Wat had ik toch? Mijn haar viel uit, mijn keel zag rood en deed zeer, ik had wallen onder de ogen en de maandstonden deden onverdraaglijk pijn. Ik was diep neerslachtig en prikkelbaar; angsten en toevallen besprongen mij als ik alleen was... Ik móest André spreken. Wij hadden elkaar nog tal van keren ontmoet, we hadden ook samen geslapen, maar vermeden steeds over ons beiden te praten. Toch was dat dringend nodig, want doordat ik niet buiten het geld van het inlichtingen-bureautje kon, was ik nog altijd aan Eitel overgeleverd.
Op een avond dat André een boek kwam brengen, trof hij me uitgeput aan.
‘Je bent veranderd, Keetje, je bent je vrolijkheid kwijt, je energie laat je in de steek...’
‘Ik ben ziek maar weet niet wat ik heb. Als ik bij de schilders kom, zeggen ze: wat zie jíj eruit, je moet je wat beter verzorgen, kind...’
Opeens snikte ik het uit.
‘André, zo kan ik niet doorgaan, ik kan me niet tussen Eitel en jou verdelen. Het is schandelijk, schandelijk, en jij láát me maar, ik ben voor jou enkel een ding om tegen te oreren! Is dat omdat je weet dat ik heb getippeld? Ik had nog wel gedacht tegen jóu alles te kunnen zeggen.’
‘Keetje, voor mij ben je zo zuiver als een vrouw maar kan zijn: ik kan je toch niet verwijten dat de maatschappij je zo vernederd heeft, je bent een slachtoffer...’
‘Slachtoffer van de maatschappij? Van de mannen! En om de maatschappij te verbeteren laat je mij zo leven.’
‘Als de goede zaak die ik voorsta mij op een dag nodig
heeft, moet ik vrij zijn.’
‘Als je mij niet veracht en als je van me houdt, heb je het recht niet mij zo te behandelen, ga dan weg en laat je niet meer zien.’
‘Ik had je helemaal niet moeten tegenkomen, ik ben geen man voor vrouwen, wat ik nodig heb is een vriend om samen te vechten. Als ik voor de keuze stond tussen vriendschap en wat een vrouw kan bieden, zou ik geen ogenblik aarzelen.’
‘Als je dus de keuze had tussen L. en mij, dan liet je me schieten?’
‘L. is wel een medestander, maar de ware vriend met wie je voor een groot ideaal strijdt, ziet er anders uit, en die moet de eerste plaats in je leven innemen.’
‘Nou, voor mij niet. Jij bent voor mij de eerste en de enige... alleen vroeger, toen had ik de kleintjes...’
‘Je hebt er geen idee van hoe ik moet vechten om mij te verheffen boven mijn liefde voor je - en dat zul je ook nooit begrijpen. De vrouw denkt dat ze zich maar aan een man hoeft te geven om alle andere plichten van het leven te vergeten. Een vrouw wil niet dat je ergens voor leeft, voor een idee... Mijn vader...’
‘Je vader is getrouwd en heeft kinderen, en hij heeft meer geld verdiend dan hij zijn hele leven op kan maken.’
‘Dat komt omdat hij heeft begrepen dat iemand zonder geld de slaaf van de maatschappij is; en omdat hij geld heeft moeten verdienen zodat hij zich niet aan de zaak van de mensheid kon wijden, heeft hij gewild dat ík over het geld kon beschikken om daar vrij voor te zijn.’
‘Dat klinkt prachtig, het klopt als een bus. Intussen wilde je vader niet dat je met de bedienden omging, dat heb je zelf verteld: de liefde voor de proletariërs mocht dus niet van al te dichtbij...’
‘Wij moeten ze opheffen zonder dat ze zelf meespreken,
want ze zijn nog onwetend, en wie loon krijgt is afhankelijk.’
‘Onwetend! Dat is het woord dat ik kon verwachten: ik ben zeker ook onwetend? Maar het kan mij niet schelen, André, echt niet. Het gaat er alleen om dat mijn leven ondraaglijk is geworden; als je mij niet een plaatsje in je eigen leven kunt geven, laten we dan uit elkaar gaan. Ik speel werkelijk geen spelletje met je, ik wil je niet uitdagen omdat je van me houdt, maar ik kán zo niet doorgaan, ik ben er even ellendig aan toe als in de tijd dat ik langs de straat liep om mij door mannen te laten oppikken. Ben ik zo miserabel, dat je mij omwille van je ideeën in de goot duwt? Jullie mannen maken mij gek, de een moet me verlaten om een bruidsschat te trouwen, de ander omdat hij zoveel van de mensheid houdt. Dan kan ik Eitel nog beter begrijpen... maar jij, wéét je niet dat het lijden van de mensheid samengesteld is uit het lijden van allemaal verschillende kleine gekneusde mensjes; en als je dan om zogenaamd voor de massa te werken de mensen om je heen ongelukkig maakt, dan heb je óf een hart van steen, óf je huichelt. Jij bent niet hard en ook geen huichelaar - jij bent misleid... Grote God, André, kijk toch eens om je heen; je zit met je hoofd in stelsels en theorieën, je bent een gewaardeerd lid van de samenleving waar je op spuugt en je zit aan alle kanten vast in de vooroordelen ervan, dat is de hele kwestie.’
‘Ik zie weer eens wat 'n gelijk mijn vader had, toen hij zei dat de vrouw onbekwaam was om een offer te stellen, ze denkt alleen aan zichzelf.’
‘Een offer stéllen? Opgeofferd wórden! En het is niet de samenleving die het offer vraagt, dat ben jíj, en wat voor offer... bovendien kende ik de spreuk al, je hebt hem in onze huwelijksnacht een paar keer opgezegd.’
Ik wiste mijn ogen af.
‘Laten we maar ophouden, het haalt niets uit. Míj hebben stelsels en idealen nooit zó vervuld dat ik daardoor ongevoe-
lig werd voor de kwelling en de vernedering waar ik al jarenlang in leef, van zolang ik mij kan heugen... en als de mensen mij met de vinger nawijzen, dan voel ik dat ook...’ Ik begon weer te huilen. ‘En het ergste is dat onze liefde daaraan stuk gaat, en wát er ook gebeurt, die wond blijft bloeden.’ Ik liep zinneloos door de kamer heen en weer, mijn hoofd in mijn handen.
‘Luister, Keetje. Ik heb niets in de hele wereld dan alleen mijn ouders en jou; ik houd van je, waanzinnig veel, maar er is in de samenleving zoveel werk te doen, dat we niet alleen aan onszelf mogen denken. Jij maakt me gelukkig - als ik bij jou ben, vergeet ik soms alles. en ben ik alleen in staat naar jou te kijken en te luisteren. Mag ik me daaraan overgeven en mijn oren dichtstoppen voor de noodkreten van de mensen? Het geluk verdooft, het maakt egoïstisch...’
Ik wist niet meer wat ik moest zeggen: hij had gelijk en toch ongelijk, ik kon er geen wijs meer uit... ach wat, we hadden toch zeker recht op een beetje geluk en wat liefde, zonder dat er iets tussen ons stond... en eer ik zou vergeten hoeveel ellende er op de wereld was; als we de barricaden op moesten, zou ik eerder boven staan dan hij... o, het moet schitterend zijn het leven te geven voor een goede zaak, en de edelste was die van de vertrapten: maar daarom kun je nog wel met z'n tweeën zijn...
Zag hij wat er in mijn koortsachtige hoofd omging? Hij sloot me in zijn armen.
‘Keetje, liefste, ik hoor toch bij jou, voor altijd...’