
In januari 1898 zag de toenmalige bibliothecaris van de Maatschappij, Louis D. Petit, twee zware kisten zijn werkkamer binnengedragen worden, met als inhoud een ‘ontzaggelijke menigte boeken en boekjes’. Deze kisten met almanakjes waren gezonden door de weduwe van de in december 1897 overleden Utrechtse hoogleraar en theoloog J.I. Doedes. De euforie over het geschenk ging gepaard met een bezorgdheid om al die bijzondere boekjes snel en adequaat te sorteren en te beschrijven. De verzameling almanakken die Doedes gedurende een halve eeuw bij elkaar had gebracht was uniek in Nederland, en dat Petit zich dat bewust was, blijkt uit zijn verslag over het geschenk, voorgedragen in de maandvergadering van maart 1898 en datzelfde jaar gepubliceerd in De Nederlandsche spectator (p. 110-112). Onder zijn bibliothecariaat, en ook onder dat van zijn voorgangers, vormde aankoop van nieuw verschenen en antiquarische almanakken een constante factor in het aanschafbeleid van de Maatschappij, zoals blijkt uit de catalogi en de jaarlijkse aanvullingen. Door de toevoeging van het legaat van Doedes bezat de Maatschappij opeens de grootste collectie almanakken in Nederland. Dat Petit het niet liet bij plannen om de collectie met prioriteit te ontsluiten, blijkt uit de Handelingen en mededelingen van 1897/1898. Als bijlage bij het verslag van de bibliothecaris vinden we de complete lijst van de almanakken uit het bezit van Doedes, chronologisch geordend en soms voorzien van kort commentaar.
Doedes had ongeveer 460 verschillende almanakken, tussen 1587 en 1894 uitgegeven in Nederland, België of de koloniën, verzameld. Doordat er van sommige almanakken meerdere jaargangen voorkwamen, ging het in totaal om bijna duizend boekjes. Doedes had er niet naar gestreefd alle jaargangen van een bepaalde almanak in zijn bezit te krijgen en dus complete series te vormen; de diversiteit vond hij belangrijker. Ook het mengelwerk was een belangrijk criterium bij aanschaf. Groot is het aantal jaarboekjes met letterkundige en historische teksten. Daarentegen zijn de almanakken die hoofdzakelijk praktische gegevens boden voor inwoners van een bepaalde stad of streek (en dat ook uitdroegen in de titels), opvallend slecht vertegenwoordigd. Dat neemt niet weg dat Petit groot gelijk had, toen hij stelde dat iedere ‘almanacoloog’ zijn schreden tot de bibliotheek van de Maatschappij zou moeten richten, omdat hij daar dankzij de schenking van Doedes ‘onmisbare bouwstoffen’ zou aantreffen. Zijn oproep heeft niet veel geholpen: almanakken zijn tot op heden nauwelijks voorwerp van onderzoek geweest.2
Een verklaring voor de veronachtzaming van de waarde van deze jaarboekjes voor het (literair-)historisch onderzoek ligt deels in de slechte ontsluiting ervan in bibliotheken en bibliografieën, maar meer nog in de misvattingen en vooroordelen die spelen rondom het concept van de almanak. Traditioneel worden almanakken gerekend tot de ‘volkslectuur’, die op haar beurt weer wordt beschouwd als ‘gesunkenes Kulturgut’; de avonturen van

Janus' tempel, in: Geographische, genealogische
[...] almanach voor 1760
edele ridders zijn verworden tot ‘wegwerpartikelen zonder waarde’,
het Nederlandse volksboek is dikwijls ‘een erbarmelijk massaprodukt’.3 In de
laatste jaren zijn er wel discussies gevoerd over de herdefiniëring van de
term ‘volkslectuur’, in die zin dat we ‘volk’ niet klakkeloos moeten
identificeren met de minder bedeelden in de maatschappij.4 Maar slechts terloops wordt in die discussies ingegaan op
de vraag of de inhoud van die ‘populaire werken’ alleen maar als ‘gezonken
cultuurgoed’ beschouwd kan worden.
Sinds de doorbreking van het patroon om hoofdzakelijk onderzoek te verrichten naar gecanoniseerde erflaters van onze beschaving, zijn andere cultuurdragers, waaronder de almanak, in het vizier gekomen. Met name vanuit de vernieuwde boekhistorische optiek, waarbij produktie, distributie en consumptie van lectuur centraal staan, is de almanak een interessant aanknopingspunt voor onderzoek naar (hoge) oplagecijfers, lezerskringen en verspreiding via colporteurs. Maar ook in dit onderzoek wordt niet veel aandacht besteed aan de almanak als informatiedrager.
In het navolgende zal aan de hand van enkele opposities een beeld geschetst worden van ontwikkelingen die de almanak onderging, gebaseerd op de collectie almanakken van de Maatschappij en toegespitst op de (Noord-)Nederlandse almanakken uit de achttiende eeuw.5 De achttiende eeuw was een periode van tegenstellingen en crises: enerzijds keek men terug op een in veel opzichten rijker verleden, anderzijds werkte men (al dan niet revolutionair) toe naar een samenleving waarin definitief afgerekend zou zijn met primitieve machtsverhoudingen en ieder mens zich als mens zou kunnen manifesteren, bevrijd van bijgeloof, maar gesteund door zijn rede of gevoel. In almanakken zijn deze dualistische facetten van het leven in de achttiende eeuw goed waarneembaar. Bestudering ervan levert een zinvolle bijdrage aan het onderzoek naar de Verlichting in Nederland.6
Als eerste moet de term ‘almanak’ verduidelijkt worden: juist in de achttiende eeuw voltrekt zich een betekenisverschuiving. Het is onduidelijk of ‘almanak’ (de spelling ‘almanach’ wordt in de loop van de eeuw steeds meer verdrongen) van oorsprong Arabisch, Chaldeeuws/Hebreeuws, Oudsaksich of Keltisch is.7 Desondanks is het duidelijk dat de benaming voortkomt uit de praktijk van het bestuderen van de hemellichamen en hun bewegingen, om zo de tijd te berekenen en de natuurgesteldheid te voorspellen. Vanaf de middeleeuwen tot in de achttiende eeuw wordt het woord in deze strikte betekenis gebruikt: ‘almanak’ en ‘kalender’ zijn synoniemen. In veel jaarboekjes die naast een kalender diverterend mengelwerk bevatten, wordt vanuit de inhoudsopgave naar het kalendergedeelte verwezen met ‘de almanak voor dit jaar’. Ook in zeeatlassen treffen we meerjarige kalenders aan onder de naam ‘almanach’. Andere termen die gebruikt werden, waren ‘dagwijzer’ en ‘tijdwijzer’. Enkele samenstellingen die zich uit deze betekenis ontwikkelden, zijn ‘comptoiralmanach’ (kantooralmanakken voor bijvoorbeeld kooplieden), ‘memoriealmanak’ (blanco, niet-jaargebonden kalenders, vergelijkbaar met onze verjaardagskalenders), ‘plakalmanak’ (plano's die aan de muur gehangen konden worden, vergelijkbaar met onze jaarkalenders)
en ‘vouwalmanak’ (kleine boekjes waarbij de kalender op groot formaat papier is gedrukt, maar door een bepaalde manier van vouwen toch in een vestzak of tasje meegenomen kon worden).
Daarnaast werd de term ‘almanak’ in de loop van de achttiende eeuw steeds vaker gebruikt om het gehele jaarboekje aan te duiden, inclusief het mengelwerk. Al in de zestiende eeuw werd mengelwerk tot lering en vermaak met de kalender meegeleverd door boekverkopers. De betekenisverschuiving hangt samen met een veranderde produktiewijze: zestiende- en zeventiende-eeuwse almanakken bestonden hoofdzakelijk uit (reeksen) katernen die voorzien waren van eigen titelpagina's en afzonderlijke katernsignering en paginering. Door deze ‘losse’ samenstelling kon de koper zelf verschillende onderdelen achter het kalendergedeelte (de almanak) voegen en de handelaar kon teksten uit het mengelwerk (bijvoorbeeld een klucht of een liedboekje) apart of met andere almanakken verkopen.8 In de tweede helft van de achttiende eeuw echter is de meerderheid van almanakken opgebouwd als gewone boekjes, met één titelpagina en een doorlopende katernsignering en paginering. Een veel gebruikt synoniem werd ‘zakboekje’ en ook ‘nieuwjaarsgeschenk’ komt voor, omdat nieuwe almanakken aan het eind van het jaar geproduceerd werden en dus ideale cadeautjes waren tijdens de feestdagen. De aard van het mengelwerk ging steeds meer de titel bepalen, zoals blijkt uit De nieuwe Haagse princelyke en koninglyke almanach (1748-1795), De huishoudelyke Hollandsche jufferlyke almanach (1765-1793) en Almanak van vernuft en smaak (1790-1822). In de negentiende eeuw is de laatste betekenis de overheersende geworden.9
Ondanks de verschillende produktiewijzen kennen de achttiende-eeuwse
almanakken wel een vaste opbouw. Na de titelpagina is de kalender steevast
het eerste onderdeel. In de meest

Een marskramer, in: Gerenomeerde volledige [...]
almanach voor 1768
kale vorm bestaat de kalender uit de maanden, de dagen en de
feest- en heiligedagen. Gecodeerd, dat wil zeggen aan de hand van symbolen,
kunnen ook de schijngestalten van de maan, waterstanden, kermissen en jaar-
of beestenmarkten aangegeven worden. Veel kalenders zijn geïllustreerd: per
maand is een houtsnede of gravure afgedrukt om een activiteit die bij die
maand hoort, te verbeelden.10 Naast de kalender krijgen altijd aparte vermelding de
bepaling van het jaar (sedert de schepping van de wereld, de zondvloed, de
geboorte van Christus, de uitvinding van de boekdrukkunst enzovoort), de
beweeglijke feestdagen, de quatertemperdagen (de onthoudingsdagen aan het
begin van de vier seizoenen) en astronomische gegevens als de eclipsen van
de zon en de maan van dat jaar.
Op de kalender volgen dan enkele zakelijke overzichten. Afgaande op de collectie van de Maatschappij is de meest voorkomende rubriek het luiden van poortklokken/het sluiten van stadspoorten. In ongeveer tweederde ervan is informatie hierover aan te treffen. Een goede tweede en derde zijn de rubriek met vertreken aankomsttijden van postdiensten, veerschepen en koopmansboden en overzichten met de waarde van munten, rentestanden, obligaties en huurcedullen. Een rubriek die in bijna de helft van de almanakken voorkomt, is het overzicht met de vakanties van de stedelijke en provinciale hoven dat jaar. Prognosticaties, in de zeventiende eeuw nog een vast onderdeel, komen slechts in één op de zeven almanakken voor. Desondanks kan gesteld worden dat
achttiende-eeuwse almanakken, wat het totaal aan praktische informatie betreft, niet wezenlijk anders zijn dan zeventiende-eeuwse, doordat de rubrieken niet wezenlijk anders geworden zijn.11 De ontwikkeling die de jaarboekjes ondergingen, heeft vrijwel geheel betrekking op de aard en de samenstelling van het mengelwerk, dat meestal het laatste (maar niet het kleinste) onderdeel was.
Met name onder invloed van bevindingen op het gebied van de natuurwetenschappen, vindt er in de overgang van de zeventiende naar de achttiende eeuw een ‘rationalisering’ van de religie plaats. De op empirische leest geschoeide studies van de natuur hadden een aanpassing van het eeuwenoude Gods- en mensbeeld tot gevolg. De fysico-theologie bood een aantrekkelijke synthese tussen ‘redelijke perceptie’ en religie: de volmaaktheid van de schepping en de harmonie die wij rondom ons waar konden nemen waren een bewijs van Gods welwillende almacht.12 Tot die harmonie behoorden ook kometen en eclipsen: het was menselijke ijdelheid geweest te denken dat dergelijke natuurlijke verschijnselen speciaal ‘gecreëerd’ waren om angst aan te jagen en rampen te voorspellen.13 De tendens om de mens een relatieve plaats in de macrokosmos te geven, had drastische gevolgen voor de beoefening en invloed van de astrologie. Nu had astrologie, als heidense erfenis, altijd al op gespannen voet gestaan met de christelijke religie, en de voorspellingen van auteurs als Michel Nostradamus (1503-1566) en Tycho Brahe (1546-1601) werden door velen met argus-ogen bekeken en bespot, maar desalniettemin waren prognosticaties buitengemeen populair in de late middeleeuwen en de zestiende eeuw.14 In de zeventiende eeuw is een verenging waar te nemen: de prognosticaties worden korter en de diversiteit wordt kleiner. Het zijn hoofdzakelijk de voorspellingen van Antonio Magini (1555-1617) die trouw tot het einde van de eeuw blijven verschijnen. Ook in de achttiende eeuw krijgen bewerkingen van Magini's prognosticaties nog af en toe een plaatsje in almanakken, maar de ondergang is duidelijk waarneembaar. In De nuttige en aangenaame staatsalmanach van de Amsterdamse uitgever Theodorus Crajenschot bijvoorbeeld worden vanaf 1787 de voorspellingen definitief weggelaten:
Dewyl ons voorneemen is om deezen Almanach meer en meer nuttig te maaken en geenzints met beuzelingen op te vullen, zullen wy ons van nu af aan, onthouden van alle zogenaamde Weervoorzeggingen enz. en om deeze plaats welke soortgelyke ongerymdtheden besloeg, met iets wezenlyks aan te vullen, zullen wy hier een korte Schets van de kragt der liefde ter nederstellen.
De almanakken die op traditionele leest geschoeid waren, zoals die van de boekenfirma's Stichter of Van Egmont, houden ze nog het langst vast15, maar ook hier zijn ze zeer kort en van een speels karakter, zoals de prognosticatie voor de maand juni 1780 in D'erven Stichters comptoir almanach :
Het vochtige weer heeft veel Onkruyd tusschen de eetbare Groentens verwekt. Gy moet wieden, Meysjes van de Warmoeziers! eer het wilde Kruyd het nuttige boven 't hoofd wast. Het aangenaame Zomerweer lokt de Stedelingen Veldwaards. Wat is Damon met zijn Filis vrolijk.
De ‘astronomische’ kant van almanakken blijft de hele eeuw door wel gehandhaafd: informatie over eclipsen en maanstanden blijft behoren tot de vaste rubrieken.
Het lijkt bijna tegenstrijdig dat de ondergang van de hemellichamen in almanakken samenvalt met een merkbare stijging in produktie en populariteit van deze boekjes. Een plausibele verklaring hiervoor is dat de samenstellers erin slaagden een alternatieve formule te vinden die aansloot bij een veranderende waardering of een zich ontwikkelende smaak bij het (in aantal groeiende) lezerspubliek.16 Dit zou tevens een verklaring zijn voor de enorme diversiteit aan almanakken die ontstaat: voor elk wat wils. De opkomst van spectatoriale en verwante geschriften rond 1720 is een indicatie voor de behoefte bij (goed opgeleide) burgers aan visies op morele, wijsgerige, religieuze en politieke onderwerpen, die aansloten bij hun eigen belevingswereld.17 Na 1740, wanneer de spectator een sterke groei doormaakt, treffen we ook in almanakken meer en meer bijdragen aan die dicht bij het leven van alledag staan. Werden voorheen in de prognosticaties in almanakken slechte tijden voorspeld, in de tweede helft van de achttiende eeuw vinden we veel meer feitelijke beschrijvingen achteraf van (natuurlijke) rampen, zoals overstromingen en aardbevingen, maar ook het instorten van een sluis, een felle brand of het vergaan van een voc-schip18 wordt gememoreerd.
In bestaande en nieuwe rubrieken wordt de blik voortaan zonder omweg op het ondermaanse gericht. In diverse almanakken zijn geografische, met landkaartjes geïllustreerde bijdragen te vinden, waarin de geschiedenis en zeden van een bepaald land of volk besproken worden. Aanvankelijk steunden deze teksten nog sterk op de zeventiende-eeuwse prachtboeken en reisjournalen die door voc'ers werden geschreven na een bezoek aan een exotisch land. Maar ook hier zien we na 1740 een verschuiving richting ‘huis’: de aandacht verplaatst zich naar de landen rondom Nederland en vooral naar ons eigen land en haar provincies.19 Kennis van eigen land en cultuur is een belangrijke voorwaarde voor het gevoel van nationale eigenwaarde, en daar begon het in Nederland meer en meer aan te ontbreken.20 Er bestaan overigens ook beknopte varianten van deze rubriek, waarin alleen geografisch of demografisch cijfermateriaal wordt geboden, zoals afstanden tussen steden, of geboorte- en sterftecijfers in steden en landen.

Een traditioneel onderdeel van almanakken dat altijd al dicht bij de natuur heeft gestaan, is de zogeheten hoveniersalmanak. In deze rubriek worden per maand aanbevelingen gedaan voor boeren en tuinders met betrekking tot het zaaien en oogsten. Deze rubriek ondergaat een trapsgewijze aanpassing. De hele eeuw door treffen we in essentie ongewijzigde versies van de hoveniersalmanak aan: er worden, uitgaande van de kalender, tips gegeven voor een beter rendement. In de Almanach der hoveniers 21 is deze rubriek uitgegroeid tot een geheel zelfstandig boekje.
Uit deze traditionele hoveniersalmanak ontwikkelden zich

De borstelrups, in: Vaderlands zakboekje voor
1798
bijdragen die nog wel duidelijk bedoeld waren als raadgevingen aan
boeren en telers, maar die los stonden van de kalender, zoals ‘Verhaal van
de toestand der sterfte onder het rund-vee’, ‘Naauwkeurige waarneemingen van
't voortkweeken der byen, kanarie-vogels [...]’ en ‘Eenige remediën voor
paarden, by spoed vereischende ziekten’.22 Dergelijke bijdragen geven ons uiteraard ook
indicaties voor het lezerspubliek van bepaalde almanakken (waarover verderop
meer).
Ten slotte komen er in almanakken ook, met name naar het einde van de eeuw toe, artikelen over flora en fauna voor die meer algemeen informerend en niet zozeer voor een agrarische doelgroep geschreven zijn, zoals ‘De graanen welke in ons land verbouwd worden’, ‘Over eenige merkwaardigheden in de voortplanting en gedaantewisseling der insecten’ en ‘De borstelrups, door het vergrootglas beschouwt’.23 Meestal stoelen dergelijke teksten op een nauwkeurige analyse van planten en (het gedrag van) dieren. Ze sluiten nauw aan bij artikelen die in tijdschriften werden gepubliceerd en bij voordrachten die in genootschappen werden gehouden.24
Als laatste, de mens zelf: favoriete onderwerpen in het mengelwerk werden het sociaal gedrag van mensen in het algemeen en de omgang tussen ongehuwde jongeren in het bijzonder. Onder invloed van de ideeën over de vervolmaakbaarheid van de mens, een belangrijk aspect van het Verlichtingsdenken in Nederland, krijgt het mengelwerk in veel almanakken een moralistische toon. Titels als ‘De gelukkig geworden echtgenoot’, ‘De brave kinderen’ en ‘Deugd meer dan rijkdom’25 spreken voor zichzelf. Bovenal stonden reinheid van liefde en maagdelijkheid van ongehuwde vrouwen centraal, zoals in het volgende raadsel uit Dichtkundige almanach; of Keur van heldenbrieven voor 1775:

Naast het benadrukken van huiselijke liefde als deugd is er ook een sterk groeiende aandacht voor vaderlandsliefde. In levensbeschrijvingen van beroemde landgenoten, geschreven in de trant van lemma's in encyclopedische werken of in verdichte vorm en meestal vergezeld van een portretje, worden hun daden aan de lezers ten voorbeeld gesteld. Sommige almanakken worden zelfs speciaal geschreven om roemruchte voorzaten te lauweren, zoals Nederlandsche historische almanach, of Tydwyzer der Nederlandsche helden . Het huis van Oranje Nassau speelde in dit opzicht een belangrijke rol. De benoeming in 1747 van Willem Carel Hendrik Friso van Oranje Nassau tot stadhouder gaf aanleiding tot een Oranjekoorts, waar uitgevers op inspeelden. Bernardus Mourik uit Amsterdam bijvoorbeeld gaf zijn Vriendelyke nieuw jaars giften de ondertitel ‘Gemakkelyke prinselyke zakalmanach’ mee. In 1751, het jaar van de dood van de stadhouder, droegen de uitgevers Walpot en

Vivat Willem v
Hoogstraten uit Dordrecht een almanak voor het volgende jaar op
aan zijn opvolger, zijn driejarige zoon Willem v, door
deze naar hem te vernoemen:
Der jongen erf-stadhouderlyken almanach
. Ook in de jaren die volgden werden almanakken aan de hand van hun
titel aan het huis van Oranje opgedragen.26
Veertig jaar later kregen dergelijke titels een grote politieke geladenheid, doordat de naamgeving als provocatie functioneerde in de strijd tussen de orangisten en patriotten. Afhankelijk van de ‘signatuur’ van de almanak werden de vroegere stadhouders vol vuur bejubeld, of juist als tirannen afgeschilderd tegenover ware Bataven als Johan van Oldenbarneveld en de gebroeders De Witt.
Met de aandacht voor deze lichtende voorbeelden zijn de almanaklezers aan het eind van de eeuw wel zeer verwijderd geraakt van het eens zo invloedrijke geflonker in het uitspansel. Hoe ver, moge ook blijken uit de volgende bijdrage in De vrolijke tijdkorter voor 1800.
De Joodsche Starrekyker
Zekere Jood, welke niet weinig van den Hoogmoedigen Duivel bezeeten was, had de gewoonte wanneer hy by de straat ging immer het wit gepoederd hoofd zodanig in de nek te houden dat hy in plaats van voor zig, immer na den Hemel zag: waarom hy door de wandeling de starrekyker wierd genaamd, ofschoon hy juist zo veel kennis van de starrekunde, als van Rechtsgeleerdheid had, voor welk laatste hy zich evenwel uitgaf.
Op zekere avond in de maand Juny wanneer zyn deftigheid geheel in her Zwart gekleed na zyn Huis keerde, overdenkende het gepasseerde van den dag; beschouwde hy na gewoonte den Hemel, zodanig ingespannen dat men zoude gedacht hebben, hij had een nog niet ontdekte gestarnte in het gezicht. Op eens viel den man in een riool, hetwelk men verzuimt had te bedekken, - met groote moeite klauterde hy gantsch beslikt uit hetzelve, en vloek[te] niet weinig op het ongelukkig gesternte dat hem dien dag en nacht had bescheenen, - Imand dit alles uit zyn venster aanschouwd hebbende, riep den gevallen Rechtsgeleerde toe: Burger! Zie in het vervolg liever na dat geen wat onder u, als na dat wat booven u is. -
Op 4 oktober 1582 werd volgens pauselijke bul van Gregorius xiii een nieuwe kalender ingevoerd om het verschil van tien dagen
tussen de tot dan toe gehanteerde Juliaanse tijdrekening en de werkelijke
verstreken zonnejaren sinds het begin van de jaartelling op te heffen.
Holland en Zeeland schakelden in datzelfde jaar als eerste Nederlandse
provincies over op de nieuwe kalender. Pas ruim een eeuw later, in 1700,
volgde de rest van de Republiek, met uitzondering van Drente, dat in 1701 de
astronomisch correcte kalender invoerde. Het is dus niet zo vreemd dat we
bij tientallen almanakken uit het begin van de achttiende eeuw ‘na de nieuwe
(Gregoriaansche)sryl’ als aanbeveling in de titel aantreffen. Merkwaardiger
lijkt het, dat deze aanduiding nog tot in de jaren negentig van die eeuw
prominent deel bleef uitmaken van titels, met name bij almanakken uit het
oosten des lands27, maar dit heeft
ongetwijfeld te maken met het feit dat het tot 1776 duurde

Gantsch beslikt, in: De vrolijke tijdkorter
voor 1800
voor alle Duitse landen de oude kalender loslieten. De kalender ‘oude stijl’ bezat in de laatste jaren van de eeuw ook bij Nederlanders nog zo veel gezag, dat de inmiddels eeuwenoude ‘nieuwe stijl’ expliciet vermeld moest worden. Overigens zijn mij geen almanakken uit de achttiende eeuw bekend die de Juliaanse kalender opgenomen hebben. Wel wordt in de Alleen oprechten wereld almanach voor 1703 van de mathematicus Andreas Lugtenburg de Gregoriaanse stijl op zijn beurt weer misleidend genoemd. Lugtenburg had volgens eigen zeggen de enige ware nieuwe stijl berekend en hoopte ‘dat also de gansche wereld mogt overtuygt worden, datse door een dwalende Tyd-rekeninge, deselve regeren’. Dat de Staten van Holland en Zeeland het met hem eens waren, blijkt uit het privilege dat aan de almanak verleend is. Hun bezorgdheid betrof vooral de ‘Groote Zeevaert’, die door een foute tijdrekening grote gevaren zou lopen.

Een veel kleinere indruk dan de oude kalender heeft de Franse kalender, bijna een eeuw later, achtergelaten. Bij deze tijdrekening, die op 5 oktober 1793 werd ingevoerd als eerbetoon aan de revolutie van het volk, was 22 september 1792 dag 1 van jaar 1. Deze kalender, die tot 1806 werd gebruikt, kende bovendien een andere week- en maandindeling en geen christelijke feestdagen of heiligedagen. Ook in het zuiden van Nederland (Limburg en Zeeuws-Vlaanderen) werd deze kalender ingevoerd en dientengevolge treffen we hem aan in Nederlandse almanakken. Om de gebruikers ervan enigszins ter wille te zijn werd er bijna altijd een uitleg aan toegevoegd.28
Ook in Nederland werd, na het slagen van de revolutie in 1795, een nieuwe jaartelling ingevoerd, de kalender van de Bataafsche Vrijheid. Deze werd zeven jaar gehanteerd, maar heeft eigenlijk altijd afhankelijk van de christelijke kalender gefunctioneerd29: er was geen afwijkende week- of maandindeling en gewoonlijk treffen we twee jaartallen naast elkaar aan, het christelijke in Arabische cijfers en het Bataafse in Romeinse cijfers.
Ten slotte komen in almanakken nog twee andere kalenders voor: incidenteel is in een almanak een joodse kalender opgenomen30, wat dan op de titelpagina aangekondigd wordt. De enige andere bevolkingsgroep die er een eigen kalender op nahield waren de vrijmetselaars. Hun jaartelling liep vierduizend jaar voor op de Gregoriaanse kalender en begon bij de eerste dag van de schepping. Om die reden spraken zij over de ‘jaartelling des Waren Lichts’ (Anno Lucis). Hun jaar begon, in navolging van de Juliaanse kalender, in de maand maart.31
Naast deze jaarkalenders werden, net als in de zestiende en zeventiende eeuw, eeuwkalenders en eeuwigdurende almanakken gemaakt.32 De laatste waren vaak ingenieus gedrukte werkjes met eraan bevestigde draaitabellen of strookjes waarmee variabelen ingesteld konden worden. Dergelijke almanakken werden
gemaakt door mathematici als Johannes van Keulen en Johan de Kanter. Meer nog dan gewone kalenders, die toch ook vrij veel informatie in gecodeerde vorm aanboden, vereisten dergelijke kalenders een goede lees- en interpreteervaardigheid bij de gebruikers; ze waren niet bestemd voor mensen met een lage opleiding.
Dit brengt ons bij een meer algemene vraag naar de lezers van kalenders/almanakken. Almanakken bieden in meerdere opzichten houvast voor onderzoek naar het lezerspubliek.33 Omdat ze primair als gebruiksboekjes bedoeld zijn, treffen we met grote regelmaat aantekeningen van vroegere bezitters aan in de kalender, de memoriealmanak of op de blanco doorschoten bladen.34 Met name in comptoiralmanakken is de trefkans groot notities van contemporaine lezers te vinden: de kalenders daarin zijn met veel wit gezet om kooplieden, grondbezitters en andere beroepsgroepen gelegenheid te bieden afspraken, boekhoudkundige aantekeningen of andere opmerkingen te noteren. Helaas hebben lang niet alle bezitters hun naam voor in de almanak geschreven; dat is vaak een handicap om de gegevens juist te interpreteren. Bovendien is het gevaarlijk om conclusies te trekken uit slechts enkele bewaard gebleven exemplaren. Juist het feit dat een almanak bewaard is gebleven - almanakken behoren tot de categorie ‘zeer schaars overgeleverd drukwerk’ - geeft te denken over de representativiteit van de oorspronkelijke bezitter ervan als gemiddelde lezer. Het is dus ook belangrijk iets te weten over het geïntendeerde publiek: voor wie waren de almanakken bestemd? Op deze vraag ga ik in de laatste paragraaf in.
Door de kalender te raadplegen werd de lezer geconfronteerd met zijn eigen
nabije toekomst of recente verleden. In het mengelwerk lag de nadruk op het
nationale verleden. Al in de zeventiende eeuw werden met almanakken korte
kroniekjes verkocht, waarin belangrijke gebeurtenissen uit de
(wereld)geschiedenis chronologisch vermeld werden. Meestal betreft het
kroningen en huwelijken van vorsten, veld- en zeeslagen, het tekenen van
vredestraktaten, natuurrampen enzovoort. In maar liefst één op de drie
achttiende-eeuwse almanakken komen dergelijke kroniekjes nog voor. Deze
rubriek zouden we wellicht kunnen beschouwen als verstrooiend: een lezer zou
er op een verloren uurtje eens in kunnen bladeren om zijn geheugen wat op te
frissen. Maar de groeiende frequentie waarmee teksten over gebeurtenissen
uit het nationaal verleden voorkomen, maakt het interessant te onderzoeken
in hoeverre almanakken bijgedragen hebben aan de groei van een historisch
bewustzijn en beeldvorming bij de Nederlandse bevolking.35 Dat de aandacht voor onze vaderlandse geschiedenis
belangrijk was voor de almanakmakers moge ook blijken uit het feit dat
tientallen almanakken het woord ‘historisch’ in de titel dragen.36 Die aandacht had meer om het lijf dan zuivere historische
belangstelling: geschiedenis was ook in de achttiende eeuw een middel om
actuele gebeurtenissen door te lichten en te rechtvaardigen of
veroordelen.37 Het beste
blijkt dit uit de vele historische teksten in orangistische en patriotse
almanakken aan het eind van de eeuw: aan de hand van voorvallen uit het
verleden

Schutters wagt almanach voor 1780, met op de
groene perkamenten band een wapen en de naam F. Duisberg

Getekende Altyddurende almanach met de dagen
op een beweegbaar strookje
willen de schrijvers waarschuwen voor mogelijke parallelle
situaties in het heden. In
Snapsters nieuwe jaars geschenk
voor 1791 hebben de samenstellers, die de schuilnamen Janne en Anne Moer
dragen38, enkele gedichten van de
Fransman Pavillon uit 1672 opgenomen, om te laten zien ‘dat men in die
stadhouderlooze tyd even zot om eene waan Vryheid schreeuwde, als in de
voorbyzynde en laatste troebles welke in ons Neerland hebben plaats gehad’.
Dit geeft almanakken (opnieuw) een paradoxaal karakter: de toename van het aantal historische teksten erin is een bewijs voor de actualisering die de achttiende-eeuwse almanak doormaakte.39 Evengoed als er een ontwikkeling was naar het ‘hier’ in almanakken, is er een tendens naar het ‘nu’ waar te nemen. Deze actualisering nam in Nederland een duidelijke aanvang met de benoeming van stadhouder Willem iv in 1747. Deze gebeurtenis, en vooral zijn dood in 1751, vormden een belangrijke aanzet tot de vernieuwing van almanakken. De lofzangen op zijn persoon behoren tot de vroegste teksten in het mengelwerk die naar aanleiding van een actuele gebeurtenis zijn geschreven. Vanaf 1748 wordt in diverse almanakken ruimte gereserveerd voor verslagen van huwelijken, begrafenissen en reizen van de Stadhouder en zijn familie uit het voorbije jaar; ook van andersoortige recente gebeurtenissen wordt in almanakken verslag gedaan, zoals het vuurwerk in 's-Gravenhage ter gelegenheid van de vrede van Aken (1749), de zeeslag bij de Doggersbank (1781) en de bestorming van de Bastille (1789).40 Tevens worden de traditionele kroniekjes aangepast: er verschijnen steeds meer jaarkroniekjes, met de belangrijkste nationale en lokale nieuwtjes uit het afgelopen jaar.
Ook uit diverse andere onderdelen van de almanak blijkt de toename van het belang van het ‘hier en nu’: opvallend is de groei van het aantal rubrieken waarin gegevens van tijdelijk of lokaal belang worden geboden. Naast de reeds genoemde traditionele rubrieken met praktische informatie over postdiensten en dergelijke werden steeds vaker jaarlijks aangepaste namenlijsten van burgercompagnieën, geestelijken en andere beroepsbeoefenaars opgenomen, of adressenlijsten van banken, logementen en apotheken, of titellijsten van alle Nederlandstalige boeken die in het voorgaande jaar waren verschenen, of besprekingen en overzichten van toneelstukken die het afgelopen jaar waren opgevoerd41, enzovoort.

De almanakmakers hebben ook oog voor literaire en andere modes. De populariteit van het sentimentalisme als

‘De zegepraal der mode’ was een vervolgserie in de Enchuyser almanach
nasleep van Rhijnvis Feiths
Julia
(1783) gaat aan hen niet voorbij: ook zij laten jongeren zwelgen in
verdriet aan het graf van hun geliefden.42 Veel heftiger nog is de bespotting van de (Franse)
mode om torenhoge kapsels te dragen. Het aantal spotprenten hierop, zowel
mooi uitgevoerde gravures als slordige houtsneden, loopt in de tientallen.
Niet minder intrigerend zijn de teksten die de nieuw verworven inzichten van
de fysiognomie uitdragen. Uitgever Arend Stubbe
uit Utrecht bracht in 1782 en 1783 zelfs een
Phisiognomische almanach, voor de beminnaars der
gelaat-kunde
op de markt.
Uit deze voorbeelden blijkt dat almanakken in de laatste decennia van de achttiende eeuw geen boekjes meer waren waarin de lezers oude kost, herkauwd en afgekoeld, werd voorgeschoteld. In de laatste paragraaf zal ik de diversiteit van het mengelwerk en de mogelijke waarde ervan voor verder onderzoek nog iets nader uitwerken.
Eerder gaf ik aan dat de volgorde van onderdelen in almanakken de hele eeuw door gelijk is gebleven, en dat de onderlinge diversiteit voortkomt uit de aard en samenstelling van het mengelwerk. Verantwoordelijk voor die samenstelling waren in eerste instantie de uitgevers. Zij bepaalden welke rubrieken en teksten in de almanakken opgenomen konden (of, in geval van privileges: mochten) worden. Sommigen specialiseerden zich in almanakken, zoals de Amsterdamse uitgevers De erven van de weduwe van Cornelis Stichter, H.A. Banse, Jan van Gulik en Joannes Roelof Poster. Zij brachten ieder tientallen almanakken op de markt. Ook zijn er netwerken van uitgevers te signaleren: mengelwerk van de ene uitgever bijvoorbeeld werd verkocht met de kalender van een ander. De politieke twist die Nederland in de jaren tachtig en negentig in twee kampen verdeelde, bracht ook uitgevers samen. Rond felle orangisten als Willem Coertse en J.F.J. d'Agé groepeerden zich debitanten uit het hele land.

Hoe groot de inbreng van de uitgevers was, blijkt uit het feit dat slechts weinig almanakken geheel door één auteur geschreven zijn.43 Kopij werd vaak geleverd door ‘correspondenten’ (in het geval van letterkundige almanakken waren dat opvallend veel vrouwen44), maar de uitgevers konden ook putten uit eigen fonds: passages uit boeken die zij eerder hadden uitgegeven, konden in almanakken hergebruikt worden. In de inleiding gaf ik al aan dat achttiende-eeuwse almanakken niet als ‘gezonken cultuurgoed’ beschouwd kunnen worden: de rol van de actualiteit

Een pastoraal tafereeltje, in: Sentimentele
tijdwijzer voor 1794
is daar te groot voor en ook de dichtkundige bijdragen zijn
eigentijds. Maar dat betekent nog niet dat alle teksten per definitie
origineel, dat wil zeggen, voor de eerste keer gepubliceerd zijn.45
De tweede factor van belang bij de samenstelling van almanakken was de doelgroep: alleen al aan de hand van de titels zou je de pluriformiteit van de Nederlandse samenleving kunnen reconstrueren: boeren, hoveniers, zeelieden, stedelingen, boekhandelaren, huishoudsters, kooplieden, schutters, galante heren, elegante dames, nieuwsgierige meisjes, verliefde jongens, hervormden, rooms-katholieken, joden, vrijmetselaars, vrijdenkers, henriquatres, theaterliefhebbers, orangisten, patriotten, bewoners van een bepaalde streek/ provincie, Franstaligen, de rij lijkt eindeloos. Het mengelwerk werd ter lering en vermaak, afhankelijk van de belangstelling van de doelgroep, samengesteld. Hierbij kan aangetekend worden dat, aan de hand van de onderzochte almanakken, de achttiende-eeuwse Nederlandse almanakken vooral geschreven lijken te zijn voor een burgerlijk publiek, voor geschoolde mensen; naarmate de eeuw vordert worden er meer en meer almanakken geschreven voor vrouwen en kinderen46. Onderzoek naar oplagen en verspreiding van almanakken zou meer aan het licht moeten brengen over het daadwerkelijk bereikte publiek.

Grofweg komen er twee soorten bijdragen voor in het mengelwerk: fictionele en niet-fictionele teksten. Het hele scala aan eigentijdse fictionele genres is in almanakken terug te vinden: gedichten en liedjes (gelegenheidswerk, liefdesgedichten, oden, airtjes, fabels), letterkundig proza (brievenromans, romances, kluchten), toneelstukken van binnen- en buitenlandse auteurs en ‘strooigoed’ (moppen, raadsels en dergelijke). De non-fictie manifesteert zich als informatief en/of belerend proza. De informatieve teksten variëren van spelregels voor kaartspelen tot de stand van zaken rond de burgerwacht in een stad, van recepten tegen ongedierte dat in boeken voorkomt tot levensbeschrijvingen van bekende Nederlanders. In de laatste decennia van de eeuw neemt het belerende aspect in belangrijkheid toe. Dergelijke teksten
krijgen vaak de vorm van een catechismus (vraaggesprek tussen een onwetend en een wijs persoon), en handelen over zaken als gezondheid en persoonlijke hygiëne, vaderlandse geschiedenis, de rechten en plichten van een Nederlands burger, kunsten en wetenschappen en dergelijke. De invloed van de ideologie van de Maatschappij Tot Nut van 't Algemeen, het eerste genootschap dat in Nederland een eigen almanak heeft uitgebracht47, is onmiskenbaar.
Het is aardig om te zien hoe een thema, bijvoorbeeld het landleven, in een
fictionele context een totaal andere uitwerking krijgt dan in een
informatief/belerende. Overvloedig is het aantal idyllisch-arcadische
gedichten en liedjes, vaak met een landelijk-liederlijke knipoog: de auteurs
hebben niets dan lof voor het goede leven op het land in al zijn simpelheid,
vol vrijages, natuur en vrijheid. Het meest bezongen jaargetijde is de
lente, omdat zij de dichters inspireert een ode te brengen aan hun
geliefden, die uiteraard niet Aagje, Mientje of Nellie heten, maar Aminta,
Ismene en Themire. Niet-fictionele bijdragen daarentegen worden geschreven
om stedelingen te wijzen op het zware leven op het platteland en op het
belang van de boerenbedrijven voor de nationale welvaart.

L'almanach de Hollande voor 1763 in een
geborduurd bandje

Etrennes des muses voor 1778 in een zijden
bandje gestoken
De boeren zelf worden aangesproken op hun verantwoordelijkheden.
Tevens zijn er teksten die ingaan op problemen als ziekte bij het vee of
brand in het hooi.48
Afrondend kan gesteld worden dat eigenlijk ieder aspect van de achttiende-eeuwse almanakken wel een dualistisch karakter heeft, of het nu op algemeen, conceptueel niveau is, of op specifiek niveau als thematiek in het mengelwerk. Zoals de Jonge Janus de Oude Janus jaar na jaar opvolgde, gebukt onder een erfenis, maar met nieuw elan, zo balanceerde de achttiende eeuw tussen een rijke voorganger en een veelbelovende opvolger, en van beide is de

De luie landman, in: Boerenalmanach voor
1800
invloed merkbaar. Maar hoezeer we ook kunnen proberen de almanak
als medium in te passen in de voortschrijdende Verlichting (althans zoals
wij die thans reconstrueren), één aspect was en bleef prominent:
ongecompliceerde, tijdloze humor. Eeuwenlang is in almanakken op dezelfde
wijze vorm gegeven aan humoristische bijdragen: moppen, raadsels, anekdotes,
ondeugende liedjes en verhaaltjes, satirische teksten. Dit maakt ze niet
alleen bij uitstek geschikt om constanten en variabelen met betrekking tot
(het gevoel voor) humor bij elkaar opvolgende generaties te reconstrueren,
het biedt bovendien de gelegenheid om met deze kleine, curieuze boekjes om
te gaan zoals ze bij uitgave bedoeld zijn: al bladerend erin lezen en af en
toe grinniken.