Na ongeveer een week kreeg ik een brief van Wimpie's moeder, waarin ze schreef hoe pijnlijk het wel voor haar was, dat haar ene kind van alles kreeg en de anderen niets. Ze vroeg of ik hun niet wat kleren en geld kon sturen. Ik zond twintig frank.
Een week nadien weer een brief, nu voor de huur: ik zond opnieuw een briefje van twintig frank.
Een week later hetzelfde liedje: ze moesten verhuizen en een voorschot op de huur betalen - ik zond nu nog maar tien frank. De week daarna lag er alwéér een brief om geld!
Nu antwoordde ik dat ik ze ontlast had van de zorg voor een kind dat anders zijn leven lang onder de armoe gebukt zou zijn gegaan, maar dat het me onmogelijk was om méér te doen en dat ik zelf van de welwillendheid van een ander afhing. Met kerende post werd meegedeeld dat ik de jongen dan maar terug te brengen had. Ik antwoordde dat ik het niet zou doen: ze hadden mij het kind afgestaan, ik was me aan hem gaan hechten, hij bloeide helemaal op en was gelukkig, hij zong en danste de hele dag. Het moest voor ouders onmogelijk zijn, schreef ik, hun kind in koelen bloede terug te stoten in de misère waar hij als door een wonder aan ontsnapt was, en dat alleen omdat ze mij niet konden exploiteren, zoals ze hadden gewild; en bovendien, dat het niet alleen om Willem zelf ging, maar ook om zijn kinderen, later, want hij zou de eerste Oldema zijn die z'n volle kans in het leven kreeg. André had Wimpie's toekomst zelfs in zijn testament veilig gesteld en zou hem levenslang behandelen als was hij z'n eigen kind geweest.
Het antwoord luidde dat zij daar niets mee te maken had-
den, en dat het absoluut onverdraaglijk was dat de één in weelde leefde en de overigen in armoede: hij moest en zou terug.
Antwoord: ‘Jullie zijn monsters en ik sta hem niet af.’
Ik had geen leven meer, elk moment van de dag vreesde ik ze te zien verschijnen. Ze hadden geen geld voor de trein maar toch, na twee maanden kwam mijn broer in Brussel en samen met Naatje drong hij het huis binnen. Ik greep hem bij de schouders en poogde met alle macht hem de deur uit te werken - spreken kon ik niet meer, mijn keel was als toegeschroefd. Ik nam het kind op schoot en omsloot het met beide armen. Hakkelend wist ik met vervormde, rauwe stem uit te brengen:
‘Je durft het, je durft te komen en het kind van me af te nemen om het in de ellende terug te trekken. Je hebt het gedurfd, ja, je eigen kind gebruiken om mij te exploiteren, en omdat ik daar niet op inga neem je het terug, zonder een greintje medelijden, wat kan het jóu schelen... Maar kijk tenminste, kijk wat hij nú is, en denk eraan wat hij vroeger was...’
‘Hij is mager geworden.’
‘God, mijn God, hij is niet meer opgezwollen, nee, hij krijgt eindelijk spieren...’
Met een enkele handbeweging ontdeed ik hem van zijn kleren.
‘Kijk dat huidje, die haren, dat gebit... kijk toch, wat een schat van een kereltje, en jullie willen er weer een ondervoed monstertje van maken, als vroeger...’
Wimpie huilde.
‘Ik wil niet weg, tante!’
‘Mijn vrouw geeft me geen rust meer, ze kwijnt weg, ze zit dag en nacht te huilen.’
‘Dat is komedie! Als ze mij kon plukken, zou ze maar wát blij zijn als hij hier bleef.’
‘Nu ja, dat wil ik niet ontkennen, een mens wil beloond zijn.’
‘Is de beloning dan niet dat het kind gelukkig is?’
‘Maar het is geen leven meer met mijn vrouw... en trouwens, zelf heb ik het altijd best kunnen stellen zónder alles wat hij hier heeft, dus híj zal het ook wel kunnen... en nog wat, hij is tenslotte ons kind, nietwaar, Wimpie? Ga je fijn met papa mee?’
Wimpie klampte zich aan mij vast.
Drie dagen lang lieten André en ik het kind niet uit het oog en we praatten net zo lang tegen Hein aan, tot hij per slot van rekening zonder kind naar huis terugkeerde.
De eerste dagen kwam er geen nieuws, maar toen ontving ik een brief van mijn schoonzuster: zij zou het geld van de huur gebruiken om zelf haar kind te komen halen. Ze was onverbiddelijk. Ik zond haar honderd frank en smeekte, Wimpie tenminste tot na de zomer bij me te laten: ‘Hij gaat nu eerst een paar maanden naar zee, dan zal hij beter gehard zijn tegen het bestaan dat hem wacht.’
Ik kreeg geen antwoord, maar zij kwam tenminste niet opdagen.