terug  begin  verderprepost
[p. 123]

De kinderboekencollectie van A.C. Loffelt

Hannah Leuvelink

 
En zie, met vreesselijk gehuil
 
Spert nu de wolf zijn' rooden muil,
 
En eer Roodkapje redding vindt,
 
Verscheurt hij het onnoozel kind!1

Aldus eindigt het sprookje en daarmee ook het leven van Roodkapje in J.P. Heyes Sprookjes uit de oude doos (circa 1840). Hoewel er ook versies van het bekende sprookje bekend waren met een minder dramatisch slot, zal het niemand verbazen dat de voorkeur van onze zedeprekende voorvaderen in de vroege negentiende eeuw uitging naar de tragische variant. Roodkapje moest

illustratie
J.P. Heije, Sprookjes uit de oude doos. Amsterdam 1846

haar ongehoorzaamheid met de dood bekopen om voor de jeugdige lezers als afschrikwekkend voorbeeld te kunnen dienen. Dergelijk moralisme is kenmerkend voor de kinderlectuur uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Boeken dienden in de eerste plaats tot stichting van het jonge volk; het vermaak kwam op de tweede plaats.2

Die opvatting had niet alleen haar weerslag op de inhoud van de werken, maar ook op de uiterlijke verzorging van de boeken. Als er al illustraties in de verhalen werden opgenomen, dan hadden die veelal een sober karakter. Er werd gebruik gemaakt van oude technieken (kopergravure en houtsnede) om de verhalen van plaatjes in zwart/wit te voorzien. Kinderboeken met illustraties in kleur zien we nauwelijks in die tijd, hoewel de technische mogelijkheden daartoe (met name de lithografie) wel degelijk voorhanden waren. Dergelijke kleurenprenten zouden de kinderboeken naar de mening van de toenmalige uitgevers te duur hebben gemaakt.3 Maar ook de behoefte aan goedverzorgde, aantrekkelijke kinderboeken lijkt te ontbreken in de heersende calvinistische opvattingen van die tijd.

Zowel het eerder geciteerde fragment als de bijpassende prent zijn afkomstig uit het exemplaar van De Sprookjes uit de oude doos dat deel uitmaakte van de kinderboekencollectie van Anton Cornelis Loffelt (1841-1906).4 Deze Haagse bibliofiel en toneelcriticus legde zich toe op het verzamelen van kinderboeken. Zijn voorkeur ging uit naar de werken waaraan wél de nodige (uiterlijke) aandacht was besteed; die kregen een plaats in zijn omvangrijke collectie. Loffelts exemplaar van De sprookjes was dan ook een stuk fraaier dan gebruikelijk. In plaats van de gebruikelijke zwart/wit-illustraties, werd het sprookjesboek versierd met prachtige met de hand ingekleurde prenten (in steendruk).

Loffelts verzamelwoede richtte zich vooral op dergelijke fraai uitgevoerde boeken (overigens ook die welke niet voor een jeugdig publiek bestemd waren). De oudste werken dateren uit

[p. 124]

het midden van de achttiende eeuw en de meest recente uit de beginjaren van onze eeuw. Daardoor geeft de collectie een goed beeld van de ontwikkeling van het geïllustreerde kinderboek in ruim anderhalve eeuw. De collectie vormde om die reden een belangrijke bron voor Elize Knuttel-Fabius' Oude kinderboeken : de eerste serieuze studie naar de geschiedenis van het Nederlandse kinderboek.5



illustratie
W. Crane, Little Red Riding Hood. London 1888

De oudste kinderboeken - van voor 1800 - zijn vaak voorzien van fraaie kopergravures. Gedurende de negentiende eeuw zien we de opkomst van de prenten in steendruk. De afbeeldingen werden later met de hand gekleurd door de zogenoemde ‘inkleurders’; kleurendruk was niet gangbaar voor kinderboeken.6 Na omstreeks 1840 trad een periode van verval in. De massaproduktie van goedkope (stichtelijke) lectuur leidde ertoe dat er in Nederland nog maar zelden fraai geïllustreerde kinderboeken op de markt kwamen. Erg tevreden over deze gang van zaken in de wereld van het Nederlandse kinderboek was Loffelt uiteraard niet.7 Maar zijn belangstelling hield niet op bij de landsgrenzen. Ook de kinderboeken die in de omringende landen werden gepubliceerd en die Loffelts goedkeuring konden wegdragen, hadden zijn warme belangstelling en kregen een plaats in zijn Haagse bibliotheek.

In tegenstelling tot de belabberde situatie in ons land, kende vooral de Engelse boekhandel in de tweede helft van de negentiende eeuw een florerende kinderboekenproduktie. Het was de Londense meesterdrukker Edmund Evans en de kring van kunstenaars die zich rond hem verzamelde, die verantwoordelijk was voor deze bloei. Walter Crane leverde in eerste instantie de frisse, heldere en kleurrijke ontwerpen die aan de basis stonden voor de prachtige illustraties in de uitgaven. Evans wist deze op ongeëvenaarde wijze in kleur te drukken in de vorm van houtgravures. Randolph Caldecott en Kate Greenaway volgden het voorbeeld van Crane en leverden de inmiddels wereldberoemde plaatjes, die nog altijd tot de verbeelding spreken van generaties jongere en oudere lezers.

Maar zijn bewondering voor het Engelse kinderboek, betekende niet dat de situatie in eigen land Loffelt niet aan het hart ging. Hij wilde niets liever dan dat Nederlandse uitgevers en kunstenaars het Britse voorbeeld zouden volgen en zette zich daar ook actief voor in. Hoewel de verrichtingen van ‘Arts & Craft’-kunstenaars als Walter Crane in kleine kring op de voet werden gevolgd, was het Loffelt die de Britse kinderboeken bij het grote publiek in Nederland introduceerde. In 1893 richtte hij voor het Haagse genootschap Pulchri een tentoonstelling in onder de titel Engelsche prentkunst voor groote en kleine kinderen. De expositie werd een doorslaand succes en was na prolongatie in Den Haag ook nog te zien in Haarlem, Amsterdam, Utrecht en Arnhem. In dag- en weekbladen verschenen lovende kritieken, al dan niet van de hand van Loffelt zelf!8 De expositie kan worden opgevat als een pleidooi voor een

[p. 125]

betere verzorging van het Nederlandse (kinder)boek. Alle aandacht voor het Engelse schoons vestigde pijnlijk de aandacht op het gemis aan dergelijk drukwerk in ons land, met een toch zo rijke grafische traditie.

Na de tentoonstelling werden de eerste initiatieven ontplooid voor enkele fraai geïllustreerde kinderboeken. Het Engelse voorbeeld van de houtgravure ten spijt, koos men hier voor de techniek van de steendruk. Niettemin leverde het verscheidene zeer geslaagde boekwerken op, waaronder Theo van Hoytema's Het leelijke jonge eendje , volgens velen het mooiste kinderboek ooit in Nederland gedrukt. Bij de verschijning van dit boek, enige maanden na de expositie in Den Haag, had Loffelt zich lovend uitgelaten over dit ‘in meesterlijken stijl geteekende prachtwerk’, waarvan het verschijnen ‘een gebeurtenis [...] in onze nationale illustreerkunst’ was.9 Andere kunstenaars, zoals Wenkebach en Wierink volgden zijn voorbeeld, toen uitgevers klaarblijkelijk brood zagen in de dure produktie van gekleurde prentenboeken. Het waren deze vaderlandse pioniers op het gebied van de moderne kinderboekverzorging die met recht een plaats kregen in de collectie van Loffelt.



illustratie
W. Crane, Little Red Riding Hood. London 1888

In 1906 overleed Loffelt in 's-Gravenhage, maar pas na het overlijden van zijn weduwe in 1927 werden omstreeks vijfhonderd banden uit Loffelts collectie nagelaten aan de Maatschappij, waarvan Loffelt lange tijd lid was geweest. Behalve de kinderboeken betreft het kunstboeken in verschillende talen. In het verslag van de bibliothecaris van dat jaar staat te lezen dat ‘de zeer belangrijke verzameling kinderboeken van den heer Loffelt [was geschonken], bestaande in 240 keurig bewaarde oude en nieuwe prentenboeken in de Nederlandsche en de drie moderne talen, waaronder vooral de Engelsche, geïllustreerd door kunstenaars als Walter Crane en Kate Greenaway van bijzondere waarde zijn.’10 En niet ten onrechte! Het samengaan van de hand van kunstenaars als Crane, Caldecott en Greenaway met die van meesterdrukker Evans, bevrijdden het kinderboek uit de negentiende-eeuwse sleur, zoals Roodkapje - uiteraard in de Engelse druk - ternauwernood uit de maag van de wolf werd bevrijd:

 
Some sportsman (he certainly was a dead shot)
 
Had aimed at the Wolf when she cried;
 
So Red Riding Hood got safe home - did she not
 
And lived happily there til she died.
1J.P. Heye, Sprookjes uit de oude doos. I Het sprookje van Roodkapje. Amsterdam ca. 1840.
2Zie ook de bijdrage van Joke Linders, ‘Van deugdzaamheid tot kunstzin?’, in: Kleur voor kinderen, p. 57-73.
3De oplage moest vanwege het relatief kleine publiek voor kinderboeken beperkt blijven en dat maakte het gebruik van dure kleurendruk-procédés niet rendabel. Zie hierover Johan de Zoete, ‘De illustratietechniek en het kinderboek’, in: Kleur voor kinderen, p. 37-55, met name p. 55.
4Zie over Loffelt o.a. J. Gram, ‘Levensbericht van Anton Cornelis Loffelt’, in: Levensberichten der afgestorven medeleden van de Maatschappij [...]. Leiden 1907, p. 68.
5Elize Knuttel-Fabius. Oude kinderboeken. Den Haag 1906.
6Zie over de verschillende illustratietechnieken die hun toepassing vonden in de negentiende-eeuwse kinderboeken Johan de Zoete, ‘De illustratietechniek en het kinderboek’, in: Kleur voor kinderen, p. 37-55.
7Overigens had het kleine aantal Nederlandse kinderboeken in kleurendruk waarschijnlijk weinig van doen met het ontbreken van talent - zoals Loffelt ons wil doen geloven - maar meer met het gemis aan een grote afzetmogelijk. Zie noot 4.
8In Het Vaderland, het blad waaraan Loffelt als toneelrecensent verbonden was, schreef hij nota bene zelf een lofzang op zijn expositie onder het sprekende pseudoniem E.G.O. Het Vaderland, 14-15 mei 1893.
9Loffelt alias E.G.O in Het Vaderland van 25 november 1893.
10De prentencollectie van Loffelt, waaronder een aantal ongesneden drukvellen van kinderboeken, werd in 1927 geschonken aan het Rijksprentenkabinet in Amsterdam. Een overzicht van zowel de prenten als de kinderboeken is opgenomen in Kleur voor kinderen, p. 75-87. Naast de boeken liet Loffelt ook vier aan hem gerichte brieven van Marcellus Emants aan de Maatschappij na. Zie het verslag van de bibliothecaris in: Handelingen van de Maatschappij (1927-1928), p. 50.
prepostterug  begin  verder