terug  begin  verderprepost
[p. 129]

Naar Amsterdam

Dankzij André kon ik uitspraaklessen nemen (want ik had nog steeds een zwaar accent) en lessen in geschiedenis en aardrijkskunde: ik wist niet eens dat bruin op landkaarten bergen betekende, geel heuvels en groen laagland. Nadat wij al een hele tijd samen waren geweest, zei hij dat hij Amsterdam eens wilde zien, waar ik zoveel over had verteld.

Toen de trein het station binnenreed begon ik te rillen en trok het bloed uit mijn gezicht weg: ik had niet gedacht dat de indruk die de stad zou maken, waar ik zoveel had geleden, zó sterk kon zijn. André zag mijn emotie en greep mijn handen.

‘Je moet me alles laten zien, dat zal je opluchten.’

Wij betrokken een kamer in het Bible Hotel, vlakbij de beurs waar ik eens had getrommeld en die nu afgebroken werd. De volgende morgen vroeg begonnen wij een grote stadswandeling en André raakte niet uitgekeken op de lange rijen zeventiende-eeuwse huizen.

‘De geschiedenis van die straten en huizen kan ik je niet vertellen, maar wel het verhaal van de generaties kinderen die in de ondergelopen kelders en de sloppen zijn weggekwijnd, van de generaties volwassenen die er stijf van het vocht zijn geworden, en de grijsaards die er van ontbering en ellende zijn gekrepeerd. Ik heb in ongeveer alle buurten van de stad gewoond en ik ken de stank van alle riolen.’

‘Maar Keetje, vergeet niet dat zoveel schoonheid ook mensen gelukkig kan maken, en de mensen die hier lopen zien er tevreden en welvarend uit.’

‘O natuurlijk kun je hier gelukkig zijn, maar ík ben het niet geweest. Van de avond dat we over de Amstel de stad

[p. 130]

zijn binnengevaren tot de avond dat we, weer over de Amstel, vertrokken zijn, is ons leven een bijna onvoorstelbare reeks gruwelen geweest. Vreemd, in Brussel heb ik steeds heimwee naar Amsterdam gehad, maar nu weet ik dat ik niet terug had moeten keren.’

's Middags gingen wij in een van de grote restaurants op het Rokin eten. De tegenstelling met vroeger was monsterlijk: ik schaamde mij die lekkere hapjes te eten en die uitgelezen wijn te drinken (want André wist te kiezen), maar hij legde me uit dat ik me helemaal niet hoefde te schamen.

‘Mijn vader heeft vijftig jaar lang hard gewerkt om een paar honderdduizend frank bij elkaar te krijgen, een fortuintje dus, en we hebben het recht daarvan te genieten. Het leven hoeft niet steeds een korst droog brood te zijn; als het grootste deel van de mensen niet veel méér te eten heeft, dan komt dat niet doordat ik eens een schetsje van 'n schilder koop of een kreeftje eet - een verrukkelijke kreeft overigens, je zou hem alleen al om de kleur opeten, 't is of je licht en vrolijkheid naar binnen krijgt; nee, de kwestie ligt niet zo eenvoudig, want hier helpt geen liefdadigheid maar enkel een grote verandering, een massale strijd. Met een paar kameraden en enkele sociologen die ik ken, willen we een vereniging stichten die zich bezighoudt met het sociale vraagstuk en de verheffing van het volk. We willen dan ook een tijdschrift uitgeven met van alles erin, ook veel kunst. Mijn moeder zegt, dat me dat van de vrouwen zal afhouden, dat is het enige wat háár in het plan interesseert.’

‘Als ze iets over mij te horen krijgt, zal ze me wel goed zwart maken.’

‘Ik ben van plan haar te zeggen dat jij bij me hoort, een stuk van mijn leven bent.’

En zijn blik, die ik tot aan mijn dood niet zal vergeten, boorde zich in de mijne om mij het vertrouwen te geven dat ik nodig had. Maar ik was bereid om die blik op de bitterste

[p. 131]

manier te beantwoorden als zijn moeder tussen ons wilde stoken...

 

Op zondagmorgen nam ik André mee naar de markt in de jodenbuurt. De uitdragers, ouwe-kleerkopen, sigarenmakers en venters schreeuwden hem zonder ophouden in 't gezicht: ‘Kóóp toch... een dubbeltje maar! 't is alleen zo goedkoop omdat het gestolen goed is, 't móet weg!’ Ze grimmelden door elkaar, stonden haast opeengepakt en putten al hun slimheid en spraakwater uit om een paar stuiver te kunnen verdienen.

De man van 't zuur staat bij zijn augurken en komkommers in pekel of azijn en zingt eentonig zijn lied, terwijl hij zijn armen tot de ellebogen in een tonnetje zuur laat verdwijnen, waar hij beurse komkommers uit opdiept die hij per schijf verkoopt. Hij snuit zijn neus tussen zijn vingers, maar kom nou, mijn snot of jouw snot, wat maakt dat nou voor verschil...

Een ander verkoopt haringen per mootje, twee centen 't stuk, en lapjes geroosterd paardevlees. Een klant prikt ze aan een kreupel vorkje, doopt ze in een pot mosterd met peper en azijn, stopt ze in de mond en geeft het vorkje aan de volgende. Dan neemt hij nog wat uitjes en stukken komkommer na, wat met de hand gaat en waarbij het zuur op de straat druipt. Voor twee stuiver heeft iemand weer gesmuld als een vorst...

Op de onderste tree van de steile stoepen, waar het kabeltouw dat als leuning dienst doet een veeg smeer op je handen achterlaat, zitten de oude jodinnen. Hun huid is opgezet, hun ogen tranen, het vuil zit tot diep in hun poriën en over hun haar spant een zwarte doek, waar een witte draad overheen loopt die de scheiding lijkt aan te geven. Daarboven een witte muts, daaronder hun gezicht met tandeloze mond, zwerend en schurfterig. Ze staren voor zich uit of

[p. 132]

kijken rond zonder iets te zien, als zinneloos.

André was ervan door elkaar.

‘Moet je hun slappe handen eens zien... die vrouwen zijn hulpeloos achtergelaten in de drek: daarvoor hebben ze nu een leven lang als beesten gewerkt in holen zonder licht of lucht en tussen de beerputten, daarvoor hebben ze het gemeenste afval gegeten... hun kinderen hebben hen natuurlijk aan hun lot overgelaten, en op zondag schuifelen ze hun trappetje af om even een zonnestraal op te vangen en toe te kijken hoe het leven van hun volk om ze heenwoelt.’

‘Het is zoals je zegt, alleen worden ze niet aan hun lot overgelaten: joden behandelen hun ouders met veel eerbied.’

De kinderen spelen op stoepen en in kelders temidden van walmend straatvuil. De kleine meisjes hebben grote zwarte ogen, het bruine haar sluik of in krullen gedraaid, kromme neus en bleekgele gelaatskleur, ze dragen roze schorten of besmeurde rode jurkjes; de wat ouderen, die al echte vrouwengezichtjes hebben, zeulen met de kleuters. De jongens, met krulhaar en aaneengegroeide wenkbrauwen, spelen met trommeltjes of laten zweepjes knallen. Allemaal gillen en krijsen ze in een taal die voor oningewijden niet te verstaan is: maar ik versta het wél, want ik heb hier vroeger zelf met potten en pannen gestaan. Ze eten krentenkoeken, zuigen aan suikerwerk of doen zich te goed aan zuur...

‘De zon is hier maar schriel,’ vervolgde André, ‘ze glipt eens zo'n nauwe trapkoker of kelderwoning in, zal misschien een raam op tweehoog binnenschijnen, maar krijgt nooit de kans om de mensen eens door en door te verwarmen en die oosterse gezichten wat te bruinen: hun kleur blijft krijterig, net alsof hij uitgelopen is. Wat ontbreekt is de warmte in dit puisterige oosten, een oosten dat geen lucht kan krijgen en naar open wonden en latrines stinkt... je hart krimpt ineen als je het ziet. Wat moeten die mensen geleden hebben, tot ze uiteindelijk karikaturen zijn geworden -

[p. 133]

bleekzuchtig, stinkend als een gezwel; en tegelijk, wat een veerkracht moet dat volk hebben, dat het evengoed springlevend is gebleven en zo ongelooflijk hard werkt...’

 

's Anderdaags reisden wij naar Brussel terug. Toen het rijtuigje dat ons van het station naar huis bracht langs de botanische tuin reed, voelde ik me weer zo gelukkig dat ik uitriep:

‘André, ik zou daar werkelijk niet meer kunnen wonen. Brussel is toch veel vrolijker en die bolle Brabantse tronies hebben zoiets kinderlijks en ruimhartigs over zich, dat ik er meteen vertrouwen in heb...’

De avond besteedden we aan een wandeling rond de Grote Markt om ons de stad weer eigen te maken. Ik was gelukkig, wat was ík gelukkig!

prepostterug  begin  verder