terug  begin  verderprepost
[p. 69]

De Januskop van de achttiende-eeuwse Nederlandse almanak

Marco de Niet

 
Is het mooglyk, kan men zeggen,
 
't Leezen maakt Melancoliek,
 
Wel, ik zal het wederleggen:
 
'k Lach my, leezend', dikwils ziek
 
't Is om van je stoel te vallen,
 
Als je leest, hoe dat een snaak
 
In een boek zo raar kan kallen!
 
Dat, dat noem ik eerst vermaak!1


illustratie
J.I. Doedes

In januari 1898 zag de toenmalige bibliothecaris van de Maatschappij, Louis D. Petit, twee zware kisten zijn werkkamer binnengedragen worden, met als inhoud een ‘ontzaggelijke menigte boeken en boekjes’. Deze kisten met almanakjes waren gezonden door de weduwe van de in december 1897 overleden Utrechtse hoogleraar en theoloog J.I. Doedes. De euforie over het geschenk ging gepaard met een bezorgdheid om al die bijzondere boekjes snel en adequaat te sorteren en te beschrijven. De verzameling almanakken die Doedes gedurende een halve eeuw bij elkaar had gebracht was uniek in Nederland, en dat Petit zich dat bewust was, blijkt uit zijn verslag over het geschenk, voorgedragen in de maandvergadering van maart 1898 en datzelfde jaar gepubliceerd in De Nederlandsche spectator (p. 110-112). Onder zijn bibliothecariaat, en ook onder dat van zijn voorgangers, vormde aankoop van nieuw verschenen en antiquarische almanakken een constante factor in het aanschafbeleid van de Maatschappij, zoals blijkt uit de catalogi en de jaarlijkse aanvullingen. Door de toevoeging van het legaat van Doedes bezat de Maatschappij opeens de grootste collectie almanakken in Nederland. Dat Petit het niet liet bij plannen om de collectie met prioriteit te ontsluiten, blijkt uit de Handelingen en mededelingen van 1897/1898. Als bijlage bij het verslag van de bibliothecaris vinden we de complete lijst van de almanakken uit het bezit van Doedes, chronologisch geordend en soms voorzien van kort commentaar.

Doedes had ongeveer 460 verschillende almanakken, tussen 1587 en 1894 uitgegeven in Nederland, België of de koloniën, verzameld. Doordat er van sommige almanakken meerdere jaargangen voorkwamen, ging het in totaal om bijna duizend boekjes. Doedes had er niet naar gestreefd alle jaargangen van een bepaalde almanak in zijn bezit te krijgen en dus complete series te vormen; de diversiteit vond hij belangrijker. Ook het mengelwerk was een belangrijk criterium bij aanschaf. Groot is het aantal jaarboekjes met letterkundige en historische teksten. Daarentegen zijn de almanakken die hoofdzakelijk praktische gegevens boden voor inwoners van een bepaalde stad of streek (en dat ook uitdroegen in de titels), opvallend slecht vertegenwoordigd. Dat neemt niet weg dat Petit groot gelijk had, toen hij stelde dat iedere ‘almanacoloog’ zijn schreden tot de bibliotheek van de Maatschappij zou moeten richten, omdat hij daar dankzij de schenking van Doedes ‘onmisbare bouwstoffen’ zou aantreffen. Zijn oproep heeft niet veel geholpen: almanakken zijn tot op heden nauwelijks voorwerp van onderzoek geweest.2

Een verklaring voor de veronachtzaming van de waarde van deze jaarboekjes voor het (literair-)historisch onderzoek ligt deels in de slechte ontsluiting ervan in bibliotheken en bibliografieën, maar meer nog in de misvattingen en vooroordelen die spelen rondom het concept van de almanak. Traditioneel worden almanakken gerekend tot de ‘volkslectuur’, die op haar beurt weer wordt beschouwd als ‘gesunkenes Kulturgut’; de avonturen van

[p. 70]



illustratie
Janus' tempel, in: Geographische, genealogische [...] almanach voor 1760

edele ridders zijn verworden tot ‘wegwerpartikelen zonder waarde’, het Nederlandse volksboek is dikwijls ‘een erbarmelijk massaprodukt’.3 In de laatste jaren zijn er wel discussies gevoerd over de herdefiniëring van de term ‘volkslectuur’, in die zin dat we ‘volk’ niet klakkeloos moeten identificeren met de minder bedeelden in de maatschappij.4 Maar slechts terloops wordt in die discussies ingegaan op de vraag of de inhoud van die ‘populaire werken’ alleen maar als ‘gezonken cultuurgoed’ beschouwd kan worden.

Sinds de doorbreking van het patroon om hoofdzakelijk onderzoek te verrichten naar gecanoniseerde erflaters van onze beschaving, zijn andere cultuurdragers, waaronder de almanak, in het vizier gekomen. Met name vanuit de vernieuwde boekhistorische optiek, waarbij produktie, distributie en consumptie van lectuur centraal staan, is de almanak een interessant aanknopingspunt voor onderzoek naar (hoge) oplagecijfers, lezerskringen en verspreiding via colporteurs. Maar ook in dit onderzoek wordt niet veel aandacht besteed aan de almanak als informatiedrager.

In het navolgende zal aan de hand van enkele opposities een beeld geschetst worden van ontwikkelingen die de almanak onderging, gebaseerd op de collectie almanakken van de Maatschappij en toegespitst op de (Noord-)Nederlandse almanakken uit de achttiende eeuw.5 De achttiende eeuw was een periode van tegenstellingen en crises: enerzijds keek men terug op een in veel opzichten rijker verleden, anderzijds werkte men (al dan niet revolutionair) toe naar een samenleving waarin definitief afgerekend zou zijn met primitieve machtsverhoudingen en ieder mens zich als mens zou kunnen manifesteren, bevrijd van bijgeloof, maar gesteund door zijn rede of gevoel. In almanakken zijn deze dualistische facetten van het leven in de achttiende eeuw goed waarneembaar. Bestudering ervan levert een zinvolle bijdrage aan het onderzoek naar de Verlichting in Nederland.6

Almanak versus almanak

Als eerste moet de term ‘almanak’ verduidelijkt worden: juist in de achttiende eeuw voltrekt zich een betekenisverschuiving. Het is onduidelijk of ‘almanak’ (de spelling ‘almanach’ wordt in de loop van de eeuw steeds meer verdrongen) van oorsprong Arabisch, Chaldeeuws/Hebreeuws, Oudsaksich of Keltisch is.7 Desondanks is het duidelijk dat de benaming voortkomt uit de praktijk van het bestuderen van de hemellichamen en hun bewegingen, om zo de tijd te berekenen en de natuurgesteldheid te voorspellen. Vanaf de middeleeuwen tot in de achttiende eeuw wordt het woord in deze strikte betekenis gebruikt: ‘almanak’ en ‘kalender’ zijn synoniemen. In veel jaarboekjes die naast een kalender diverterend mengelwerk bevatten, wordt vanuit de inhoudsopgave naar het kalendergedeelte verwezen met ‘de almanak voor dit jaar’. Ook in zeeatlassen treffen we meerjarige kalenders aan onder de naam ‘almanach’. Andere termen die gebruikt werden, waren ‘dagwijzer’ en ‘tijdwijzer’. Enkele samenstellingen die zich uit deze betekenis ontwikkelden, zijn ‘comptoiralmanach’ (kantooralmanakken voor bijvoorbeeld kooplieden), ‘memoriealmanak’ (blanco, niet-jaargebonden kalenders, vergelijkbaar met onze verjaardagskalenders), ‘plakalmanak’ (plano's die aan de muur gehangen konden worden, vergelijkbaar met onze jaarkalenders)

[p. 71]

en ‘vouwalmanak’ (kleine boekjes waarbij de kalender op groot formaat papier is gedrukt, maar door een bepaalde manier van vouwen toch in een vestzak of tasje meegenomen kon worden).

Daarnaast werd de term ‘almanak’ in de loop van de achttiende eeuw steeds vaker gebruikt om het gehele jaarboekje aan te duiden, inclusief het mengelwerk. Al in de zestiende eeuw werd mengelwerk tot lering en vermaak met de kalender meegeleverd door boekverkopers. De betekenisverschuiving hangt samen met een veranderde produktiewijze: zestiende- en zeventiende-eeuwse almanakken bestonden hoofdzakelijk uit (reeksen) katernen die voorzien waren van eigen titelpagina's en afzonderlijke katernsignering en paginering. Door deze ‘losse’ samenstelling kon de koper zelf verschillende onderdelen achter het kalendergedeelte (de almanak) voegen en de handelaar kon teksten uit het mengelwerk (bijvoorbeeld een klucht of een liedboekje) apart of met andere almanakken verkopen.8 In de tweede helft van de achttiende eeuw echter is de meerderheid van almanakken opgebouwd als gewone boekjes, met één titelpagina en een doorlopende katernsignering en paginering. Een veel gebruikt synoniem werd ‘zakboekje’ en ook ‘nieuwjaarsgeschenk’ komt voor, omdat nieuwe almanakken aan het eind van het jaar geproduceerd werden en dus ideale cadeautjes waren tijdens de feestdagen. De aard van het mengelwerk ging steeds meer de titel bepalen, zoals blijkt uit De nieuwe Haagse princelyke en koninglyke almanach (1748-1795), De huishoudelyke Hollandsche jufferlyke almanach (1765-1793) en Almanak van vernuft en smaak (1790-1822). In de negentiende eeuw is de laatste betekenis de overheersende geworden.9

Ondanks de verschillende produktiewijzen kennen de achttiende-eeuwse almanakken wel een vaste opbouw. Na de titelpagina is de kalender steevast het eerste onderdeel. In de meest

illustratie
Een marskramer, in: Gerenomeerde volledige [...] almanach voor 1768

kale vorm bestaat de kalender uit de maanden, de dagen en de feest- en heiligedagen. Gecodeerd, dat wil zeggen aan de hand van symbolen, kunnen ook de schijngestalten van de maan, waterstanden, kermissen en jaar- of beestenmarkten aangegeven worden. Veel kalenders zijn geïllustreerd: per maand is een houtsnede of gravure afgedrukt om een activiteit die bij die maand hoort, te verbeelden.10 Naast de kalender krijgen altijd aparte vermelding de bepaling van het jaar (sedert de schepping van de wereld, de zondvloed, de geboorte van Christus, de uitvinding van de boekdrukkunst enzovoort), de beweeglijke feestdagen, de quatertemperdagen (de onthoudingsdagen aan het begin van de vier seizoenen) en astronomische gegevens als de eclipsen van de zon en de maan van dat jaar.

Op de kalender volgen dan enkele zakelijke overzichten. Afgaande op de collectie van de Maatschappij is de meest voorkomende rubriek het luiden van poortklokken/het sluiten van stadspoorten. In ongeveer tweederde ervan is informatie hierover aan te treffen. Een goede tweede en derde zijn de rubriek met vertreken aankomsttijden van postdiensten, veerschepen en koopmansboden en overzichten met de waarde van munten, rentestanden, obligaties en huurcedullen. Een rubriek die in bijna de helft van de almanakken voorkomt, is het overzicht met de vakanties van de stedelijke en provinciale hoven dat jaar. Prognosticaties, in de zeventiende eeuw nog een vast onderdeel, komen slechts in één op de zeven almanakken voor. Desondanks kan gesteld worden dat

[p. 72]

achttiende-eeuwse almanakken, wat het totaal aan praktische informatie betreft, niet wezenlijk anders zijn dan zeventiende-eeuwse, doordat de rubrieken niet wezenlijk anders geworden zijn.11 De ontwikkeling die de jaarboekjes ondergingen, heeft vrijwel geheel betrekking op de aard en de samenstelling van het mengelwerk, dat meestal het laatste (maar niet het kleinste) onderdeel was.

Hemel en aarde

Met name onder invloed van bevindingen op het gebied van de natuurwetenschappen, vindt er in de overgang van de zeventiende naar de achttiende eeuw een ‘rationalisering’ van de religie plaats. De op empirische leest geschoeide studies van de natuur hadden een aanpassing van het eeuwenoude Gods- en mensbeeld tot gevolg. De fysico-theologie bood een aantrekkelijke synthese tussen ‘redelijke perceptie’ en religie: de volmaaktheid van de schepping en de harmonie die wij rondom ons waar konden nemen waren een bewijs van Gods welwillende almacht.12 Tot die harmonie behoorden ook kometen en eclipsen: het was menselijke ijdelheid geweest te denken dat dergelijke natuurlijke verschijnselen speciaal ‘gecreëerd’ waren om angst aan te jagen en rampen te voorspellen.13 De tendens om de mens een relatieve plaats in de macrokosmos te geven, had drastische gevolgen voor de beoefening en invloed van de astrologie. Nu had astrologie, als heidense erfenis, altijd al op gespannen voet gestaan met de christelijke religie, en de voorspellingen van auteurs als Michel Nostradamus (1503-1566) en Tycho Brahe (1546-1601) werden door velen met argus-ogen bekeken en bespot, maar desalniettemin waren prognosticaties buitengemeen populair in de late middeleeuwen en de zestiende eeuw.14 In de zeventiende eeuw is een verenging waar te nemen: de prognosticaties worden korter en de diversiteit wordt kleiner. Het zijn hoofdzakelijk de voorspellingen van Antonio Magini (1555-1617) die trouw tot het einde van de eeuw blijven verschijnen. Ook in de achttiende eeuw krijgen bewerkingen van Magini's prognosticaties nog af en toe een plaatsje in almanakken, maar de ondergang is duidelijk waarneembaar. In De nuttige en aangenaame staatsalmanach van de Amsterdamse uitgever Theodorus Crajenschot bijvoorbeeld worden vanaf 1787 de voorspellingen definitief weggelaten:

Dewyl ons voorneemen is om deezen Almanach meer en meer nuttig te maaken en geenzints met beuzelingen op te vullen, zullen wy ons van nu af aan, onthouden van alle zogenaamde Weervoorzeggingen enz. en om deeze plaats welke soortgelyke ongerymdtheden besloeg, met iets wezenlyks aan te vullen, zullen wy hier een korte Schets van de kragt der liefde ter nederstellen.

De almanakken die op traditionele leest geschoeid waren, zoals die van de boekenfirma's Stichter of Van Egmont, houden ze nog het langst vast15, maar ook hier zijn ze zeer kort en van een speels karakter, zoals de prognosticatie voor de maand juni 1780 in D'erven Stichters comptoir almanach :

Het vochtige weer heeft veel Onkruyd tusschen de eetbare Groentens verwekt. Gy moet wieden, Meysjes van de Warmoeziers! eer het wilde Kruyd het nuttige boven 't hoofd wast. Het aangenaame Zomerweer lokt de Stedelingen Veldwaards. Wat is Damon met zijn Filis vrolijk.
[p. 73]

De ‘astronomische’ kant van almanakken blijft de hele eeuw door wel gehandhaafd: informatie over eclipsen en maanstanden blijft behoren tot de vaste rubrieken.

Het lijkt bijna tegenstrijdig dat de ondergang van de hemellichamen in almanakken samenvalt met een merkbare stijging in produktie en populariteit van deze boekjes. Een plausibele verklaring hiervoor is dat de samenstellers erin slaagden een alternatieve formule te vinden die aansloot bij een veranderende waardering of een zich ontwikkelende smaak bij het (in aantal groeiende) lezerspubliek.16 Dit zou tevens een verklaring zijn voor de enorme diversiteit aan almanakken die ontstaat: voor elk wat wils. De opkomst van spectatoriale en verwante geschriften rond 1720 is een indicatie voor de behoefte bij (goed opgeleide) burgers aan visies op morele, wijsgerige, religieuze en politieke onderwerpen, die aansloten bij hun eigen belevingswereld.17 Na 1740, wanneer de spectator een sterke groei doormaakt, treffen we ook in almanakken meer en meer bijdragen aan die dicht bij het leven van alledag staan. Werden voorheen in de prognosticaties in almanakken slechte tijden voorspeld, in de tweede helft van de achttiende eeuw vinden we veel meer feitelijke beschrijvingen achteraf van (natuurlijke) rampen, zoals overstromingen en aardbevingen, maar ook het instorten van een sluis, een felle brand of het vergaan van een voc-schip18 wordt gememoreerd.

In bestaande en nieuwe rubrieken wordt de blik voortaan zonder omweg op het ondermaanse gericht. In diverse almanakken zijn geografische, met landkaartjes geïllustreerde bijdragen te vinden, waarin de geschiedenis en zeden van een bepaald land of volk besproken worden. Aanvankelijk steunden deze teksten nog sterk op de zeventiende-eeuwse prachtboeken en reisjournalen die door voc'ers werden geschreven na een bezoek aan een exotisch land. Maar ook hier zien we na 1740 een verschuiving richting ‘huis’: de aandacht verplaatst zich naar de landen rondom Nederland en vooral naar ons eigen land en haar provincies.19 Kennis van eigen land en cultuur is een belangrijke voorwaarde voor het gevoel van nationale eigenwaarde, en daar begon het in Nederland meer en meer aan te ontbreken.20 Er bestaan overigens ook beknopte varianten van deze rubriek, waarin alleen geografisch of demografisch cijfermateriaal wordt geboden, zoals afstanden tussen steden, of geboorte- en sterftecijfers in steden en landen.



illustratie
Een verlichte staartster, in: Geographische, genealogische [...] almanach voor 1775

Een traditioneel onderdeel van almanakken dat altijd al dicht bij de natuur heeft gestaan, is de zogeheten hoveniersalmanak. In deze rubriek worden per maand aanbevelingen gedaan voor boeren en tuinders met betrekking tot het zaaien en oogsten. Deze rubriek ondergaat een trapsgewijze aanpassing. De hele eeuw door treffen we in essentie ongewijzigde versies van de hoveniersalmanak aan: er worden, uitgaande van de kalender, tips gegeven voor een beter rendement. In de Almanach der hoveniers 21 is deze rubriek uitgegroeid tot een geheel zelfstandig boekje.

Uit deze traditionele hoveniersalmanak ontwikkelden zich

[p. 74]



illustratie
De borstelrups, in: Vaderlands zakboekje voor 1798

bijdragen die nog wel duidelijk bedoeld waren als raadgevingen aan boeren en telers, maar die los stonden van de kalender, zoals ‘Verhaal van de toestand der sterfte onder het rund-vee’, ‘Naauwkeurige waarneemingen van 't voortkweeken der byen, kanarie-vogels [...]’ en ‘Eenige remediën voor paarden, by spoed vereischende ziekten’.22 Dergelijke bijdragen geven ons uiteraard ook indicaties voor het lezerspubliek van bepaalde almanakken (waarover verderop meer).

Ten slotte komen er in almanakken ook, met name naar het einde van de eeuw toe, artikelen over flora en fauna voor die meer algemeen informerend en niet zozeer voor een agrarische doelgroep geschreven zijn, zoals ‘De graanen welke in ons land verbouwd worden’, ‘Over eenige merkwaardigheden in de voortplanting en gedaantewisseling der insecten’ en ‘De borstelrups, door het vergrootglas beschouwt’.23 Meestal stoelen dergelijke teksten op een nauwkeurige analyse van planten en (het gedrag van) dieren. Ze sluiten nauw aan bij artikelen die in tijdschriften werden gepubliceerd en bij voordrachten die in genootschappen werden gehouden.24

Als laatste, de mens zelf: favoriete onderwerpen in het mengelwerk werden het sociaal gedrag van mensen in het algemeen en de omgang tussen ongehuwde jongeren in het bijzonder. Onder invloed van de ideeën over de vervolmaakbaarheid van de mens, een belangrijk aspect van het Verlichtingsdenken in Nederland, krijgt het mengelwerk in veel almanakken een moralistische toon. Titels als ‘De gelukkig geworden echtgenoot’, ‘De brave kinderen’ en ‘Deugd meer dan rijkdom’25 spreken voor zichzelf. Bovenal stonden reinheid van liefde en maagdelijkheid van ongehuwde vrouwen centraal, zoals in het volgende raadsel uit Dichtkundige almanach; of Keur van heldenbrieven voor 1775:

 
'k Bewaar een schat, voor wie, dit is een duistre zaak.
 
Maar voor wien 't ook mag zyn, dit 's vast en klaar beweezen,
 
Nooit zal ik van dien schat genieten het vermaak,
 
Voor dat een' ander daar den meester van zal speelen.


illustratie
Rein en maagdelijk, in: Bloemen op het outer voor 1791

Naast het benadrukken van huiselijke liefde als deugd is er ook een sterk groeiende aandacht voor vaderlandsliefde. In levensbeschrijvingen van beroemde landgenoten, geschreven in de trant van lemma's in encyclopedische werken of in verdichte vorm en meestal vergezeld van een portretje, worden hun daden aan de lezers ten voorbeeld gesteld. Sommige almanakken worden zelfs speciaal geschreven om roemruchte voorzaten te lauweren, zoals Nederlandsche historische almanach, of Tydwyzer der Nederlandsche helden . Het huis van Oranje Nassau speelde in dit opzicht een belangrijke rol. De benoeming in 1747 van Willem Carel Hendrik Friso van Oranje Nassau tot stadhouder gaf aanleiding tot een Oranjekoorts, waar uitgevers op inspeelden. Bernardus Mourik uit Amsterdam bijvoorbeeld gaf zijn Vriendelyke nieuw jaars giften de ondertitel ‘Gemakkelyke prinselyke zakalmanach’ mee. In 1751, het jaar van de dood van de stadhouder, droegen de uitgevers Walpot en

[p. 75]



illustratie
Vivat Willem v

Hoogstraten uit Dordrecht een almanak voor het volgende jaar op aan zijn opvolger, zijn driejarige zoon Willem v, door deze naar hem te vernoemen: Der jongen erf-stadhouderlyken almanach . Ook in de jaren die volgden werden almanakken aan de hand van hun titel aan het huis van Oranje opgedragen.26

Veertig jaar later kregen dergelijke titels een grote politieke geladenheid, doordat de naamgeving als provocatie functioneerde in de strijd tussen de orangisten en patriotten. Afhankelijk van de ‘signatuur’ van de almanak werden de vroegere stadhouders vol vuur bejubeld, of juist als tirannen afgeschilderd tegenover ware Bataven als Johan van Oldenbarneveld en de gebroeders De Witt.

Met de aandacht voor deze lichtende voorbeelden zijn de almanaklezers aan het eind van de eeuw wel zeer verwijderd geraakt van het eens zo invloedrijke geflonker in het uitspansel. Hoe ver, moge ook blijken uit de volgende bijdrage in De vrolijke tijdkorter voor 1800.

De Joodsche Starrekyker
Zekere Jood, welke niet weinig van den Hoogmoedigen Duivel bezeeten was, had de gewoonte wanneer hy by de straat ging immer het wit gepoederd hoofd zodanig in de nek te houden dat hy in plaats van voor zig, immer na den Hemel zag: waarom hy door de wandeling de starrekyker wierd genaamd, ofschoon hy juist zo veel kennis van de starrekunde, als van Rechtsgeleerdheid had, voor welk laatste hy zich evenwel uitgaf.
Op zekere avond in de maand Juny wanneer zyn deftigheid geheel in her Zwart gekleed na zyn Huis keerde, overdenkende het gepasseerde van den dag; beschouwde hy na gewoonte den Hemel, zodanig ingespannen dat men zoude gedacht hebben, hij had een nog niet ontdekte gestarnte in het gezicht. Op eens viel den man in een riool, hetwelk men verzuimt had te bedekken, - met groote moeite klauterde hy gantsch beslikt uit hetzelve, en vloek[te] niet weinig op het ongelukkig gesternte dat hem dien dag en nacht had bescheenen, - Imand dit alles uit zyn venster aanschouwd hebbende, riep den gevallen Rechtsgeleerde toe: Burger! Zie in het vervolg liever na dat geen wat onder u, als na dat wat booven u is. -

Van nu en eeuwig

Op 4 oktober 1582 werd volgens pauselijke bul van Gregorius xiii een nieuwe kalender ingevoerd om het verschil van tien dagen tussen de tot dan toe gehanteerde Juliaanse tijdrekening en de werkelijke verstreken zonnejaren sinds het begin van de jaartelling op te heffen. Holland en Zeeland schakelden in datzelfde jaar als eerste Nederlandse provincies over op de nieuwe kalender. Pas ruim een eeuw later, in 1700, volgde de rest van de Republiek, met uitzondering van Drente, dat in 1701 de astronomisch correcte kalender invoerde. Het is dus niet zo vreemd dat we bij tientallen almanakken uit het begin van de achttiende eeuw ‘na de nieuwe (Gregoriaansche)sryl’ als aanbeveling in de titel aantreffen. Merkwaardiger lijkt het, dat deze aanduiding nog tot in de jaren negentig van die eeuw prominent deel bleef uitmaken van titels, met name bij almanakken uit het oosten des lands27, maar dit heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat het tot 1776 duurde

illustratie
Gantsch beslikt, in: De vrolijke tijdkorter voor 1800

[p. 76]

voor alle Duitse landen de oude kalender loslieten. De kalender ‘oude stijl’ bezat in de laatste jaren van de eeuw ook bij Nederlanders nog zo veel gezag, dat de inmiddels eeuwenoude ‘nieuwe stijl’ expliciet vermeld moest worden. Overigens zijn mij geen almanakken uit de achttiende eeuw bekend die de Juliaanse kalender opgenomen hebben. Wel wordt in de Alleen oprechten wereld almanach voor 1703 van de mathematicus Andreas Lugtenburg de Gregoriaanse stijl op zijn beurt weer misleidend genoemd. Lugtenburg had volgens eigen zeggen de enige ware nieuwe stijl berekend en hoopte ‘dat also de gansche wereld mogt overtuygt worden, datse door een dwalende Tyd-rekeninge, deselve regeren’. Dat de Staten van Holland en Zeeland het met hem eens waren, blijkt uit het privilege dat aan de almanak verleend is. Hun bezorgdheid betrof vooral de ‘Groote Zeevaert’, die door een foute tijdrekening grote gevaren zou lopen.



illustratie
Eeuwig duerende almanach uit ca. 1700 met draaitabellen

Een veel kleinere indruk dan de oude kalender heeft de Franse kalender, bijna een eeuw later, achtergelaten. Bij deze tijdrekening, die op 5 oktober 1793 werd ingevoerd als eerbetoon aan de revolutie van het volk, was 22 september 1792 dag 1 van jaar 1. Deze kalender, die tot 1806 werd gebruikt, kende bovendien een andere week- en maandindeling en geen christelijke feestdagen of heiligedagen. Ook in het zuiden van Nederland (Limburg en Zeeuws-Vlaanderen) werd deze kalender ingevoerd en dientengevolge treffen we hem aan in Nederlandse almanakken. Om de gebruikers ervan enigszins ter wille te zijn werd er bijna altijd een uitleg aan toegevoegd.28

Ook in Nederland werd, na het slagen van de revolutie in 1795, een nieuwe jaartelling ingevoerd, de kalender van de Bataafsche Vrijheid. Deze werd zeven jaar gehanteerd, maar heeft eigenlijk altijd afhankelijk van de christelijke kalender gefunctioneerd29: er was geen afwijkende week- of maandindeling en gewoonlijk treffen we twee jaartallen naast elkaar aan, het christelijke in Arabische cijfers en het Bataafse in Romeinse cijfers.

Ten slotte komen in almanakken nog twee andere kalenders voor: incidenteel is in een almanak een joodse kalender opgenomen30, wat dan op de titelpagina aangekondigd wordt. De enige andere bevolkingsgroep die er een eigen kalender op nahield waren de vrijmetselaars. Hun jaartelling liep vierduizend jaar voor op de Gregoriaanse kalender en begon bij de eerste dag van de schepping. Om die reden spraken zij over de ‘jaartelling des Waren Lichts’ (Anno Lucis). Hun jaar begon, in navolging van de Juliaanse kalender, in de maand maart.31

Naast deze jaarkalenders werden, net als in de zestiende en zeventiende eeuw, eeuwkalenders en eeuwigdurende almanakken gemaakt.32 De laatste waren vaak ingenieus gedrukte werkjes met eraan bevestigde draaitabellen of strookjes waarmee variabelen ingesteld konden worden. Dergelijke almanakken werden

[p. 77]

gemaakt door mathematici als Johannes van Keulen en Johan de Kanter. Meer nog dan gewone kalenders, die toch ook vrij veel informatie in gecodeerde vorm aanboden, vereisten dergelijke kalenders een goede lees- en interpreteervaardigheid bij de gebruikers; ze waren niet bestemd voor mensen met een lage opleiding.

Dit brengt ons bij een meer algemene vraag naar de lezers van kalenders/almanakken. Almanakken bieden in meerdere opzichten houvast voor onderzoek naar het lezerspubliek.33 Omdat ze primair als gebruiksboekjes bedoeld zijn, treffen we met grote regelmaat aantekeningen van vroegere bezitters aan in de kalender, de memoriealmanak of op de blanco doorschoten bladen.34 Met name in comptoiralmanakken is de trefkans groot notities van contemporaine lezers te vinden: de kalenders daarin zijn met veel wit gezet om kooplieden, grondbezitters en andere beroepsgroepen gelegenheid te bieden afspraken, boekhoudkundige aantekeningen of andere opmerkingen te noteren. Helaas hebben lang niet alle bezitters hun naam voor in de almanak geschreven; dat is vaak een handicap om de gegevens juist te interpreteren. Bovendien is het gevaarlijk om conclusies te trekken uit slechts enkele bewaard gebleven exemplaren. Juist het feit dat een almanak bewaard is gebleven - almanakken behoren tot de categorie ‘zeer schaars overgeleverd drukwerk’ - geeft te denken over de representativiteit van de oorspronkelijke bezitter ervan als gemiddelde lezer. Het is dus ook belangrijk iets te weten over het geïntendeerde publiek: voor wie waren de almanakken bestemd? Op deze vraag ga ik in de laatste paragraaf in.

Door de kalender te raadplegen werd de lezer geconfronteerd met zijn eigen nabije toekomst of recente verleden. In het mengelwerk lag de nadruk op het nationale verleden. Al in de zeventiende eeuw werden met almanakken korte kroniekjes verkocht, waarin belangrijke gebeurtenissen uit de (wereld)geschiedenis chronologisch vermeld werden. Meestal betreft het kroningen en huwelijken van vorsten, veld- en zeeslagen, het tekenen van vredestraktaten, natuurrampen enzovoort. In maar liefst één op de drie achttiende-eeuwse almanakken komen dergelijke kroniekjes nog voor. Deze rubriek zouden we wellicht kunnen beschouwen als verstrooiend: een lezer zou er op een verloren uurtje eens in kunnen bladeren om zijn geheugen wat op te frissen. Maar de groeiende frequentie waarmee teksten over gebeurtenissen uit het nationaal verleden voorkomen, maakt het interessant te onderzoeken in hoeverre almanakken bijgedragen hebben aan de groei van een historisch bewustzijn en beeldvorming bij de Nederlandse bevolking.35 Dat de aandacht voor onze vaderlandse geschiedenis belangrijk was voor de almanakmakers moge ook blijken uit het feit dat tientallen almanakken het woord ‘historisch’ in de titel dragen.36 Die aandacht had meer om het lijf dan zuivere historische belangstelling: geschiedenis was ook in de achttiende eeuw een middel om actuele gebeurtenissen door te lichten en te rechtvaardigen of veroordelen.37 Het beste blijkt dit uit de vele historische teksten in orangistische en patriotse almanakken aan het eind van de eeuw: aan de hand van voorvallen uit het verleden

illustratie
Schutters wagt almanach voor 1780, met op de groene perkamenten band een wapen en de naam F. Duisberg

[p. 78]



illustratie
Getekende Altyddurende almanach met de dagen op een beweegbaar strookje

willen de schrijvers waarschuwen voor mogelijke parallelle situaties in het heden. In Snapsters nieuwe jaars geschenk voor 1791 hebben de samenstellers, die de schuilnamen Janne en Anne Moer dragen38, enkele gedichten van de Fransman Pavillon uit 1672 opgenomen, om te laten zien ‘dat men in die stadhouderlooze tyd even zot om eene waan Vryheid schreeuwde, als in de voorbyzynde en laatste troebles welke in ons Neerland hebben plaats gehad’.

Dit geeft almanakken (opnieuw) een paradoxaal karakter: de toename van het aantal historische teksten erin is een bewijs voor de actualisering die de achttiende-eeuwse almanak doormaakte.39 Evengoed als er een ontwikkeling was naar het ‘hier’ in almanakken, is er een tendens naar het ‘nu’ waar te nemen. Deze actualisering nam in Nederland een duidelijke aanvang met de benoeming van stadhouder Willem iv in 1747. Deze gebeurtenis, en vooral zijn dood in 1751, vormden een belangrijke aanzet tot de vernieuwing van almanakken. De lofzangen op zijn persoon behoren tot de vroegste teksten in het mengelwerk die naar aanleiding van een actuele gebeurtenis zijn geschreven. Vanaf 1748 wordt in diverse almanakken ruimte gereserveerd voor verslagen van huwelijken, begrafenissen en reizen van de Stadhouder en zijn familie uit het voorbije jaar; ook van andersoortige recente gebeurtenissen wordt in almanakken verslag gedaan, zoals het vuurwerk in 's-Gravenhage ter gelegenheid van de vrede van Aken (1749), de zeeslag bij de Doggersbank (1781) en de bestorming van de Bastille (1789).40 Tevens worden de traditionele kroniekjes aangepast: er verschijnen steeds meer jaarkroniekjes, met de belangrijkste nationale en lokale nieuwtjes uit het afgelopen jaar.

Ook uit diverse andere onderdelen van de almanak blijkt de toename van het belang van het ‘hier en nu’: opvallend is de groei van het aantal rubrieken waarin gegevens van tijdelijk of lokaal belang worden geboden. Naast de reeds genoemde traditionele rubrieken met praktische informatie over postdiensten en dergelijke werden steeds vaker jaarlijks aangepaste namenlijsten van burgercompagnieën, geestelijken en andere beroepsbeoefenaars opgenomen, of adressenlijsten van banken, logementen en apotheken, of titellijsten van alle Nederlandstalige boeken die in het voorgaande jaar waren verschenen, of besprekingen en overzichten van toneelstukken die het afgelopen jaar waren opgevoerd41, enzovoort.



illustratie
Een putto biedt de helpende hand, in; De Hollandsche jufferlyke almanach voor 1779

De almanakmakers hebben ook oog voor literaire en andere modes. De populariteit van het sentimentalisme als

[p. 79]



illustratie
‘De zegepraal der mode’ was een vervolgserie in de Enchuyser almanach

nasleep van Rhijnvis Feiths Julia (1783) gaat aan hen niet voorbij: ook zij laten jongeren zwelgen in verdriet aan het graf van hun geliefden.42 Veel heftiger nog is de bespotting van de (Franse) mode om torenhoge kapsels te dragen. Het aantal spotprenten hierop, zowel mooi uitgevoerde gravures als slordige houtsneden, loopt in de tientallen. Niet minder intrigerend zijn de teksten die de nieuw verworven inzichten van de fysiognomie uitdragen. Uitgever Arend Stubbe uit Utrecht bracht in 1782 en 1783 zelfs een Phisiognomische almanach, voor de beminnaars der gelaat-kunde op de markt.

Uit deze voorbeelden blijkt dat almanakken in de laatste decennia van de achttiende eeuw geen boekjes meer waren waarin de lezers oude kost, herkauwd en afgekoeld, werd voorgeschoteld. In de laatste paragraaf zal ik de diversiteit van het mengelwerk en de mogelijke waarde ervan voor verder onderzoek nog iets nader uitwerken.

Feit en fictie

Eerder gaf ik aan dat de volgorde van onderdelen in almanakken de hele eeuw door gelijk is gebleven, en dat de onderlinge diversiteit voortkomt uit de aard en samenstelling van het mengelwerk. Verantwoordelijk voor die samenstelling waren in eerste instantie de uitgevers. Zij bepaalden welke rubrieken en teksten in de almanakken opgenomen konden (of, in geval van privileges: mochten) worden. Sommigen specialiseerden zich in almanakken, zoals de Amsterdamse uitgevers De erven van de weduwe van Cornelis Stichter, H.A. Banse, Jan van Gulik en Joannes Roelof Poster. Zij brachten ieder tientallen almanakken op de markt. Ook zijn er netwerken van uitgevers te signaleren: mengelwerk van de ene uitgever bijvoorbeeld werd verkocht met de kalender van een ander. De politieke twist die Nederland in de jaren tachtig en negentig in twee kampen verdeelde, bracht ook uitgevers samen. Rond felle orangisten als Willem Coertse en J.F.J. d'Agé groepeerden zich debitanten uit het hele land.



illustratie
Moeder en zoon in harmonie en vechtend, in: Phisiognomische almanach voor 1782

Hoe groot de inbreng van de uitgevers was, blijkt uit het feit dat slechts weinig almanakken geheel door één auteur geschreven zijn.43 Kopij werd vaak geleverd door ‘correspondenten’ (in het geval van letterkundige almanakken waren dat opvallend veel vrouwen44), maar de uitgevers konden ook putten uit eigen fonds: passages uit boeken die zij eerder hadden uitgegeven, konden in almanakken hergebruikt worden. In de inleiding gaf ik al aan dat achttiende-eeuwse almanakken niet als ‘gezonken cultuurgoed’ beschouwd kunnen worden: de rol van de actualiteit

[p. 80]



illustratie
Een pastoraal tafereeltje, in: Sentimentele tijdwijzer voor 1794

is daar te groot voor en ook de dichtkundige bijdragen zijn eigentijds. Maar dat betekent nog niet dat alle teksten per definitie origineel, dat wil zeggen, voor de eerste keer gepubliceerd zijn.45

De tweede factor van belang bij de samenstelling van almanakken was de doelgroep: alleen al aan de hand van de titels zou je de pluriformiteit van de Nederlandse samenleving kunnen reconstrueren: boeren, hoveniers, zeelieden, stedelingen, boekhandelaren, huishoudsters, kooplieden, schutters, galante heren, elegante dames, nieuwsgierige meisjes, verliefde jongens, hervormden, rooms-katholieken, joden, vrijmetselaars, vrijdenkers, henriquatres, theaterliefhebbers, orangisten, patriotten, bewoners van een bepaalde streek/ provincie, Franstaligen, de rij lijkt eindeloos. Het mengelwerk werd ter lering en vermaak, afhankelijk van de belangstelling van de doelgroep, samengesteld. Hierbij kan aangetekend worden dat, aan de hand van de onderzochte almanakken, de achttiende-eeuwse Nederlandse almanakken vooral geschreven lijken te zijn voor een burgerlijk publiek, voor geschoolde mensen; naarmate de eeuw vordert worden er meer en meer almanakken geschreven voor vrouwen en kinderen46. Onderzoek naar oplagen en verspreiding van almanakken zou meer aan het licht moeten brengen over het daadwerkelijk bereikte publiek.



illustratie
De zorgvuldige jufferlijke huishoudster, in: De Huyshoudelijke .. almanach voor 1765

Grofweg komen er twee soorten bijdragen voor in het mengelwerk: fictionele en niet-fictionele teksten. Het hele scala aan eigentijdse fictionele genres is in almanakken terug te vinden: gedichten en liedjes (gelegenheidswerk, liefdesgedichten, oden, airtjes, fabels), letterkundig proza (brievenromans, romances, kluchten), toneelstukken van binnen- en buitenlandse auteurs en ‘strooigoed’ (moppen, raadsels en dergelijke). De non-fictie manifesteert zich als informatief en/of belerend proza. De informatieve teksten variëren van spelregels voor kaartspelen tot de stand van zaken rond de burgerwacht in een stad, van recepten tegen ongedierte dat in boeken voorkomt tot levensbeschrijvingen van bekende Nederlanders. In de laatste decennia van de eeuw neemt het belerende aspect in belangrijkheid toe. Dergelijke teksten

[p. 81]

krijgen vaak de vorm van een catechismus (vraaggesprek tussen een onwetend en een wijs persoon), en handelen over zaken als gezondheid en persoonlijke hygiëne, vaderlandse geschiedenis, de rechten en plichten van een Nederlands burger, kunsten en wetenschappen en dergelijke. De invloed van de ideologie van de Maatschappij Tot Nut van 't Algemeen, het eerste genootschap dat in Nederland een eigen almanak heeft uitgebracht47, is onmiskenbaar.

Het is aardig om te zien hoe een thema, bijvoorbeeld het landleven, in een fictionele context een totaal andere uitwerking krijgt dan in een informatief/belerende. Overvloedig is het aantal idyllisch-arcadische gedichten en liedjes, vaak met een landelijk-liederlijke knipoog: de auteurs hebben niets dan lof voor het goede leven op het land in al zijn simpelheid, vol vrijages, natuur en vrijheid. Het meest bezongen jaargetijde is de lente, omdat zij de dichters inspireert een ode te brengen aan hun geliefden, die uiteraard niet Aagje, Mientje of Nellie heten, maar Aminta, Ismene en Themire. Niet-fictionele bijdragen daarentegen worden geschreven om stedelingen te wijzen op het zware leven op het platteland en op het belang van de boerenbedrijven voor de nationale welvaart.

illustratie
L'almanach de Hollande voor 1763 in een geborduurd bandje



illustratie
Etrennes des muses voor 1778 in een zijden bandje gestoken

De boeren zelf worden aangesproken op hun verantwoordelijkheden. Tevens zijn er teksten die ingaan op problemen als ziekte bij het vee of brand in het hooi.48

 

Afrondend kan gesteld worden dat eigenlijk ieder aspect van de achttiende-eeuwse almanakken wel een dualistisch karakter heeft, of het nu op algemeen, conceptueel niveau is, of op specifiek niveau als thematiek in het mengelwerk. Zoals de Jonge Janus de Oude Janus jaar na jaar opvolgde, gebukt onder een erfenis, maar met nieuw elan, zo balanceerde de achttiende eeuw tussen een rijke voorganger en een veelbelovende opvolger, en van beide is de

[p. 82]



illustratie
De luie landman, in: Boerenalmanach voor 1800

invloed merkbaar. Maar hoezeer we ook kunnen proberen de almanak als medium in te passen in de voortschrijdende Verlichting (althans zoals wij die thans reconstrueren), één aspect was en bleef prominent: ongecompliceerde, tijdloze humor. Eeuwenlang is in almanakken op dezelfde wijze vorm gegeven aan humoristische bijdragen: moppen, raadsels, anekdotes, ondeugende liedjes en verhaaltjes, satirische teksten. Dit maakt ze niet alleen bij uitstek geschikt om constanten en variabelen met betrekking tot (het gevoel voor) humor bij elkaar opvolgende generaties te reconstrueren, het biedt bovendien de gelegenheid om met deze kleine, curieuze boekjes om te gaan zoals ze bij uitgave bedoeld zijn: al bladerend erin lezen en af en toe grinniken.

1Uit ‘Het leestertje’, in: De vrolyke en galante almanach voor 1795. Amsterdam: J. Verlem, 1795, p. 148-150.
2Al in de jaren zestig en zeventig zijn in de ons omringende landen overzichtsstudies verschenen over almanakken. Voor een overzicht ervan verwijs ik naar het artikel van Jeroen Salman en Garrelt Verhoeven, ‘The comptoir-almanacs of Gillis Joosten Saeghman, Research into seventeenth-century almanacs in the Dutch republic’, in: Quaerendo 23 (1993), p. 93-114. Verder heeft Salman, die een dissertatie voorbereidt over Nederlandse zestiende- en zeventiende-eeuwse almanakken, enkele artikelen geschreven over het mengelwerk en prognosticaties in vroege almanakken, zoals: ‘“Van sodanige Almanacken, die gevult zijn met ergerlijcke bijvoegselen en oncuyse en onstigtelijcke grillen”, Populaire leesstof in zeventiende-eeuwse almanakken’, in: Literatuur 10 (1993), p. 74-80 en (samen met H.J. Nalis): ‘“Wie sal ick dan wes goedes konnen prognosticeren?” Deventer almanakken en prognosticaties in roerige tijden (1555-1610)’. In: Deventer Jaarboek (1994), p. 6-39. Ik dank hem voor enkele kritische kanttekeningen die hij bij dit artikel heeft gemaakt.
3A.Th. van Deursen: Mensen van klein vermogen, Het kopergeld van de Gouden Eeuw. 2e dr. Amsterdam 1992, p. 163, 160. De enige almanakken die voor ‘vol’ worden aangezien zijn de literaire almanakken uit de negentiende eeuw. Een overzicht ervan verscheen in: M. van Noort & P. van Zonneveld, ‘Lijst van Nederlandse almanakken 1830-1839’, in: De negentiende eeuw 2 (1978), p. 14-46, en R. van Wingerden & P. van Zonneveld, ‘Lijst van Nederlandse almanakken 1840-1849’, in: De negentiende eeuw 3 (1979), p. 2-38.
4Bijv. B. van Selm, ‘“Almanacken, lietjes, en somwijl wat wonder, wat nieus”, Volkslectuur in de Noordelijke Nederlanden (1480-1800): een onbekende grootheid’, in: Leidschrift 5 (1989), nr. 3 (Volk en boek 1450-1800), p. 33-68; W.Th.M. Frijhoff, ‘The Dutch Enlightenment and the creation of popular culture’, in: The Dutch Republic in the Eighteenth century, Decline, enlightenment and revolution. Ed. M.C. Jacob & W.W. Mijnhardt. Ithaca [etc.] 1992, p. 292-307.
G. Bollème (Les almanachs populaires aux xviie et xviiie siècles, Essai d'histoire sociale, Paris [etc.] 1969) stelt dat de Franse almanakken in de eerste plaats gemaakt werden voor boeren, handwerkslieden en anderen die niet of nauwelijks lazen. Deze conclusie is niet zonder meer toe te passen op de Nederlandse situatie. Er is volgens mij ook wel wat af te dingen op haar stelling. Ze geeft bijvoorbeeld niet aan, als ze stelt: ‘L'almanach étant le “livre des gens qui lisent peu”, il doit instruire les gens de l'essentiel’ (p. 16), waar degenen die wél veel en goed konden lezen diezelfde noodzakelijke informatie vandaan haalden (óók uit almanakken, lijkt me). Tevens doet ze met deze uitspraak geen recht aan het diverterende karakter van almanakken (zie ook M. Mortier, ‘Het wereldbeeld van de Gentse almanakken, 17e en 18e eeuw’, in: Tijdschrift voor sociale geschiedenis 10 (1984), p. 267-290).
5De mnl bezit, wat de achttiende eeuw betreft, ruim 130 verschillende titels. Rekening houdend met de verschillende jaargangen komt dat neer op bijna 350 exemplaren. Ongeveer negentig procent hiervan is afkomstig uit het legaat van J.I. Doedes. De analyses in dit onderzoek zijn ook gebaseerd op de (ongeveer even grote) collecties van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag en de universiteitsbibliotheek van Amsterdam.
6Vgl. G. Petrat, Einem besseren Dasein zu Diensten, Die Spur der Aufklärung im Medium Kalender zwischen 1700 und 1919. München [etc.]: Saur, 1991.

7Bollème, Les almanachs populaires, p. 11; zie ook L.R. Berckmoes, ‘Bijdrage tot de studie van de almanak’, in: Kultureel jaarboek voor de provincie Oost-Vlaanderen 22 (1968), p. 218-219.
8J. Salman, ‘Populaire leesstof [...]’ (noot 2), p. 76.
9Vgl. T. Jacobi, ‘Tesselschade, jaarboekje voor 1838, 1839 en 1840, De almanak als jaarlijkse staalkaart van het literaire bedrijf’, in: Nederlandse literatuur van de negentiende eeuw, Twaalf verkenningen. Utrecht 1986, p. 123; H. Eijssens, ‘Het jaarboekje Aurora van A.C. Kruseman’, in: Haarlemse kringen, Vijftien verkenningen naar het literair-culturele leven in een negentiende-eeuwse stad. Hilversum 1993, p. 140. Blijkbaar waren na 1780 vele lezers van almanakken zich de oorsprong van het woord niet meer bewust: met regelmaat werd aandacht besteed aan deze term om de lezers te laten weten wat de oorspronkelijke betekenis was en om ze duidelijk te maken hoe ze de symbolen in de kalenders moesten interpreteren (vgl. G. Brender à Brandis, ‘Wat zijn almanakken’ & ‘Onderwijs in den almanach’, in: Almanach tot nut van 't algemeen voor de jaren 1792 & 1794 (Amsterdam: M. Schalekamp, 1792 & 1794); ‘Schets van tydrekenkunde’ in Almanak der zanggodinnen voor 1787 (Amsterdam: G. Heintzen, 1787); ‘Zamenspraak tusschen den sterrenkundigen vervaardiger en den gebruiker van den almanach’, in: De erven van de wed. C. Stichters almanach voor 1792 (Leiden: bij Honkoop, Du Mortier en Herdingh, 1792). Deze aandacht heeft echter niet alleen te maken met de betekenisverschuiving. In de laatste decennia van de achttiende eeuw zien we een opleving van de aandacht voor oude volksgebruiken en een streven naar een historisch zuiverdere kennis over de oudere volkeren die aan de basis staan van onze cultuur en religie (vgl. publikaties van auteurs als H. van Wijn en A. Fokke Simonsz).
10Zie: J. Salman & T. Brandenbarg, Teken van de tijd, Maand- en seizoenvoorstellingen van de middeleeuwen tot 1800. 's-Gravenhage: Rijksmuseum Meermanno-Westreenianum/Museum van het boek, 1993.
11J. Salman, ‘Populaire leesstof [...]’ (noot 2), p. 75.

12W.W. Mijnhardt, ‘De Nederlandse Verlichting’, in: Voor vaderland en vryheid, De revolutie van de patriotten. Amsterdam 1987, p. 57.
13Vgl. P. Hazard, De crisis in het Europese denken, Europa op de drempel van de Verlichting, 1680-1715. Amsterdam 1990, p. 154.
14Vgl. K. Thomas, Religion and the decline of magic, Studies in popular beliefs in sixteenth and seventeenth century England, London 1980, p. 358. Ook in Nederland werden er, kort na de introductie van de boekdrukkunst, vele contemporaine spotprognosticaties uitgegeven, meestal samen met almanakken (zie: Het zal koud zijn in 't water als 't vriest, Zestiende-eeuwse parodieën op gedrukte jaarvoorspellingen, Den Haag 1980.) Tijdloos zijn de satires van François Rabelais en Jonathan Swift gebleken; in Nederland lieten achttiende-eeuwse auteurs als Jacob Campo Weyerman en Justus van Effen niet af astrologen te bespotten.
15Met ‘traditioneel’ wordt hier bedoeld: naar zeventiende-eeuws model gemaakt, dus bestaande uit losse onderdelen met eigen titelpagina's en paginering.
16B. Capp constateert dat ook in Engelse almanakken uit de achttiende eeuw de belangrijkste ontwikkeling was dat ‘instruction and amusement’ in de plaats kwamen van astrologische teksten (Astrology, p. 245).
17P.J. Buijnsters, Spectatoriale geschriften. Utrecht 1991, p. 34
18Vgl. ‘Kort verhaal en ongelukken door het instorten van de Konings Sluis’, in: Vriendelyke nieuw jaars giften voor 1753 (Amsterdam: B. Mourik, 1753); ‘Het merkwaardig en naauwkeurig verhaal, van het aflopen van het Oost-Indisch compagnieschip, Nyenburg’, in: Gerenomeerde volledige en nuttige altoosdurende societeit almanach, der geleerden voor 1766 (Amsterdam: S.J. Baalde, 1766); ‘Beknopte historie van den brand des Amsterdamschen Schouwburgs’, in: De huyshoudelyke Hollandsche jufferlyke almanach voor het jaar 1773 (Amsterdam: G. Bom, 1773).
19Deze trend in almanakken staat niet alleen: E.O.G Haitsma Mulier signaleerde een duidelijke neergang van publikaties gewijd aan niet-Europese werelddelen op de Nederlandse markt na circa 1740 (‘Between humanism and enlightenment: The Dutch writing of history’, in: The Dutch Republic in the Eighteenth Century, Decline, Enlightenment and revolution. Ithaca [etc.] 1992, p. 172).
20W.W. Mijnhardt, ‘De Nederlandse Verlichting’ (noot 12), p. 63.
21De eerste druk verscheen in 1745. De Maatschappij bezit de vijfde druk uit 1772 (te Amsterdam bij S. van Esveldt) en de zesde druk uit 1781 (te Amsterdam bij W. Holtrop).
22Resp. in: Vriendelyke nieuw jaars giften voor 1750 (Amsterdam: B. Mourik, 1750), De naauwkeurige Hollandsche almanach voor 1760 (Amsterdam: A. Meyer, 1760) en Almanach voor den boerenstand voor 1800 (Amsterdam: W. Holtrop, 1800).
23Resp. in: Burger en huismans almanach en leerzaam belang-boekje voor alle standen en kostwinningen voor 1790 (Amsterdam: W. Holtrop, 1790) en Vaderlands zakboekje ter bevordering van wetenschappen en fraaije letteren, of almanak voor de jaren 1796 en 1798 (Amsterdam: wed. Jan Dóll, 1796 en 1798).
24In het Amsterdamse genootschap Concordia et Libertate bijvoorbeeld werden lezingen gehouden over ‘De natuurlijke geschiedenis der inlandse kapellen’ (30-11-1790), ‘De oorzaak der dierlijke warmte’ (18-01-1791), ‘Oorzaken van het in leven blijven der planten in de winter’ (30-12-1794) enzovoorts (zie M. van Hattum, Lezingen en verhandelingen in ‘Concordia et Libertate’ (1769-1806) [...]. Amstelveen 1983).
25Resp. in: De schatkamer der kunstlievende vaderlanders van beiden de sexen en almanach voor 1783 (Z.pl., ‘voor rekening van den inventeur’), Dichtkundige almanach, of Keur van heldenbrieven, vertelzels, theatraale en andere dichtstukjes voor 1791 (Amsterdam: M. Schalekamp, 1791) en Toilet almanach voor 1799 (Z.pl., z.n.).
26Bijv. De nieuwe princelyke Haagse almanach ('s-Gravenhage: P. Servaas [e.a.]) en Stadhouderlyke almanach (Amsterdam: H. Arends).

27Bijv. Oprechte Nederlandsche almanach voor 1790 en 1791 (Deventer: J. de Lange, 1790-1791) en Nauwkeurige Friesche almanach voor 1795 (Leeuwarden: H. Post, 1795).
28Bijv. Almanach voor den brieventasch voor 1793/1794 (Gouda: H. Leemstra van Buma & comp., 1793); Almanach tot nut van 't algemeen voor 1794 (Amsterdam: M. Schalekamp, 1794) en De verbonden republikeinen, of Alliantie almanach voor 1796 (Amsterdam: P.E. Briët en H. van Kesteren, 1796).
29Bijv. Almanac des deux republiques voor 1795/1796 (Amsterdam: B. Vlam, 1795).
30Bijv. Nieuwe Nederlandse historische en astronomische almanak voor 1734 ('s-Gravenhage, H. Scheurleer en A. Moetjens, 1734). Er zijn in Nederland ook Hebreeuwsche almanakken verschenen, maar de Maatschappij bezit hier, bij mijn weten, geen exemplaren van.
31Bijv. Almanach des Francs-macons voor 1791 (La Haye: I van Cleef, 5791). Zie ook: D. Ligou, Dictionnaire de la Franc-maçonnerie. [Paris]: Presse Universitaires de France, 1987, p. 185-186 (lemma ‘Calendrier’).
32Bijv. Eeuw-duurende sterrekundige, natuurkundige en voorzeggende almanach door Martinus Knauer (Amsterdam: S. van Esveldt, 1763) en Eeuwig duerende almanach, beginnende Ao 1701 (Amsterdam: J. Robyn, ca. 1700) en Eeuwig durende tijdt wyser (Haarlem: B. Cleynhens, ca. 1735).
33Zie M. de Niet, ‘De bewooners der twaalf zodiakx herbergen’, in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 16 (1993), p. 17-23.
34D'erven Stichters comptoir almanach voor 1770 bijvoorbeeld (sign. 1366 D 30) is in het bezit geweest van F.P. Werth, die o.a. een recept tegen veeziekte optekende; in Van Zwaamens nieuwen almanach voor 1769 (sign. 1119 F 46) heeft een onbekend bezitter gegevens met betrekking tot erfpacht over de jaren 1769-1775 genoteerd, wat aangeeft dat een almanak soms jarenlang als aantekenboekje werd gebruikt.
35In een standaardwerk als Geschiedschrijving in Nederland, Studies over de historiografie van de Nieuwe Tijd (samengesteld door P.A.M. Geurts en A.E.M. Janssen. 's-Gravenhage 1981) wordt absoluut geen aandacht besteed aan bronnen als schoolboekjes of almanakken, die door een niet-elitaire laag van de bevolking gelezen werden.
36Zoals Nieuwe Nederlandsche historische en astronomische almanach (voor zover bekend verschenen van 1732 tot 1800 bij diverse uitgevers); Geographische, genealogische en historische konst en reis almanach (1745-1794 bij diverse uitgevers); De nieuwe aardige en vermakelijke historische astrologische voorzeggende konst- en planeet almanach (Amsterdam: H. van Werven, 1764) en Nederlandsche historische almanach (Amsterdam: J.B. Elwe, 1783).
37E.O.G. Haitsma Mulier, ‘Between humanism and enlightenment [...]’ (noot 19), p. 170.
38Deze almanak is een ‘satelliet-uitgave’ bij het tijdschrift De politieke snapster, waarin dezelfde schuilnamen worden gebruikt.
39Ook met betrekking tot Belgische (Mortier, p. 278), Franse (Bollème, p. 124) en Duitse (Petrat, p. 27) almanakken wordt gesteld, dat actualisering een van de belangrijkste ontwikkelingen is in de achttiende eeuw.
40Resp. in: Vriendelyke nieuw jaars giften voor 1750 (Amsterdam: B. Mourik, 1750), Nederlandsche historische almanach voor 1783 (Amsterdam: J.B. Elwe, 1783) en Almanach van vrijheid, eendragt en kunstmin voor 1791 (z.pl., z.n.).
41Resp. in: Schutters wagt-almanach, aanwijsende wat compagnien, en op wat nagt zy te zamen waken moeten, om de vijftiende nagt voor 1780 (Amsterdam: erven wed. C. Stichter, 1780); De nuttelyke en aangenaame staats-almanach (bijna veertig jaar lang uitgegeven door T. Crajenschot te Amsterdam); Almanach voor beminnaars van weetenschappen, geleerdheid en goeden smaak voor 1779 (Amsterdam: A.E. Munnikhuisen, 1779) en Algemeene Amsterdamsche schouwburgs almanach voor 1793 (Amsterdam: J. van Gulik, 1793).
42Bijv.: ‘De stervende Filander, op het graf van Silvia’ in: Dichtkundige almanach voor 1790 (Amsterdam: M. Schalekamp, 1790); ‘Bij het graf van Alzire’, in: Vaderlandsche muzen-almanak voor 1792 (Utrecht: G.T. van Paddenburg en zoon, 1792) en ‘Elise bij het graf van Ferdinand’, in: Almanach der weetenschappen en geleerdheid voor 1793 (Amsterdam: J. van Gulik, 1793).

43Gerrit Brender à Brandis, Gerrit Paape, A.B. Strabbe, J.H. Swildens en Pieter van Woensel behoren tot de weinige auteurs die een gehele almanak hebben geschreven, en dat gebeurde dan meestal nog anoniem of onder pseudoniem.
44Zie M. de Niet, ‘De bewooners [...]’ (noot 33), p. 21-22.
45Er is nog nauwelijks onderzoek gedaan naar letterkundige teksten in achttiende-eeuwse almanakken. Uit de bibliografie in J.E. de Witte, Fragmenten uit de roman van mijn leeven (1763-1790), Hilversum 1993, blijkt dat De Witte en zijn vrouw Maria van Zuylekom vele gedichten speciaal voor almanakken hebben geschreven. Dat niet alleen in de praktische rubrieken, maar ook in het mengelwerk uniek materiaal voor lokale geschiedvorsing te vinden is, blijkt uit een boek als Dansen rond de vrijheidsboom, Revolutionaire cultuur in Brabant en de Franse invasie van 1793.
Red. J.G.M.M. Rosendaal en A.W.F.M. van de Sande. 's-Hertogenbosch 1993.
46Vergelijk de conclusies van Mortier (zie noot 6).
47Zie hierover I.H. van Eeghen, ‘De Stichter's Enkhuizer almanak en Amsterdam’, in: Amstelodamum 75 (1983), p. 48-50.
48Almanach voor den boerenstand voor 1799 en 1800 (Amsterdam: W. Holtrop, 1799-1800).
prepostterug  begin  verder