In de maand juni reisde ik met de jongen naar Walcheren, waar ik vlak bij het strand een boerenhuisje had gehuurd. Ik had een strandpakje voor hem genaaid en toen ik hem dat de eerste morgen aantrok, vroeg hij verbaasd:
‘Tante, kleden de mensen zich hier zó? Moet ik hier echt in lopen? Ik heb niet eens kousen aan, en jij wel...’
‘O, maar aan het strand doe ik die uit, dan gaan we met z'n tweeën pootjebaden.’
Ik gaf hem een schepje en een emmertje, waar ik een handdoek in deed. Ik wilde dat hij de zee in één keer in al haar grootheid zou zien, dus klommen we eerst een hoog duin op.
‘Daar!’ riep ik toen we boven waren.
Hij hijgde naar lucht en kon eerst geen woord uitbrengen. Toen zei hij:
‘Da - da - dat is wa - wa - water, tante... blauw water, en groen, en - en - en nog wat anders...’
‘Zeegroen heet dat,’ zei ik, ‘en violet. En nu naar beneden!’
‘Nee tante, nee, daar beneden kun je niet lopen, daar komt de zee op je af, kijk maar, ze komt naar voren.’
‘Ja, maar ze gaat weer terug, zie je wel?’
‘Hoe kan dat nu?’
‘Dat vertel ik je later wel eens. Kom, we gaan naar het strand en straks zoeken we samen mosselen tussen de stenen.’
Wij klommen omlaag. Hij was eerst heel voorzichtig uit angst dat het water ons zou overvallen, maar een paar minuten later was dat natuurlijk over en kon hij zijn geluk niet
op: het warme strand, de schelpen... tussen de golfbrekers zochten wij onder de stenen mosselen tot wij het emmertje vol hadden. Opeens week Wimpie gillend terug, hij klauterde achteruit de golfbreker op en zwaaide met zijn ene been alsof hij naar iets trapte.
‘Tante! Tante!’
Ik zag dat een grote krab met open scharen op hem afkroop; ik greep het dier en deed het in het emmertje.
‘Daar hoef je niet bang voor te zijn, zo'n beestje. Het is juist bang voor jóu en wil zich verdedigen... we zullen hem koken en vanavond opeten.’
‘Opeten? Maar tante, dat is infâme,’ zei hij op z'n Frans.
‘Wat zeg je daar voor woord? Dat heb je van oom!’ riep ik uit, maar tegelijk dacht ik: dat jochie heeft eigenlijk nog gelijk ook.
‘Kom, we gaan het water in.’
Ik deed mijn kousen uit, en Wimpie's strandpakje. Hand in hand liepen wij een paar stapjes de zee in. Hij had zijn vertrouwen teruggekregen en schaterde het uit wanneer de branding ons in het gezicht spatte. Van blijdschap en opwinding begon hij te stotteren en zijn huid was nu zo fijn, zijn haar zo blond, zijn blik zo helder, dat het leek of hij in één verband thuishoorde met het gouden zand, het zilverachtige water en de lucht vol geuren. Hij was op dat moment de levensvreugde zelf.
Maar die vreugde is niet voor mij, dacht ik. Ik mag een paar maanden toezien en meehelpen wanneer dat zieltje opengaat en dan... dan zal het zich in het donker van de stegen weer sluiten en niets kan ik ertegen doen, niets...
Wimpie zag mijn gezicht betrekken en begreep het niet.
‘Tante, waarom bent u boos, ik heb toch niets gedaan?’
‘Natuurlijk niet, schatje, en ik ben ook niet boos, ik had alleen eventjes pijn. Het is al over.’
De maanden aan zee waren voor hem één groot feest. Met
de andere kinderen bouwde hij forten en maakte hij taartjes van zand, en toen André er tijdens zijn vakantie ook was, reden wij in een janplezier het hele eiland rond. Wimpie's trots was, dat hij naast de boer mocht zitten die de wagen mende, maar toen ook een meisje in Walcherse dracht de wagen binnenkwam, moest hij naast háár: zij mocht zijn speelgoed vasthouden en elk ogenblik vroeg hij zuurtjes om haar ook iets te kunnen geven. 't Was een en al zonlicht en zeelucht, soms zo diep en rijk dat hij midden op de dag insliep en dan was het mij even zoet als smartelijk om hem in mijn armen te hebben.
Na vier maanden moesten wij wel terug naar Brussel, waar ik al een brief vond liggen: de ouders zouden deze keer samen verschijnen om hem mee te nemen. Ik antwoordde dat ik hun mijn huis ontzegde maar dat Naatje kon komen.
Ik maakte een groot pak van Wimpie's kleren (alleen zijn manteltje met capuchon hield ik) en gaf het Naatje en de meid mee, die met het kind tussen zich in vertrokken. Uit het venster van de benedenverdieping leunend, zag ik hoe ze zich verwijderden. Vlak voor de hoek keerde het kind zich om, zwaaide zijn armpje en riep:
‘Ik kom terug, hoor, tante, heel gauw al! Niet huilen, ik ben je Wimpie toch...’
Hij deed een paar passen in de richting van het huis; Naatje greep hem bij de arm en trok hem de hoek om.
Was de maat nu eindelijk volgemeten? Was het eindelijk genoeg? Ons gezin was nu voorgoed uiteen, we waren vervreemd of elkaar vijandig... en het arme kind, hij ging me zo aan het hart dat ik zelfs niet meer kon huilen...
André had niet bij het afscheid aanwezig willen zijn, maar de meid merkte dat hij zich bij het station verdekt had opgesteld om Wimpie nog eenmaal te zien; toen glipte hij weg en kwam naar me toe. We spraken geen woord. 's Avonds at
ik bij hem thuis, waar zijn moeder luidkeels verzekerde dat dit nog de beste oplossing was en dat ik nooit dankbaarheid had mogen verwachten.
‘Tranen zijn verspild, mijn lieve juffrouw. Wat dacht u dán, waarvoor de ouders u dat kind hadden gegeven?’
‘Dat hij niet in die verschrikkelijke misère zou hoeven blijven... André en ik zouden een man van hem hebben gemaakt.’
‘Puh...! ikzelf, wanneer ik iets van de mensen wil hebben, begin met die mensen te kopen. Wat voor reden hebben ze om iets voor je te doen? Je moet ze kopen, anders zit er niet op, en ze zíjn te koop.’
André zat met zijn neus vlak boven zijn bord en hield zijn hand om de lepel gekneld.
‘Wat heb je, André? Je éét niet... ik zal oesters voor je laten halen.’
Ze drukte met haar voet op het belknopje dat onder de tafel was aangebracht, en luidde alsof het huis in brand stond. Filomeentje verscheen.
‘Filomeentje, haal eens een dozijn oesters voor meneer, hij éét maar niet vandaag...’
‘Nee moeder, laat maar, ik heb geen trek in oesters.’
‘Jawel, natuurlijk wel! En u ook? Dat zal u goed doen, dan vergeet u alle verdriet. Anderhalf dozijn dan maar, Filomeentje.’
‘Nee, nee, en nog eens nee! Moeder, we lusten nu geen oesters... altijd dat éten in dit huis!’
Hij weigerde ervan te nemen. Ik at er vier, zijn moeder nam de overige.
Bij het naar huis lopen leek het of wij ons voor elkaar schaamden, en heel zacht fluisterde André toen:
‘Wat kan ík eraan doen? Je kunt je moeder niet uitkiezen.’
Toen André weg was, begon ik weer te lezen in Heine op dezelfde bladzijde waar ik het boek had gesloten toen Wim-
pie in huis was gekomen, midden in de winter, en nu was het al herfst... Maar mijn bitterheid verdroeg zijn spot niet en ik legde het boek weer weg.