Michelangelo, noch de wenende vrouwen van Memlinc maakten indruk op me: ik was tezeer vervuld van andere dingen.
En dan, hém zo te zien opgaan in die kunst, zonder een enkele gedachte aan wat wij de vorige avond en nacht hadden doorgemaakt... Wat me een beetje troostte was de toon waarop hij had gesproken, net als een schooljongen die zijn lesje opzegt; vaag voelde ik dat hem alles was aangeleerd, opgeplakt door al te behoedzame handen... Maar intussen stond hij diep onder de indruk van schilderijen, die gevoelens van eeuwen her vertolkten...
‘Het lijkt wel of u niets ziet!’
U, zei hij...
‘Zegt u dat allemaal niets?’
U!
‘Nee, het zegt me allemaal niets.’
Op de terugreis per trein zei hij dat we alles moesten vergeten, maar ik kon het niet en keerde heel kleintjes en bedroefd terug naar mijn kamer. Eitel had van mijn afwezigheid niets gemerkt.