terug  begin  verderprepost
[p. 111]

‘Pracht en pronkstuk van het Nederlandsch Maecenaat’
Het Museum Catsianum van W.C.M. de Jonge van Ellemeet (1811-1888)

Hans Luijten

Op 3 september 1859 schreef Frederik Muller vanuit Amsterdam aan Johannes Tiberius Bodel Nijenhuis: ‘Dat Testament van Cats heb ik bij M. Nijhoff op diens M.S. veiling in April gekocht met alder andere stukken v. Cats voor ƒ400,- maar, ik heb ze weer (zeer goed) verkocht aan Jonkhr. de Jonge v. Ellemeet uit Middelburg. Dit kwam alles, Testament, Huishoudboek, plan v. Zorgvl. Ridder en Adeldiploma, brieven enz. uit den boedel der Gravin v. Bijlandt en was op een kasteel bij Breda sedert onheugelijke tijden bewaard door de dochter v. Cats, Anna [...].’1

Muller was niet de enige die belangrijke documenten en boeken van, over, of in verband met Jacob Cats (1577-1660) aan de Zeeuwse verzamelaar verkocht. De Jonge van Ellemeet begon aan zijn collectie catsiana als student en de periode waarin zij tot stand komt, nam op zijn minst 48 jaar in beslag. Aan het eind van zijn leven schonk hij de verzameling in haar geheel aan de Maatschappij.

De collectioneur en zijn verzameling

Willem Cornelis Mary de Jonge van Ellemeet werd op 5 mei 1811 geboren te 's-Gravenhage. Als enig kind van Marinus de Jonge en Maria van Outhoorn was hij reeds op zijn dertiende wees. Kort daarvoor maakte Pasquier de Jonge een miniatuurportret van hem.

Ellemeet volgde het gymnasium in Voorschoten en liet zich in 1829 inschrijven als rechtenstudent te Utrecht, waar hij een luxueus leven leidde. Hij bezat een rijk gemeubileerd huis aan de Voorstraat, eigen rijtuigen, paarden en honden, en maakte reizen door Europa. Uit het eind van zijn studietijd dateert een portrettekening van Cornelis Kimmel waarop Ellemeet zelfbewust is weergegeven. In 1839 promoveerde hij en trouwde met zijn achternicht jonkvrouw Wilhelmina Cecilia Petronella de Jonge (1816-1879). Uit het huwelijk werden acht kinderen geboren.

De Jonge van Ellemeet bekleedde verschillende bestuurlijke taken: hij was onder meer burgemeester van Oostkapelle (1841-1853), lid der Gedeputeerde Staten van Zeeland en van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Op 1 juli 1888 overleed hij te Oost-

illustratie



illustratie
De Musea uit 1870 en 1887

[p. 112]

kapelle in Huize Overduin. Het buiten met zijn prachtige tuin staat er nog steeds aan de Dunoweg.2



illustratie
De 27-jarige student

De familie De Jonge behoort tot een oud Zeeuws geslacht, dat teruggaat tot de vijftiende eeuw. Het is denkbaar dat dit een van de drijfveren is geweest voor het zo geestdriftig verzamelen van werken en documenten die met de dichter en staatsman uit Zeeland te maken hebben. Maar ook de omstandigheid dat het gezin drie jaar op Zorgvliet - het huidige Catshuis - woonde, kan van invloed zijn geweest.3 Bovendien is er vanaf de jaren twintig sprake van een nationale opleving in de belangstelling voor Cats: er verschijnen nieuwe uitgaven, bloemlezingen en studies van diens werk, en Brouwershaven krijgt een groots standbeeld. Daar komt bij dat het verzamelen Ellemeet blijkbaar in het bloed zat. Naast de Cats-collectie bracht hij honderden aquarellen bijeen en stond hij bekend als kweker van zeldzame agaven.4

 

Twee keer, in 1870 en 1887, verscheen er een catalogus getiteld Museum Catsianum , die Ellemeet voor eigen rekening uitgaf. De boeken kwamen niet in de handel maar werden geschonken, nadat ze eigenhandig door de ‘directeur’ waren gesigneerd. Beijers gaf de eerste catalogus uit, Nijhoff de tweede, en in beide zijn de literaire werken, de documenten en (overige) rariora gesplitst. Een inhoudsopgave ontbrak in 1870, maar het boek was redelijk overzichtelijk opgebouwd: werken van Cats; geschriften waarin werk van hem voorkomt; boeken of geschriften die op hem betrekking hebben; handschriften, diploma's en andere documenten tot aan zijn overlijden; afschriften van octrooien;

illustratie
De Jonge van Ellemeet op twaalf-jarige leeftijd

stukken over de boedel en de verdeling onder de erfgenamen; en portefeuilles met tekeningen van en naar de illustraties in Cats' werken. Aan het eind volgden een opsomming van de aankopen nadat de catalogus was gedrukt, enkele aantekeningen en een overzicht van alle opgenomen boekuitgaven. De tweede catalogus, nu met inhoudsopgave, volgde de bovenstaande opzet. De portefeuilles werden echter uitgebreid met kaarten, medailles en curiosa, één afdeling bevat inmiddels alle tekeningen en in een aparte afdeling kreeg de correspondentie rondom het Museum een plaats.5

Ellemeet blijkt maar weinig te hebben weggegooid. Naast de vele brieven en kaartjes geven de overgeleverde rekeningen van de boeken evenals die rondom de eerste catalogus een goed inzicht in de contacten en de bestedingen. Alleen al in 1870 werd bij antiquariaat Beijers voor ƒ907,61 besteld. De rekening voor de vierhonderd exemplaren van het Museum ontving de opdrachtgever enkele weken daarna. Het totaal bedroeg ƒ1087,95 waarbij het papier de grootste onkostenpost vormde: de 22 riem papier kostte ƒ440,-; het drukken, inclusief voor- en nawerk: ƒ376,-.6 De uitgave, op ‘best English toned paper’, was dan ook royaal opgezet.

Ellemeet stuurde genummerde exemplaren naar verschillende personen en instanties. Hoogwaardigheidsbekleders, boekhandelaren, literatoren, vrienden en bibliothecarissen waren, zoals velen lieten weten, aangenaam verrast door de gift. Ook leesgezelschappen en maatschappijen zoals Arti, Tot Nut van 't Algemeen, Felix Meritis, het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap en de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, ontvingen een

[p. 113]

exemplaar.7 Zij die niet hadden gereageerd kregen later een briefkaart ter controle, zodat menigeen zich alsnog geroepen voelde te bedanken voor het geschenk. Sommige excuses werden, om een extra beroep te doen op begrip voor de omissie, gemaakt op rouwpapier.

Het Twaalfde Taal- en Letterkundig Congres van de Maatschappij, waarvan Ellemeet voorzitter was, werd in de zomer van 1872 te Middelburg gehouden. Zo'n honderd vooraanstaande deelnemers aan het congres kregen een uitnodiging zijn landgoed Overduin te bezoeken en ook daar werden catalogi uitgedeeld.8

De meeste complimenten in de reacties betroffen de kennis, oordeelkundigheid en vlijt van de verzamelaar. Tevens waren er waarderende woorden voor de moeite, tijd en niet te vergeten het geld dat hij er voor over had gehad; zijn professionele en ruimhartige opstelling maakte hem tot voorbeeld voor anderen. Na enige tijd kwamen reacties los in kronieken en tijdschriften waarin bezitters van catsiana verslag deden van de varianten in hun eigen exemplaren.9 Uit de lijst van aankopen die werd toegevoegd nadat de catalogus was gedrukt, valt op te maken dat Ellemeets verzameldrift niet bepaald afnam. In De Navorscher van februari 1872 somde hij nog eens het ‘aanzienlijk cijfer nieuwe bijdragen’ op dat hem tussen 1870 en 1872 was ‘toegevloeid’.10

Hij kocht zoveel mogelijk beschikbare edities, vertalingen (in het Duits, Frans, Engels en Deens) en afwijkende exemplaren van dezelfde druk, waardoor het Museum boekhistorisch waardevol materiaal bevat. Er is van de octavo-editie Al de werken van Jacob Cats bijvoorbeeld een exemplaar op zwaar en één op gewoon papier.11 Het ene heeft een omslag in rood, het andere in paars, met in het midden van het voorplat een reliëf-medaillon van het portret van Cats en profil. Op de rug van de beide fraaie bandjes staat een verguld portret van Cats, gebaseerd op de prent die naar het standbeeld in Brouwershaven is gemaakt.12 We weten dat deze uitgave vanaf maart 1870 in tien maandelijkse afleveringen (à ƒ0,15) werd verkocht, doordat het omslag van de eerste aflevering voorin is ingeplakt.13



illustratie
Rekening van antiquariaat Beijers; 1 januari 1871

Het is lastig te achterhalen wat na de publikatie van de eerste catalogus aan boeken is verworven, omdat de beschrijvingen daarin vaak summier en onvolledig zijn. Ik schat dat het aantal werken van Cats zelf met een kwart is uitgebreid. Vooral werken uit de kring rondom Cats (met daarin gelegenheidspoëzie van hem) en vele recente studies werden nog aangekocht; daarnaast werd er beslag gelegd op enkele nieuwe documenten en brieven. Tot op het het laatst van zijn leven bleef Ellemeet kopen. Op de valreep verwierf hij de monumentale eerste druk van Alle de wercken uit 1655.14

De documenten

Het grootste gedeelte van de documenten heeft betrekking op het wel en wee van de erfgenamen van Cats, tot ver in de achttiende eeuw. Het gaat vooral om notariële stukken: processtukken,

[p. 114]

extracten van resoluties, koopsommen, contracten en uittreksels van pachten. Dit deel van de verzameling werd in 1869 nagenoeg geheel uit de collectie-Risseeuw verworven.

Op de aard en het belang van enkele stukken ging J.G. Frederiks kort na Ellemeets dood in. Hij beklemtoonde de genealogische en cultuurhistorische waarde van de nalatenschap, reconstrueerde hoe de zaken verliepen rondom de aandelen en opbrengsten in de Engelse bedijkingen en inpolderingen, en gaf enkele correcties.15 Ook bracht hij het diploma ter sprake waarmee Cats door Karel i te Westminster in het ridderschap was verheven. De met Carolus rex ondertekende adelsbrief (gedateerd 26 januari 1627) is voorzien van een imposant waszegel. Wat verder opvalt is dat de omlijsting, versierd met dieren en planten, nooit is ingekleurd. Dat is wel het geval met de oorkonde waarin Cats' wapen op 1 februari 1629 officieel werd bezegeld.16



illustratie
Jacob Cats, Al de werken, ca. 1870

Onder de documenten bevindt zich verder het geruchtmakende testament van Cats waaruit men kan opmaken dat hij als miljonair is gestorven, evenals het tot de verbeelding sprekende keukenboekje uit 1651. Ellemeet dacht dat het van Cats zelf was, maar Frederiks toonde al aan dat het de administratie bevat van het huishouden toen Cats als gezant in Engeland zat. Deze geldelijke verantwoording van Cats' beheer werd bijgehouden door Willem en Catharina Havius. Het geeft een

illustratie
Jacob Cats werd in 1627 door Karel i in de ridderschap verheven

verrassende kijk op wat voor soort produkten werd aangeschaft, de gangbare prijzen en alledaagse gebruiken in het midden van de zeventiende eeuw.17 Op de hier afgebeelde pagina, die van 7 maart, is rechtsonder te lezen:

grutten meel 6 1/2 st[uivers] een pond seep 0-10-0
een Bos Besemen 11 st. mostert 0-12-0
t saeterdaegs wijfien 2 st. 0-2-0
voor darme luyden aen de deur 0-6-0

Ellemeets waardeoordeel over de roerende brieven die Cats' dochters Anna en Elisabeth naar hun vader in Londen stuurden, voorzag Frederiks eveneens van commentaar. Ellemeet vond namelijk het briefje van Anna ‘nog beneden hetgeen een tienjarig kind uit den boerenstand ten platten lande, thans zou leveren’, waarop Frederiks sneerde: ‘Over Anna's stijl en spelling had de verzamelaar het volkomenste recht om verontwaardigd te zijn, maar of de jonkvrouwen van Overduin op twaalfjarige leeftijd konden wedijveren met Lisabeth Cats is nog zoo heel zeker niet.’18

[p. 115]

De boeken, tekeningen en prenten

Ellemeet heeft vanzelfsprekend weinig systematisch kunnen zoeken en verzamelen, waardoor het overzicht niet helemaal compleet is. Een betrouwbare, descriptief-analytische bibliografie mag van hem ook niet worden verwacht. Trouwens, aan de gecompliceerde drukgeschiedenis van Cats' werken heeft zich tot op heden niemand gewaagd. Ondanks de onvolledigheid zal de Leidse verzameling hiervoor hoe dan ook het pièce de resistance vormen.19 De meest uiteenlopende edities van de verschillende uitgaven werden immers verzameld: van polyglottische, dure eerste drukken tot uitgaven die voor steeds grotere bevolkingsgroepen toegankelijk en betaalbaar waren: citaatloos, met alleen de Nederlandse teksten en in onmiskenbaar goedkope uitvoering. Het gaat om edities met variaties in formaat, papier, typografie,

illustratie
Cats' huishoudboekje uit 1651, p. 10-11



illustratie
Cats' wapen werd in februari 1629 officieel bezegeld

illustraties et cetera, waardoor er op den duur voor elk wat wils was, voor de maatschappelijke bovenlaag en voor de sociaal lager geplaatsten.20

Ellemeet kreeg in oktober 1864 een - in zijn woorden onschatbaar en ‘allermerkwaardigst’ - exemplaar van de Spiegel vanden ouden ende nieuwen tijdt ('s-Gravenhage 1632) ten geschenke van de hoogleraar Johannes van Vloten.21 Hij vond het een ‘sieraad mijner verzameling’. Van Vloten verhaalt dat hij het boek begin 1861 bij Kemink & Zn. te Utrecht ‘voor weinige stuivers meester’ werd. Het zag er onooglijk uit. Het boek had waterschade, de perkamenten band was half vergaan en er stonden veel handschriftelijke aantekeningen in. Had men er wat beter naar gekeken ‘men zou alras de hand van den beschryver herkend, en er die van Cats zelf in gevonden hebben [...]. Het is het exemplaar, dat den

[p. 116]



illustratie
Door Cats geannoteerd exemplaar van de eerste druk van zijn Spiegel uit 1632



illustratie
De herziene tweede druk van de Spiegel met de doorgevoerde wijzigingen

dichter gestrekt heeft, om er de bijvoegselen en veranderingen voor latere drukken in aan te geven, van welke in die drukken echter slechts gedeeltelijk gebruik is gemaakt.’22

Dit exemplaar is werkelijk een uitermate belangrijke bron waaraan men kan zien hoe Cats werkte. Het bevat enerzijds correcties voor de tweede editie die nog hetzelfde jaar bij Isaac Burchoorn zon verschijnen en lijkt anderzijds als notitieboek voor vele nieuw gevonden citaten te hebben gediend. Cats noteerde (voor eigen gebruik) citaten uit de klassieke en Franse literatuur, met naar het zich laat aanzien Ronsard als favoriet. Er zijn nieuwe Nederlandstalige motto's, stilistische ingrepen en enkele aangepaste bronvermeldingen van - vooral antieke - verwijzingen. Het boek wacht nog altijd, hopelijk niet te lang, op een nauwkeurig onderzoek.

Uniek zijn voorts enkele ingekleurde werken. Hoogtepunt vormt een convoluut van enkele werken van Cats die zijn ‘Affgeset Door M.F.H. vander Ley. Ao 1641’. Hieronder zijn de bundels Proteus ofte minne-beelden verandert in sinne-beelden . Rotterdam 1627, met een openingsembleem over een doorgehakte aal, en Self-stryt . Middelburg 1625, met zijn dramatisch-verhalende titelprent. De kleuren zijn opmerkelijk fris gebleven. In 's Werelts begin, midden, eynde, besloten in den trou-ringh, met den proefsteen van den selven . Dordrecht 1637, is de inkleuring iets minder spectaculair, hoewel de illustratie bij het ‘Verschil tusschen de Liefde en de Dood’ alleszins geslaagd is. Cupido staat er met zijn fakkel in stelling tegenover de Dood, die een schedel vasthoudt.23

De bibliotheek van Cats moet uiteen zijn gevallen, zoals is op te maken uit een paar summiere, testamentaire, aanwijzingen. De meeste boeken werden verdeeld tussen de vijf zonen van

[p. 117]

‘de Heer en Vrouwe (Anna) van Waernhout, - den Heer van Slingelandt, Baljouw van Suijthollandt, en Jacob Havius, elk naar zijne keuze’.

De verzameling bevat verder vele voortekeningen van Adriaen van de Venne, Cats' vaste illustrator. Meer dan eens wijken die ontwerptekeningen (in details) af van de prent, zoals onder meer te zien is op die voor het tweede embleem in de Maechden-plicht . Op de uiteindelijke gravure verdwijnt de vliegende minnegod boven de fuik, hier gebruikt als zinnebeeld voor het huwelijk; eenmaal erin kun je er niet meer uit, dus trouw niet te overhaast, zo luidt de toepassing.24 Ook zijn er enkele losse prenten, waaronder het sprekende portret van Cats door Pieter Dubordieu dat later opgenomen zou worden in sommige exemplaren Alle de wercken .25 De serie gezichten op Zorgvliet bevat onder andere een gravure ‘Een der schoonste gesigten van 't vermaarde perk van Sorgvliet’, onderdeel van het noordwestelijk deel: zij is van Johannes vande Avelen en Nicolaas Visscher. Een van de drie in het Museum aanwezige reeksen is ingekleurd.26

De herkomst en de tipgevers

In de Algemeene konst- en letterbode van 21 mei 1841 gaf D. Groebe een beschrijving van zijn Cats-verzameling. Zij was afkomstig uit de boekerij van T.B. Groebe, boekhandelaar te Amsterdam. Op Groebes overzicht kwamen reacties en aanvullingen, en drie afleveringen later pleitte G. Lauts voor een completere en betere bibliografie.27 Binnen dit klimaat van toenemende belangstelling is Ellemeet begonnen met collectioneren. Hij is het die de boeken van Groebe verwerft en van deze aankoop van veertig werken en werkjes van Cats moet een beslissende stimulans zijn uitgegaan. Hier ligt de basis van het Museum.28

Van een groot deel van de boeken, documenten en tekeningen blijft het de vraag hoe en wanneer het in Ellemeets bezit is gekomen. De eerste catalogus bevat soms wel aanduidingen als: ‘uit de collectie van’ en ‘gekocht op de veiling van’, maar er zijn veel gevallen waarbij geen vermelding van de herkomst wordt genoemd. Af te leiden is dat naast de Groebe-verwerving de

illustratie
Embleemprent 1 in J. Cats, Proteus, Rotterdam 1627



illustratie
Titelprent van J. Cats, Self-stryt, Middelburg 1625

[p. 118]



illustratie
Prent op p. 709 in J. Cats, 's Werelts begin, Dordrecht 1637

volgende aankopen van groot belang zijn geweest: die van J.E. Risseeuw te Oostburg, verkoping in 1869;29 die van A.G.A. Ridder van Rappard op 13 november 1869, geveild bij Beijers;30 en de collectie-J. Meulman, verkocht door F. Muller en M. Nijhoff op 22-27 november 1869 te Amsterdam.31 1869 was dus een topjaar. Gekocht werd verder bij Weddepohl en op de veilingen van onder meer Van Doorn, Van Stockum & Zn., De Vries en Schepper.

Ellemeet noemt enkele van zijn informanten en leveranciers, met name ‘Den kundigen, en zóó bij uitstek humanen en belanglozen boekhandelaar Johannes Muller Senior’, F. Muller en W.J. Mees (Amsterdam), Nijhoff en Jacob (Den Haag), Beijers (Utrecht), Moone (Delft), Vyt (Gend), Vis Blokhuijzen (Rotterdam), Landtsheer en Van Benthem & Jutting (Middelburg), evenals Eekhoff (Leeuwarden). Andere behulpzame tipgevers komen naar voren in de brieven die naar Oostkapelle werden gestuurd. Een erg belangrijke informant was A.J. Bakhuizen.

Muller en Beijers brachten herhaaldelijk adviezen uit en gaven door wat er op welke aucties werd aangeboden.32 Vooral Beijers betoonde zich jarenlang gedienstig. Voordat hij in 1872 zijn nieuwe catalogus rondstuurde, kreeg Ellemeet de eerste keus - de catsiana

illustratie
Gegraveerd portret van Cats door M. Natalis naar P. Dubordieu

waren alle op voorhand aangemerkt.33 Ongehoord rijk was het aanbod destijds. Negen jaar eerder had Beijers maar liefst 27 werken van Cats in de aanbieding (de verkoop was op 27 oktober

[p. 119]

1863). Ellemeet maakte aantekeningen en noteerde prijzen in zijn exemplaar voor ‘eigen gebruik’. Keer op keer bevestigt de nalatenschap dat de Utrechtse veilinghouder woord hield toen hij op 16 december 1872 schreef: ‘Ik blijf steeds een oog houden op al wat naar Cats riekt.’34

De commentaar van Ellemeet in de catalogus

Een groot voordeel is dat de meeste manuscripten zijn afgeschreven of dat pogingen zijn ondernomen. Soms staat er een opgave van de inhoud of een samenvatting. Het afschrijven gebeurde voornamelijk door Ellemeet zelf, deels door zijn zonen en deels door H.M. Kesteloo, secretaris en ontvanger van de gemeente Domburg.35 Op sommige plaatsen in de catalogus klinkt de stem van de verzamelaar op. Treffend karakteriseerde hij bijvoorbeeld Cats' bitse brief aan zijn nicht Jacobina als ‘onmalsch’ en noemde hij een van de liederen in een verzamelhandschrift ‘vrij équivoque’.36

Bij de boeken ging zijn aandacht vooral uit naar de prenten en hun

illustratie
Het tweede embleem in J. Cats, Maechden-plicht, Middelburg 1618



illustratie
Gekleurde voortekening van A. van de Venne voor het embleem ‘Infectum petitur’

makers, de kwaliteit van het papier en afwijkingen in de paginering. Enkele boeken werden summier gecollationeerd en verscheidene kregen de aanduiding ‘zeldzaam’ of ‘zeer zeldzaam’, maar een goed overzicht van de uniciteit van bepaalde uitgaven kon hij niet altijd hebben. Een enkele keer liet hij zich gaan en merkte hij euforisch op ‘Prachtexemplaar’, noemde het opheffen van een reeks ‘Groot Jammer!’, beoordeelde afbeeldingen als ‘afzigtelijk’, ‘zeer slecht geslaagd’ of ‘koddig’, en moest bemerken dat een editie van de Trouwring uit 1806 op ‘keukenpapier’ was gedrukt: ‘In één woord eene allerslordigste schooluitgave’.

Niet alles wat in de catalogus staat, is nog aanwezig. François Schillemans' prent van de Nationale Synode te Dordrecht die werd gedrukt op ‘ligt gele zijde’ is inmiddels zoek. Cats schreef op deze Synode een gedicht en Ellemeet liet zich naar aanleiding hiervan, bij uitzondering, een ondubbelzinnige opvatting over zijn eigen starre tijd ontvallen:

Aldus zong en jammerde de man, ruim twee eeuwen geleden, dien men noch van ongeloof, noch van
[p. 120]
modernisme, zal verdenken. Inderdaad, wie op Walcheren bijna een halve eeuw woont, zal met mij instemmen, dat ware Cats heden weder op Munnikenhof, bij Grijpskerken, woonachtig, hij den geest van leerstellige godsdienstzin, zonder Christelijke godsvrucht, uit zijn' tijd zou terugvinden. Op Walcheren, waar, gelijk een predikant te Genève mij vroeger eens zeide, toen ik hem den toestand onzer Kerk, trachtte af te schilderen, ‘on paraît être plus Calviniste que Calvin lui-même’.37


illustratie
Brief van J.R. Thorbecke, 17 augustus 1870

Varietas delectat

Wat direct opvalt aan de verzameling is haar diversiteit. Wanneer men door het museum wandelt, openbaart zich niet alleen zijn rijkdom, maar dienen zich ook aardige details aan. Behalve de reeds genoemde bonte verzameling documenten en boeken is er het eikehouten wapen van Cats, afkomstig van de kerkbank te Groede (in Zeeuws-Vlaanderen). Een replica van dit wapen is nog altijd te zien op de kerkbank van de familie

illustratie
J. van de Avelen, ‘Het noordwestelijk deel van Sorghvliet’

in de Nederlands Hervormde Kerk te Groede, waar Cats in 1616 kerkmeester was geworden.38

Ook andere opmerkelijke details zijn er te vinden. Beijers liet weten dat hij voor de catalogus zo graag het nieuwe Elsevier-lettertype zou willen gebruiken39; Christiaan Kramm, de ontwerper van de gedenksteen van Cats, schreef op 24 september 1870: ‘Later heb ik als iets curieus gevonden dat op Zorgvliet, de buiten luiken der kruisramen aan de binnen zijde met zinne-beelden in het graauw (Camaieux) door A. van de Venne beschilderd waren’;40 en het blijkt dat Ellemeet boeken, waaronder natuurlijk van Cats, naar de bibliotheek in Bloemfontein stuurde, ten behoeve van de ‘Hollandsche boeren in den Oranjevrijstaat’.41 De catalogus heeft ook lexicografisch een enkel spoor nagelaten. De tweede uitgave van het Museum diende namelijk als bron voor de makers van het Woordenboek der Nederlandsche taal .42

In 1887 vindt men in het boek (nog steeds) geen enkele toelichting, kennelijk omdat het niet in de handel kwam.43 Wel is bij wijze van voorwoord, en niet zonder trots, een korte brief van Thorbecke afgedrukt. De staatsman citeerde in een lovende reactie

[p. 121]



illustratie
Het bericht over de overdracht van het Museum in De Nederlandsche spectator van 1887

Horatius' Ode iii, 30 om de onsterfelijke waarde van de verzameling uit te drukken: hij noemde haar een monumentum aere perennius, een gebouw duurzamer dan brons. De oorspronkelijke brief uit 1870 is zorgvuldig bewaard gebleven.

De overdracht

Over de overdracht van de collectie wordt voor het eerst bericht in De Nederlandsche spectator . Tijdens de jaarvergadering van 16 juni 1887 zegt Ellemeet dat hij na ‘rijpe overwegingen’ het, aldus de notulist, ‘schoone geheel, dat hem zoo na aan het hart ligt’ aan de Maatschappij wil aanbieden. De voorzitter bedankt daarop de edele en edelmoedige gever ‘in de warmste bewoordingen’.44

In het daarop volgende nummer drukt het blad een illustratie af, gemaakt door Johan Michael Schmidt Crans. Te zien is hoe Ellemeet een met torens gekroonde maagd de hand schudt. Zij zal, gelet op het onderschrift waar ze als ‘Letterkunde’ sprekend wordt ingevoerd, de gepersonifieerde Maatschappij voorstellen. Op haar kleed staat het wapen van de stad Leiden. Dankbaar neemt zij de schenking in ontvangst.45 Hoofd en kleding van de schenker, inclusief het speldje op de revers, is gemodelleerd naar een portretfoto op latere leeftijd.46

De plechtige overdracht werd verricht op 5 november 1887. De Spectator bericht: ‘Aandoenlijk was het te zien hoe de grijze verzamelaar en schenker van deze eenige collectie, als voor het laatst, terwijl zij noch zijn eigendom waren, die fraai gebonden boekdeelen, of die opmerkelijke handschriften enz. ter hand nam en de bizonderheden er van aan de aanwezenden verklaarde.’47

 

Tussen 1850 en 1860 is De Jonge van Ellemeet de rijkste man van Zeeland. De jaren daarna staat hij op de tweede en vierde plaats.48 Vanwege zijn financiële armslag kon hij veeleisend zijn en de kostbare verzameling weerspiegelt dit. Zij bevat tevens onschatbare informatie over het leven en werk van Cats, en is daarmee boek-,

[p. 122]



illustratie
Jhr. Mr. W.C.M. de Jonge van Ellemeet 1811-1888

cultuur- en literairhistorisch van groot belang. Daarnaast vormt zij een mooi voorbeeld van verzamelen op een specifiek gebied in de tweede helft van de negentiende eeuw, van de wijze waarop met het beschikbare materiaal werd omgegaan en hoe dit werd gewaardeerd. Joan Roëll prees op 26 oktober 1887 de tweede uitgave van het Museum Catsianum en daarmee de verzameling van de Zeeuwse aristocraat met weidse, maar ware woorden. Niet ten onrechte noemde hij haar een ‘Pracht en pronkstuk van het Nederlandsch Maecenaat’.49

1Museum Catsianum. Verzameling van W.C.M. de Jonge van Ellemeet 1839-1870. Utrecht 1870, en W.C.M. de Jonge van Ellemeet, Museum Catsianum 1837-1887. Tweede verm. uitgave. 's-Gravenhage 1887. Het Museum Catsianum wordt hierna afgekort als mc 1870 en mc 1887. Het citaat in doos losse nummers, 1; zie ook mc 1887, 39, nr. xiv.

2Biografische gegevens in F. Nagtglas, Levensberichten der afgestorvene medeleden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde 1889, p. 57-70; F. Nagtglas, Levensberichten van Zeeuwen. Middelburg 1890, i, p. 491-502, i.h.b. 495-497; Nieuw Nederlands biografisch woordenboek. Leiden 1912, ii, k. 638-639; W. Wijnaendts van Resandt, Geschiedenis en genealogie van het geslacht De Jonge uit Zierikzee van pl.m. 1420 tot heden. Met tien stamtafels, bijlagen en talrijke platen. S.l. 1924, i.h.b. p. 149-153 en stamtafel i, de tweede tak van Ellemeet; en Encyclopedie van Zeeland. Middelburg 1982, ii, p. 109.
3Ellemeet berichtte op 14 oktober 1870 aan C. Kramm dat het gezin rond 1820 op Zorgvliet heeft gewoond (vgl. noot 40 hieronder).
4Een verkoop van deze tropische vetplanten werd aangekondigd voor 22 september 1873: Catalogue de la collection [...] d'agaves, fourcroya's et beschorneria's [...] (Provinciale Bibliotheek Zeeland (hierachter afgekort als pbz), in envelop op persoon). Het is echter niet zeker of hij daadwerkelijk is doorgegaan; zie: G.G. Trimpe Burger-Mekking, ‘Willem Cornelis Mary de Jonge van Ellemeet, burgemeester van Oostkapelle, een opmerkelijk man uit de negentiende eeuw’, in: Nehalennia 93 (lente 1993), p. 2-9, i.h.b. 7-9 en noot 25-26. Een bewerking van een artikel van K. Koch roemt de verzameling planten, met name de cactussen, en ‘overal heerschte zuivere, Oud-Engelsche smaak’. Zie: L. Mulder, ‘Het oordeel van een buitenlandschen deskundige over het eiland “Walcheren”, en vooral over het landgoed “Overduin” van Mr. De Jonge van Ellemeet’, in: Tijdschrift ter bevordering van Nijverheid 5 (10e stuk) 1864. Citaat op p. 5 (Overdruk pbz, sign. Mag. 437 A 102).
De verkoopdagen van de aquarellen (in totaal 578 nrs.) waren 29-30 april en 28 oktober 1890, dus na Ellemeets dood. Zie: Aquarelles. Catalogue du cabinet important formé par feu Jhr. W.C.M. de Jonge van Ellemeet. Twee dln. Amsterdam 1890. (pbz, sign. Mag. 126 E 43 én 311 A 47). Er was werk van o.m. Josef Israëls, Johannes Bosboom, Césare dell' Acqua, David Bles, B.C. Koekoek, Anton Mauve, Herman ten Kate, en H.R. Zimmerman. Het werk van Israëls en Bosboom bracht het meeste op (zoals een krantebericht destijds vermeldde). De bibliotheek van Ellemeet (2147 nrs.) werd geveild bij Beijers te Utrecht tussen 21-26 januari 1889: Catalogue de livres anciens et modernes... (pbz, sign. 439 161 C).
5Heel wat brieven zijn op andere plaatsen beland: in dozen met losse nummers, in mappen en in diverse boeken.
6Ook de bindkosten waren niet gering. Voor vijftig uur extra correctie werd ƒ10,- gerekend. Deze rekening was al eerder, in oktober 1870, verstuurd. Er bestaat een lijst van verstuurders en een (advies?)lijst van A.M. Ledeboer (zie map ix, doos iii).
Tussen de dankzeggingen zitten vele nota's met de prijzen van de afzonderlijke boeken en kavels (Alle de wercken uit 1658 moest ƒ55,- kosten). Slechts één keer vermeldde Ellemeet in de catalogus zelf een bedrag: in 1870 betaalde hij op de veiling A.G. de Visser te Den Haag ƒ47,30 voor een portret ( mc 1870, 179).
7In het exemplaar dat Alex Ver Huell kreeg toegestuurd, zit een voorbedrukt vel met de vermelding ‘Aangeboden uit achting’. Ellemeet zond eveneens een boek, voorzien van een speciale opdracht, naar Cats' geboorteplaats Brouwershaven. Beide boeken in het archief te Brouwershaven. Men bewaart hier enkele tekeningen van Jacobus Ludovicus Cornet. Het gaat om Cats als oude man, gezeten op een bankje, en een schets van de dichter op Zorgvliet.
8P. Alberdingk Thijm denkt lange tijd later met genoegen terug aan het bezoek (brief 24 oktober 1887) en de boekdrukker J.C. Altorffer schreef Op ‘Overduin’. Herinneringen van een congreslid aan den zesden september 1872. Middelburg 1873. Met enkele foto's en illustraties, en gevolgd door twee feestdronken (pbz, sign. Mag. 439 C 29). Nagtglas 1889 (op.cit., noot 2), p. 67-68 citeerde uit lofdichten van Schaepman, Conscience en Beets.
9Zo wees B.J.L. de Geer van Jutfaas op een onuitgegeven gedicht - een opdracht van Cats voor zijn nicht Schilders - in zijn eigen exemplaar van de Trou-ringh (1657). Zie: Kroniek van het Historisch Gezelschap, gevestigd te Utrecht. Zesde serie, eerste deel, 26 (1870) p. 389-390.
10 mc 1870, 174-179. De navorscher jrg. 22. Nieuwe serie; vijfde jaargang, p. 68-75. Van deze lijst van 39 nieuwe nummers bestaat ook een afzonderlijk uitgaafje. In 1873 verscheen bovendien bij J.-E. Buschmann, Rijnpoortvest te Antwerpen, een tien pagina's tellend Uittreksel uit het Museum Catsianum. Vgl. mc 1887, 39, nr. xv.
11Met eene levensbeschrijving van den dichter. Volks-uitgaaf. Schiedam, H.A.M. Roelants. S.a.. Vgl. mc 1887, 20 en 21.
12Bijgebonden in het exemplaar ubl 1018 B 7 is ‘Feestviering bij de ontsluijering van het standbeeld van Jacob Cats [...] opgericht te Brouwershaven den 11den december 1829’, uitgegeven door het bestuur van het departement Schouwen der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Amsterdam 1830. Een prent naar het standbeeld van P. Parmentier gaat eraan vooraf, ondertekend door de ontwerper Walraad Nieuwhoff en de maker Adriaan Prince.
13Een advertentie in de Haarlemse Courant van 6 januari 1870 nodigde uit tot voorintekening. In het exemplaar 1018 D 3 is tevens een sticker ingeplakt van de Middelburgse boekhandelaar ‘Van Benthem & Jutting, op beziens, de prijs is ƒ1,90.’ Kennelijk kostte de band en het inbinden dus ƒ0,40. Geheel achterin zit een karikatuurprentje: ‘Concurrentie Vader Cats ƒ1,40.’ De firma Van de Beek in de Amsterdamse Reguliersbreestraat drijft hier de spot met het kleine lettercorps in de editie. Zij blijkt nog duizend exemplaren van de uitgave Vader Cats door W.J. Hofdijk op voorraad te hebben en biedt dit luxere en in grotere letter gezette werk een dubbeltje goedkoper aan. Vgl. mc 1870, 23, nr. 18. Zie voor deze reclamestunt ook: L. Kuitert, Het ene boek in vele delen. De uitgave van literaire series in Nederland 1850-1900. Amsterdam 1993, p. 120.
14 mc 1887, 33 (‘bijvoegsel’).

15J.G. Frederiks, ‘Jacob Cats en zijne omgeving, naar aanleiding van de handschriften in het Museum Catsianum’, in: Oud Holland 7 (1889), p. 169-188 en 241-265. Over de tijd dat Cats raadpensionaris was: W.E. de Boer-Meiboom, Archief van Jacob Cats, 1634-1651 (voorlopige inventaris). 's-Gravenhage 1977. In 1920 kocht het rijksarchief in Zeeland nog een aantal stukken; zie: A. Meerkamp van Embden, Nieuw gevonden brieven van Jacob Cats en zijn familie. Middelburg 1927.
16Beide naar Engelse tijdsberekening. Frederiks 1889 (op.cit., noot 15), p. 187-188; H. Smilde, Jacob Cats in Dordrecht. Leven en werken gedurende de jaren 1623-1636. Diss. Amsterdam. Groningen [etc.] 1938, p. 34; en D. ten Berge, De hooggeleerde en zoetvloeiende dichter Jacob Cats. 's-Gravenhage 1979, p. 103. Van het wapendiploma is een kladversie bewaard gebleven. Vgl. mc 1870, 67 en 71-72; mc 1887, 50 en 53.
17Portf. 36, nieuw nr. 45. mc 1887, 60; Frederiks 1889 (op.cit., noot 15), p. 249, 252-253 en 263; Ten Berge 1979 (op.cit., noot 16), p. 163. Een andere, losse, rekening in het boekje bevestigt dat het de hand van Havius is.
18 mc 1870, 85; Frederiks 1889 (op.cit., noot 15), p. 180. Cats verbleef tussen maart en augustus 1627 in Londen. Anna was toen vijftien jaar, Elisabeth negen.
19Een aanzet in Ten Berge 1979 (op.cit., noot 16), p. 226-262. Vgl. voor Cats' embleemboeken: J. Landwehr, Emblem and fable books printed in the Low Countries 1542-1813. A bibliography. 3rd edition. Utrecht 1988, p. 70-90. Een flink deel van de Leidse verzameling was tentoongesteld in Brouwershaven en Middelburg in 1977; er verscheen een bescheiden catalogus met als titel Vier eeuwen Jacob Cats.
20Sommige uitgaven van Cats stonden bekend onder de naam ‘Boerenbijbel’, omdat ze in geen boerengezin leken te ontbreken en naast de bijbel een vaste plaats had verworven (Aantekening van P.J. Meertens in diens nalatenschap, pbz). Vgl. ook Smilde 1938 (op.cit., noot 16), p. 147. Als Cats in zijn emblematische spreekwoordenverzameling Spiegel vanden ouden ende nieuwen tijdt (1632, **ij-recto) spreekt over het doel van zijn werk heeft hij het over lering en verbetering die ‘alderhande menschen konnen dienstigh zijn’. In de negentiende eeuw verschijnen er diverse compilaties uit Cats, zoals Vader Cats, de raadsman voor iedereen [...]. Een volksboek, evenals uitgaven voor specifieke beroepen; zoals het werk met de weergaloze titel Spreuken voor zeelieden, ook nuttig voor die geen zeelieden zijn. Vgl. mc 1887, 33, nr. 256-257.
21 mc 1870, 41-42 en 23. Geschonken ‘met de urbaniteit, die den beoefenaar der letteren kenmerkt’. mc 1887, 19, nr. 153. Door de beide catalogi heen worden nog andere vrijgevigen bedankt.
22Alle de wercken van Jacob Cats. Ed. J. van Vloten. Met ruim 400 platen, op staal gebracht door J.W. Kaizer. Zwolle: de erven J.J. Tijl. 1862. Achterin deel i, [947].
23Het werd gekocht van M. Nijhoff. Vgl. resp. mc 1887, 6, nr. 42; 11, nr. 83; en 23, nr. 172.
24Uit een rekening van 20 maart 1886 blijkt dat Frederik Muller (in opdracht?) op de veiling Van Leembruggen voor ƒ153,- aan Van de Venne-tekeningen kocht. Voor een overzicht van de oorspronkelijke voortekeningen: M. Pluis, Ontwerptekeningen voor boekillustraties van Adriaen Pietersz. van de Venne in het ‘Museum Catsianum’. Doctoraalscriptie. Leiden 1987 (ubl Dousa-kamer).
25Bodel Nijenhuis stelde een lijst van portretten van Cats samen en gaf vele bibliografische toevoegingen; o.a. in een brief van 20 september 1870. Zie ix, doos 2, nr. 120a.
26Vgl. Ten Berge 1979 (op.cit., noot 16), p. 163; The Anglo-Dutch garden in the age of William and Mary. De Gouden Eeuw van de Hollandse tuinkunst. Red. J. Dixon Hunt en E. de Jong. Speciaal dubbelnummer van Journal of garden history 8 (april-september) 1988, p. 165-179, i.h.b. 172-173, cat. nr. 46; en E. de Jong, Natuur en kunst. Nederlandse tuin- en landschaps-architectuur 1650-1740. Diss. Groningen. Amsterdam 1993, p. 70-71.

27Resp. nr. 22, 339-344; en de bode van 11 juni 1841, nr. 25. Vgl. mc 1870, 56-57 en Ten Berge 1979 (op.cit., noot 16), 13.
28Verkoopcatalogus van 23 oktober 1837, lot. nr. 394. mc 1870, 1-10; evenals mc 1887, 4, nr. 25.
29 mc 1870, 14, 63-67, 76, 80, 88 en 102-166! Vgl. ook Frederiks 1889 (op.cit., noot 15), 261 die dit meest uitgebreide deel - begrijpelijk - als ‘de zwakste zijde van de verzameling’ bestempelde.
30 mc 1870, 73-74 en 87. Door Beijers zelf getipt; hij wijst met nadruk op de autografen.
31Het gaat om de veilingnrs. 3234-3256. mc 1870, 41, 43, 68, 86, 175 en 177-178.
32 mc 1870, 101, portf. Ω, evenals doos ix, ii. Moonen krijgt opdrachten om te gaan bieden. In 1876 stuurt Albert Cohn, boekhandelaar te Berlijn, zijn nieuwe catalogus en vestigt de aandacht op de embleemboeken. Voor 40 dm wordt de verzameling emblemen die tsaar Peter de Grote had laten samenstellen gekocht (Doos losse nummers, i). Vgl. mc 1887, 43-44, nr. 36-37. Wie voor Ellemeet onderzoek deed in Parijs, heb ik niet teruggevonden. Vgl. mc 1870, 181-182.
33 mc (Negende afdeling), met name ii en iii (later aan de catalogus toegevoegd). Verder ook de losse correspondentie in mc 1887 (Tweede afdeling), 39, xiv en xv.
34ix, ii, nr. 3. Op 28 november 1870 bood hij een ‘curieus maar geen mooi exemplaar’ aan waarin de platen niet waren afgedrukt. Ellemeet zou dit boek kopen. Het gaat blijkbaar om Alle de wercken uit 1712 waarvan geen enkel vel door de plaatpers is gegaan. Vgl. mc 1887, 2, nr. 8.

35In brieven uit april en maart 1867 zegt Kesteloo sommige stukken niet te kunnen ontcijferen.
36 mc 1887, 57, portf. 26; en 41, nr. 111, 16. Het loci communes-schrijfboekje, afkomstig van Hubert Loyens (1599-1684?), met o.a. spreekwoorden van Cats en excerpten uit Seneca, werd Ellemeet door Vyt vanuit Gent toegestuurd (19 oktober 1869).
37 mc 1887, 113, D 1 en 2.

38 mc 1887, 113, D 3. Vgl. H.P. Fölting, ‘De landsadvocaten en raadpensionarissen der Staten van Holland en West-Friesland, 1480-1795. Een genealogische benadering. Deel ii’, in: Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie en het Iconografisch Bureau. Den Haag 1974, deel 28, ‘Mr. Jacob Cats’, p. 258-266, i.h.b. 263.
39Brieven van 1 maart 1878 en 7 juli 1878.
40ix, doos ii, map 2, nr. 92. Vgl. mc 1870, 172-173. Heeft Kramm dit gelezen, gezien of gehoord? In ix, doos ii, map 3 (zonder nummer) schreef Ellemeet in een reactie, gedateerd 14 oktober 1870: ‘Ik herinner mij uit mijn negenjarigen leeftijd, de voordeur, luiken, beschilderd met voorstellingen uit diens werken. Het was mij evenwel niet bekend dat v.d. Venne zelf de schilder zou zijn geweest [...]. Waar zouden al die voorwerpen beland zijn?’ Het blijft tot op heden de vraag; over het wel en wee van de grisailles heb ik niets kunnen achterhalen.
41Brief 5 april 1876; een dankbrief van een bestuurslid, ook namens het ‘stamverwante volk’, is gedateerd 30 april 1877.
42Bronnenlijst. Bewerkt door C.H.A. Kruyskamp. 's-Gravenhage/Leiden 1943, p. 63. Zie bijv. de woorden ‘tongenschrapper’ en ‘wijnpot’: wnt xvii, i, 1076-1077 en wnt, xxvi, 358, 2 (resp. mc 1887, 67 en 89). In het geval van ‘wijnpodt’ was Ellemeet zelf in zekere zin aangever door op te merken: ‘Niet onbelangrijk [...] voor de usantiën, muntspeciën en terminologie.’
43Ook nu zijn er gunstige reacties. Vgl. bijv. J.A. Alberdingk Thijm, ‘Jacob Gats in kunst- en drukwerk’, in: Dietsche Warande. Tijdschrift voor kunst en zedegeschiedenis. Nieuwe reeks, 2 (1888), p. 193-195. Enkele briefschrijvers betreuren het dat Ellemeet geen inleiding bij de catalogus had geschreven. Zij sporen hem aan om een schets van Cats ‘in de lijst van zijn tijd’ te geven, maar dat is er nooit van gekomen.

44De Nederlandsche spectator, 18 juni 1887, nr. 25, 204. Het bestuur zond een woord van dank, aldus de vergadering van 1 november 1887. Zie: Archief mnl, inv. nr. 74. Nagtglas 18S89 (op.cit., noot 2), 64 vroeg zich wel af of Ellemeet er later toch geen spijt van heeft gehad dat hij de verzameling buiten Zeeland heeft geplaatst.
4525 juni, nr. 26. Zie ook N. Maas, De Nederlandsche spectator. Schetsen uit het letterkundig leven van de tweede helft van de negentiende eeuw. M.m.v. F. Engering. Utrecht [etc.] 1986, p. 245 en 403, nr. 76. Maas: ‘De woorden die in het onderschrift Cats in de mond gelegd worden zijn waarschijnlijk - zoals vaker bij 17e-eeuwse citaten in de Spectator - in de trant van de spreker geschreven door een Spectator-medewerker.’
Uit de opschriften valt op te maken dat het de beide afgebeelde figuren zijn die catsiaans spreken. Ellemeet kennelijk omdat hij zich de taal helemaal eigen heeft gemaakt en de ontvangster om haar waardering extra tot uitdrukking te brengen. De regel met puntjes in de onderste tekst suggereert dat het slechts om een fragment van het dankwoord gaat.
46Er zijn ook drie silhouetportretten bekend: één op achtjarige leeftijd (particuliere collectie; zie: Iconografisch Bureau 96525, neg. E 10023); één ongedateerd (opgenomen in Trimpe Burger-Mekking 1993 (op.cit., noot 4), 2); en één voor de Senatus veteranorum (Effigies Senatorum; zie: Iconografisch Bureau 52884, neg. D 1899). Bovendien bevindt zich voorin het Uittreksel (zie noot 10 hierboven) een krachtige portretgravure door Josephus Nauwens.
47Zie nr. 46 (van 12 november), 380. Al eerder, in nr. 44 van 29 oktober 1887, 367 was de catalogus besproken. De verzameling werd volgens De navorscher (38, Nieuwe serie; jaargang 21 (1888), p. 336) door Ellemeet ‘eigenhandig gerangschikt in de er voor bestemde kasten.’ Het jaarverslag van 17 september 1888, nr. 258 vermeldde gedetailleerd dat dit gebeurde in ‘2 groote brandkasten en 4 gesloten kasten naast die der handschriften geborgen [...]. Daarboven prijkt een eenvoudig etiket.’ Zie: Archief mnl, H 14 I.
48Trimpe Burger-Mekking 1993 (op.cit., noot 4), p. 7 en 9.
49Afdeling ix, doos 1, nr. 174. Roëll (1844-1914) was lid van de Tweede Kamer en in de jaren negentig minister van Buitenlandse Zaken.
R.J. Fruin stelde in zijn toespraak op 15 juni 1876 voor de algemene vergadering, getiteld ‘De Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde en haar taak’ de verzameling reeds ten voorbeeld: ‘Waar is de man, die een Museum Vondelianum aanlegt op even ruime schaal als het Museum Catsianum?’ Zie: Verspreide geschriften. Ed. P.J. Blok e.a. 's-Gravenhage 1904, ix, i.h.b. p. 539-540.
prepostterug  begin  verder