Een van de minst tot de verbeelding sprekende collecties van de Maatschappij is ongetwijfeld die van de gelegenheidsgedichten. Het genre wordt eigenlijk niet als een volwaardige vorm van literatuur gewaardeerd en het moet gezegd worden dat de auteurs ervan zich al in de achttiende eeuw in de gedichten zelf voor hun weinig originele produkten begonnen te verontschuldigen. In dezelfde periode was men zich ook al bewust van het feit dat enerzijds met volle ernst werd voldaan aan de verwachting dat bij gedenkwaardige gebeurtenissen in het leven van publieke personen een hooggestemde dichterlijke bijdrage werd geleverd en dat men anderzijds louter onbetekenende doch aangename tijdvullinkjes vervaardigde op feesten en partijen van vrienden en bekenden. Een en ander wil ik in het hier volgende demonstreren. Vervolgens zal ik ingaan op het karakter en de toegankelijkheid van de collectie gelegenheidsgedichten in het bezit van de Maatschappij. Ten slotte zullen twee soorten dichtwerk worden besproken die wegens hun Leidse karakter in de collectie zijn vertegenwoordigd: promotieverzen en genootschapsdichtwerk, soms nauw met elkaar verbonden. Hierbij is een bewuste keuze gemaakt voor de tweede helft van de achttiende eeuw vanwege de doorgaans stiefmoederlijke behandeling van deze periode.
Bij de viering van de elfde verjaardag van het Leidse genootschap ‘Kunst
Wordt Door Arbeid Verkreegen’, dat van hetzelfde geboortejaar was als de
Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1766), richtte Pieter Vreede junior, die op dat moment de voorzitter was van
het dichtlievende gezelschap, op enigszins boertige wijze het poëtische
woord tot de leden.1 En hoewel de stijl
luchtig was, verried de ondertoon een zekere wijsgerige ernst. Zijn
hoofdgedachte kwam op het volgende neer: van dichters wordt gezegd

Een kleurrijk geboortegedicht
dat zij leugenachtige taal spreken; hoe kan ik nu geloofwaardig en
toch acceptabel de lof van het gezelschap zingen?
Het bewijs dat dichters leugenaars zijn, levert hij met behulp van de praktijk van het gelegenheidsdichten, en hij spreekt daarbij de poëten rechtstreeks aan:

De conclusie moet wel zijn dat hij de verjaardag van het genootschap niet met een gedicht kan bezingen en dat hij beter kan zwijgen over de verdiensten van de mecenen, de hoofdleden en de medeleden.
Met deze kritiek op de gelegenheidspoëzie schaart hij zich in een stoet van dichters die deze al eerder in dichterlijke vormen onder woorden hebben gebracht. Hij maakt in feite gebruik van een soort poëtica van de ‘gelegenheids-kritiek’ en eigenlijk zet hij daarmee weer de strekking van zijn kritiek op losse schroeven. Vreedes tekst is de zoveelste demonstratie van de ambigue verhouding die dichters sinds de eerste uiting van twijfel - die in de eerste helft van de achttiende eeuw begint op te komen - ten opzichte van het genre gaan vertonen. Men verontschuldigt zich op het letterkundige vlak, maar schikt zich niettemin in een sociaal patroon dat zich almaar dwingender laat voelen als onvermijdelijke verplichting of als een prettige tijdpassering. Dat laatste wordt overigens aan het eind van de eeuw hier en daar onverbloemd toegegeven. Een gedicht op de juiste tijd, begoten door geestrijk vocht, ondersteund door een smakelijke doch voed-
zame maaltijd en begeleid door oorstrelende tonen: waarom zou men zich daarvoor schamen? Hermanus Coster, voorzitter van ‘Kunst Wordt Door Arbeid Verkreegen’ sinds 1777, doet dat in ieder geval niet in zijn gedicht voor het huwelijk van Philippus van Outeren en Dorothea Fiers, voltrokken in Leiden op 11 oktober 1778. Zijn gedicht is het laatste in een bundel die is bijeengebracht door genootschapsleden: François Halewijn, Cornelis van Hoogeveen junior, M.J. van Staden, Karel de Pecker P.Z. en Anthony de Hen. Van Hoogeveen, boekverkoper-dichter, medeoprichter van het genootschap en vermoedelijke drukker van de bundel, roept zijn collega-poëten zeer traditioneel op tot dichten.3 Coster daarentegen doet ons een boekje open over de voornaamste beweegredenen van de dichters. Blijkens de tekst gaat het hier om een huwelijk van twee echtelieden op leeftijd, die niet alleen een eerdere echt, maar waarschijnlijk ook een rijk sociaal leven achter de rug hebben. Coster kan dus rustig refereren aan eerdere contacten met de bruidegom, die de Leidse dichters vermoedelijk als een mecenas in zijn huis heeft ontvangen. En dat geldt wellicht in het bijzonder voor Coster, organist van de Sint Pancras Kerk:


Deze tendens zet zich in de volgende decennia, zo niet eeuwen, voort. Alleen gedichten op officiële gebeurtenissen in het leven van publieke personen (ambtsaanvaardingen, jubilea, begrafenissen) houden min of meer hun status. Zij worden gedrukt, gewaardeerd, herdrukt in bloemlezingen en met naam en toenaam bewaard in openbare collecties. De andere gelegenheidspoëzie verdwijnt naar de privésfeer, wordt minder als literair produkt en meer als sociaal verschijnsel opgevat en zo zij al wordt bewaard, dan meestal onopgemerkt in familiearchieven of op zijn best als deel van een als ‘Verzameling’ gekenschetst item in de catalogus van een bibliotheek.

Ook voor de collectie gelegenheidsgedichten van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde geldt dat afzonderlijke gedichten of dichtbundeltjes moeilijk te vinden zijn. Nog in 1990 promoveerde Robert Arpots op een proefschrift over het Leidse enfant terrible Johannes le Francq van Berkhey, met een uitvoerige lijst van gedrukte werken waarin een tiental signaturen van diens gelegenheidsgedichten in het bezit van de Maatschappij ontbreekt.5 En dat terwijl Le Francq van Berkhey nog niet eens tot de doorgaans-vergetenen behoort.
De Leidse bibliotheek is evenals de Koninklijke ‘vol van schatten’; de - niet alles onthullende - kaart (de gedrukte catalogus) is wel aanwezig, maar de handleiding die de graver in staat stelt om met die kaart de schat te vinden, is niet beschikbaar. Een en ander is te verklaren door de wijze waarop de collectie van de Maatschappij tot stand is gekomen zowel als door de geringe literaire waardering die men sinds de achttiende eeuw voor het genre gelegenheidsgedicht heeft.
Aanvankelijk moet het aantal gelegenheidsgedichten in de bibliotheek tamelijk gering zijn geweest. De eerste catalogus van 18296 bevat er slechts enkele, zó weinig dat het nog de moeite loonde om dichters en titelbeschrijvingen expliciet op te nemen.
De eerste ‘verzameling’ wordt aangetroffen in de catalogus van 18477: een aantal gedichten van J. Maan. Het belang van de dichter neemt vervolgens af ten gunste van het belang van de bezongenen, van de betrokken families. Dankzij deze mentaliteitsverandering lokt de ene schenking de andere uit, zodanig dat de binnenkomende hoeveelheden te groot worden om ze per titel te specificeren. Dat blijkt voor het eerst overduidelijk uit het catalogusdeel dat in 1864 uitkwam. Dit deel heeft een afzonderlijke rubriek ‘Gelegenheidsgedichten’, waarin naast enkele specifieke titels sprake is van
Eene Verzameling van meer dan vijftig Bruiloftszangen, betreffende Familien in Noord- en Zuidholland, vooral te Rotterdam, uit het laatst der xviie en uit de xviiie eeuw, van meer en min bekende Dichters (p. 124).
Het wordt met het vorderen der jaren steeds moeilijker om vast te stellen hoeveel gedichten er binnenkomen. De jaarverslagen van de bibliothecaris worden uiterst globaal op dat punt, hetgeen bewijst dat het type materiaal als zodanig meer de belangstelling genoot dan de dichter of de bezongenen. Ondertussen nam de catalogisering van de gelegenheidsgedichten een belangrijke plaats in bij de voorbereiding van de derde en laatste gedrukte catalogus (1887-1889).8 Verdere aanwinsten zouden, vanwege de overbrenging van het Maatschappijbezit naar de Leidse universiteitsbibliotheek (1876), worden opgenomen in de catalogi van de ub. De beschrijver, Th.J.I. Arnold, had al vele jaren de gelegenheidsgedichten onder zijn hoede toen catalogusredacteur Louis D. Petit het werk van hem overnam. Vooral aan de gelegenheidsgedichten had Petit zijn
handen vol. Ze waren in grote aantallen voorhanden. Petit had moderne ideeën over het materiaal. Esthetisch vond hij ze weliswaar van weinig waarde, maar dat feit achtte hij veruit ondergeschikt aan de historische betekenis. Hij zag ze als een geschreven platenatlas van de geschiedenis in de ruimste zin. Na het monnikenwerk van Petit heeft zich echter nauwelijks meer iemand om de catalogisering van gelegenheids-dichtwerk bekommerd, waardoor het nog kort geleden mogelijk bleek een geheel onontdekte deel collectie van ruim driehonderd stuks (die van J.A. Alberdingk Thijm) aan het spreekwoordelijke stof te onttrekken.9

In tegenstelling tot wat nog lang werd nagestreefd, zijn de door Petit in de catalogus beschreven gedichten op een enkele uitzondering na niet opgenomen in de catalogi van de universiteitsbibliotheek. Latere aanwinsten zijn tot een onbekend tijdstip te zamen met de collectie Alberdingk Thijm apart geplaatst op signatuur 1118 A, en niet gecatalogiseerd. De overige latere aanwinsten zijn in de catalogi van de ub opgenomen, echter onder de daar geldende regels voor titelbeschrijving, wat voor gelegenheidsgedichten tot gevolg heeft dat ze onder een vaak volslagen onbekende dichtersnaam zijn opgenomen of met zeer vele andere onder de ingangen:
Huwelijkszangen, Ter bruilofte van, Op het overlijden van, et cetera. De gedrukte catalogus is beter aan de bijzondere aard van het materiaal tegemoet gekomen door niet op auteur en titel te catalogiseren, maar (na een grove indeling in rubrieken naar taal en aard van de gelegenheid) op bezongen personen, met vermelding van auteurs, plaats, jaar en formaat.
Het totale aantal stukken van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde bedraagt ongeveer 1700, waarvan enkele titels in meerdere exemplaren aanwezig zijn. Vrijwel alle exemplaren in Maatschappijbezit zijn in de universiteitsbibliotheek van Leiden opgeborgen onder de signaturen 1000 - 1316 en 1499 - 1511. Grote hoeveelheden treft men aan in portefeuilles met de nummers 4o Port 3 t/m 8, 13 en Port 20 t/m 27 en in een aantal verzamelbanden, met name een tiental kalfsleren banden, genummerd 1197 B 31 - 1197 B 39.

Het aantal unica in de collectie gelegenheidsdrukwerk van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde bedraagt 65 procent. Het bezit van de Maatschappij is op tamelijk toevallige wijze, vaak door schenkingen, tot stand gekomen. Het genootschap telde landelijke bekendheden onder haar leden zowel als Leidse prominente figuren uit de bestuurlijke en universitaire wereld. Gedeeltelijk hebben de gelegenheidsgedichten van de

Een blijk van waardering voor W.C. Vosmaer én de Leidse
universiteit

Een genootschapsman treedt in het huwelijk
Maatschappij betrekking op ambtsaanvaardingen van bijvoorbeeld
Leidse predikanten of op promoties van Leidse studenten. Voor een ander deel
functioneren ze in de kringen van de Leidse genootschappen: de Maatschappij
zelf en Kunst Wordt Door Arbeid Verkreegen. Dikwijls zijn deze categorieën
met elkaar verweven. Alleen bij personen en families die een grotere
bekendheid genoten, door ambtelijke positie of door materieel aanzien, bleek
de kans op meerdere overgeleverde exemplaren vrij groot. Ten aanzien van
andere families geldt dat er - vanwege de geringe oplage van
gelegenheidsdrukwerk en door het wegwerpkarakter van aan actualiteit
gebonden poëzie - niets, een uniek exemplaar of maar heel weinig méér
bewaard is gebleven.
Literaire theorie omtrent verzen bij promoties is niet bekend. Het is dan ook geen klassiek genre zoals de epithalamia, de funeraire poëzie en de geboortedichten. Het is echter mogelijk om enkele vaste kenmerken te destilleren uit eigentijds commentaar op het verschijnsel in de spectatoriale geschriften en uit een studie over Nederlandse dissertaties.10
Het promotievers is een lofdicht op iemand die een bijzondere graad van geleerdheid behaalt en zal daar dan ook de kenmerken van bezitten, zoals een verheven stijl, waarmee overigens niet zelden in de gedichten de spot wordt gedreven.11 Vooreerst is het van belang dat de dichter wijst op een langdurige traditie van geleerdheid in de familie. Zo ontstaat een sfeer van vanzelfsprekende eerbiedwaardigheid die nog versterkt wordt als in de voorouderen een man van naam genoemd kan worden, zoals een Hooft, een De Groot, een Bynkershoek. De studie wordt volgens de dichters echter niet alleen begunstigd door familietradities, ook de goden en godinnen zelf helpen een handje mee. Vooral Themis heeft het druk om alle aanstaande meesters in de rechten van de begeerde waardigheden te voorzien.12 Na het
vermelden van deze begunstigende omstandigheden haasten de dichters zich om de kwaliteiten van de promovendus zelf te bezingen. Niet zelden wordt ten bewijze daarvan een verkorte inhoud van de dissertatie gegeven. Soms wijst men op de snelheid waarmee de bezongene de studie heeft volbracht. Bovenal echter wordt de jonge doctor hemelhoog geprezen door een toespeling op de afgunst die zijn bereikte graad van geleerdheid bij velen zal wekken.13 Daarnaast schetsen de auteurs een beeld van burgers, weduwen en wezen die met verlangen naar zijn hulp uitzien. Zijn toekomstige verdiensten voor stad en land kunnen niet uitblijven. Daarom worden de stad en haar beschermgoden, de zee-, rivier- en landgodinnen opgewekt om de verdienstelijke jongeling met alle mogelijke luister in te halen.
Behalve een lofbetuiging aan het adres van de jongeling zelf, hebben de gedichten (althans volgens de spectatoriale geschriften) de functie om enerzijds de toekomstige clientèle op de nieuwe beroepsbeoefenaar te wijzen, en anderzijds de huwbare jufferschap attent te maken op een aantrekkelijke huwelijkspartner.14
De promotieverzen in het Leiden van de late achttiende eeuw speelden zich als vanzelf tegelijkertijd af in de sfeer van de genootschapspoëzie. Ter illustratie enkele voorbeelden.
Soms was er meer te vieren dan de promotie alleen, zoals bij Willem Carel Vosmaer, die meester in de beide rechten werd tijdens de viering van het tweede eeuwgetijde van de Leidse universiteit, op 9 februari 1775. Een goede aanleiding om het dichtbundeltje voor de promotie te binden in een roodleren bestempelde band die herinnerde aan deze feestelijke gebeurtenis voor de tempel der wetenschap.15 In de bundel vindt men bijdragen van zowel leden van Kunst Wordt Door Arbeid Verkreegen als van het Haagse Kunstliefde Spaart Geen Vlijt, twee gezelschappen die nauwe banden onderhielden en die veel gemeenschappelijke leden hadden. De bundel wordt geopend met een sonnet door Joannes van Spaan, die het opdraagt aan zijn vriend Jacob Vosmaer, vader van de bezongene. Spaan gunt de bezongene de ‘blinkendste eer in Themis Koor’ en voorspelt hem dat hij een steun zal worden voor ‘Weêuw en Wees, ten luister van de Deugd’. Joannes van Spaan is honorair lid van Kunst Wordt Door Arbeid Verkreegen, maar vooral actief in Kunstliefde, waarin ook de dichters Carolus Vlieg, Gerrit Beyer en Johan van Hoogstraten participeren. De laatste refereert aan de gelijktijdige promotie van Petrus Brandsma, Rudolph Forsten en Antoni van der Heym, van wie de eerstgenoemden honoraire leden waren van Kunst Wordt Door Arbeid Verkreegen. In de volgende bijdragen komt nog een gedicht voor van Reinier van Spaan, eveneens honorair lid van Kunst Wordt Door Arbeid Verkreegen.

Op 30 september 1777 promoveert Hendrik Cuypers tot doctor in de medicijnen. Een van de gelukwensende dichters is Cornelis van Hoogeveen junior, actief in zowel het Leidse als het Haagse genootschap en drukker voor beide, en bovendien lid van het Rotterdamse Studium Scientiarum Genitrix en van het toneel-

C. van Hoogeveen jr.

W. Bilderdijk

R. Schutte
genootschap Veniam Pro Laude, waarvan overigens andere leden de
gelegenheidspen evenmin spaarden. Hoeveel Cornelis ook dichtte (de
Koninklijke Bibliotheek bezit een tamelijk omvangrijk handschrift met
‘Register mijner ongedrukte Gedichten’ onder signatuur 129 G 5), tot een
gebundelde uitgave kwam het nooit. Van Hoogeveen schijnt een bijzondere
reden te hebben om verband te leggen met Cuypers' geneeskundige promotie:
‘Geneeskunst heeft het zingen mij verboôn. [...] Een nooit gevoelde koude is
meester van mijn zinnen [maar:] 'k Moet evenwel u dit verboden vruchtje
wijden’. Maar Cuypers was dan ook zijn vriend, althans dat zegt het
opschrift van het gedicht.16
Hermanus Coster zwaait de gepromoveerde eveneens
dichterlijke lof toe; hij laat Minerva en de gepersonifieerde Geneeskunst
optreden, refereert geheel volgens de regels aan ‘'t eedle Wijsheidsspoor
uws zaelgen Vaders’ en wenst hem veel geslaagde mensenreddingen en
bevallingen toe.
Uiteraard kon ook op het promotiefeest van Willem Bilderdijk (19 oktober 1782) een gelegenheidsbundel niet ontbreken. De bundel wordt geopend door een drietal ernstige gedichten, waarin expliciet zowel de dichterlijke als de juridische kwaliteiten van Bilderdijk, meestal aan de hand van de bijbehorende godinnen worden genoemd. Daarna volgt een verzameling luchtiger ‘kniedichtjes’. De meeste dichters ondertekenen met hun initialen. De bijdragende dichters zijn evenals Bilderdijk zowel in Kunst Wordt Door Arbeid Verkreegen als in Kunstliefde, het Utrechtse Dulces of zelfs de Maatschappij actief: bijvoorbeeld Johannes Wilhelmus Bussingh en Johannes Henricus van der Palm.17
Behalve bij promoties dichten de genootschapsvrienden ook voor elkaar bij ambtsaanvaardingen en andere bijzondere gebeurte-

W. vander Pot

J. de Kruyff

A. van Assendelft
nissen. Wanneer één hunner na jaren van verdienste overlijdt, is
het tijd voor een lijvige bundel. Zowel op de dood van Rutger Schutte (19 december 1784) als op die van Willem vander Pot (28 maart 1783) hebben velen hun
stem verheven. Schutte was bij overlijden predikant te Amsterdam en lid van
de Maatschappij, Kunstliefde spaart geen vlijt en Dulces ante omnia musae.
Onder de dichters bevond zich een aanzienlijk aantal predikanten, die zelf
ook lid waren van een of meer genootschappen. Een van hen was Adrianus van
Assendelft, die op dat moment voorzitter was van Kunst Wordt Door Arbeid
Verkreegen, maar tevens lid van de Maatschappij en Kunstliefde. Hij beweende
Schutte niet in de laatste plaats als dichter en waardevol lid van de
Maatschappij:
Minder predikant-, en meer poëetgehalte heeft de bundel voor Vander Pot. Deze wordt geopend door een omvangrijke bijdrage van zijn zoon Cornelis vander Pot. Namens het Rotterdamse genootschap Studium Scientiarum Genitrix ondertekent Kornelis van der Palm een gedicht. Verder zijn er bijdragen van Daniel Hovens, Anna van der Aar de Sterke, Jacob Petrus van Heel, Adrianus van Assendelft en Jan de Kruyff, vrijwel allen uit de kring van Kunst Wordt Door Arbeid Verkreegen, met nevenlidmaatschappen elders. In verschillende gedichten worden Vander Pots dichterlijke activiteiten gememoreerd, waaronder diens lidmaatschap van de Maatschappij en zijn aandeel in de oprichting van het Rotterdamse genootschap Natura et arte.
Het zal duidelijk zijn dat men door goed naar de diverse onderlinge connecties in gelegenheidsdichtbundels te kijken, en de tekst meer als informatiebron te gebruiken dan als literaire prestatie,

C. van Hoogeveen jr. feliciteert een genootschapsbroeder met
zijn nieuwe ambt

Een papieren monument voor Rutger Schutte
zijn inzicht in de onderlinge gebruiken en relaties van de
gelegenheids- en meer in het bijzonder de genootschapsdichters vergroot. De
literaire produktie in de vorm van gelegenheidsdrukwerk heeft vooral
betekenis als bijdrage aan het maatschappelijk leven.
En als men dus dat maatschappelijk leven in de finesses wil kennen, is bestudering van dat drukwerk onontbeerlijk. Gelukkig dat er een paar grote verzamelingen, zoals die van de Maatschappij, zijn overgeleverd.