terug  begin  prepost
[p. 151]

Die sterven van de honger

Mijn schoothondje Beessie had ik onder mijn mantel van otterbont genomen; alleen zijn snuit stak eruit. Het was ondanks de nattigheid zacht weer, en omdat het diertje de hele winter in huis doorbracht, wilde ik het wat frisse lucht laten opsnuiven. Terwijl ik onderweg tegen het hondje, dat overal bang voor was, geruststellend liep te praten, zag ik een met zand beladen handkar waar drie woeste, haveloze, uitgemergelde honden voor gespannen waren; ze rekten hun magere halzen uit naar een slagersknecht die ergens vlees bezorgde, en naast de kar strompelde een vrouw die er even verwaarloosd en armzalig uitzag als haar dieren. Op de honden wijzend, zei ik Beessie:

‘Kijk, die sterven van de honger...’

De vrouw had me gehoord en terwijl ze in razernij de kar voortduwde, hitste zij de honden op mij aan, bleef mij volgen en schold:

‘Ja, mooie madam, zo is het, wij sterven van de honger, ík, die je helemaal niet meegeteld hebt, net zo goed als mijn honden en als je wilt weten sinds hoelang we niet gegeten hebben, nou, sinds gistermiddag niet! Van zes uur vanmorgen af trekken wij al met de kar rond, we voelen onze voeten niet meer, maar geen mens die een emmertje zand wil kopen... en als we nog vissen hadden, of mosselen, dan konden we onze eigen waar opeten, maar zánd... jawel, wij sterven van de honger, wij zijn stervende, en jij komt ons dat nog eens vertellen, o wat goed ben je toch voor ons! Maar je zegt het niet om ons te helpen, en áls jullie het doen, dan is die hulp nooit veel bijzonders... ja, zo'n boutje als jij bent dat zou de beesten passen, ze zouden geen flintertje vlees op

[p. 152]

je botjes laten zitten... en zelfs het mormel dat je onder je mantel van minstens vijfhonderd frank hebt, zou er glad dóór gaan, met huid en haar, en God, ik zou het zelf ook nog vreten...’

Zij ging maar door haar honden aan te vuren; de voorbijgangers bleven staan kijken. Beessie liet de tanden zien, hoe bang hij ook was, maar zelf was ik niet zo dapper: ik haastte me zo snel ik kon naar huis. Ook toen ik stond te wachten tot de meid zou opendoen, bleef de vrouw schreeuwen:

‘Een mooi huis, precies op maat voor zo'n mooie dame... de kachel zal binnen wel lekker ronken, niet?’

Haar scheldwoorden mengden zich met snikken; de honden lagen hijgend in de modder.

‘Virginie, geef die beesten wat te eten en geef de vrouw twee frank.’

‘Mevrouw weet het misschien niet, maar dat wijf is aan de drank, tien centiem zijn genoeg.’

De vrouw bleef schelden.

‘Virginie, zorg dat ze ophoudt of ga anders naar de politie... nee, nee, dat niet! Maar ze moet ophouden...’

‘De politie is anders het enige middel om zo'n mens het zwijgen op te leggen.’

‘Het kan me niet schelen, ik ga naar binnen.’

In mijn kamer merkte ik dat de vrouw me bleef achtervolgen, ook nu ze weg was... ‘je mantel van minstens vijfhonderd frank,’ had ze gezegd... hij heeft het viervoudige gekost, maar vijfhonderd frank waren voor haar al een immens fortuin... en waarom heb ik dat gezegd: ‘Die sterven van de honger...’ ook zónder dat had ik in mijn kast het geld klaarliggen om mijzelf vol te hangen met strikjes en prulletjes, of om kantjes te kopen voor vriendinnen die ze helemaal niet nodig hadden...

‘Die sterven van de honger...’ waarvoor dat onvruchtbare, stenen medelijden? Waarvoor die tranen in mijn ogen? Om-

[p. 153]

dat ik de haat en de honger verraden had? Omdat ikzelf die vrouw had kunnen zijn?

Bevangen door een panische angst probeerde ik mijn verleden voor eens en altijd van me af te schudden, het uit mijn leven te scheuren met al zijn vernedering en woede...

Maar nee.

prepostterug  begin