Onder signatuur Ltk. 1888 beheert de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde het redactiearchief van 's lands oudste nog verschijnende tijdschrift, ook wereldwijd een van de langstbestaande periodieken, De Gids . Het eerste stuk, Ltk. 1888 A 1, dateert van november 1840 en is het contract tussen de nieuwe uitgever, P.N. van Kampen, en de redactie, dan gevormd door de heren W.J.C. van Hasselt, H. Pol, E.J. Potgieter, J.F. Oltmans, J. van Geuns, R.C. Bakhuizen van den Brink en C.J. Fortuyn. Nauwkeurig zijn de wederzijdse verplichtingen vastgelegd, met bepaling van boetes tot honderd gulden ‘ten behoeve der armen’ bij overtreding. Het archief eindigt in het najaar van 1961, met mopperige brieven van - nog steeds - uitgeverij P.N. van Kampen & Zn. N.V., die het niet meer met de redactie eens kon worden. Per januari 1962 ging De Gids naar Meulenhoff.
Tussen begin en eind liggen zeker 86 welgevulde archiefmappen, een kopieboek van uitgaande brieven (1843-1856), vier inloopboeken van ingekomen bijdragen (1883-1938), twee kasboeken (1909-1932) en een inventaris van het archief, gemaakt door de historicus H.T. Colenbrander. Na diens terugtreden als redacteur-secretaris (1939) en ook omdat de redactie het eigen tijdschrift inmiddels was gaan beschouwen als een vaderlands cultuurmonument is het archief in maart 1940 overgedragen aan de Maatschappij. Van de volgende periode zijn de archivalia tot aan 1959, toen Colenbranders opvolger E.J. Dijksterhuis zijn langjarig secretariaat beëindigde, er nog aan toegevoegd. Afgezien van een klein aantal documenten is de tijd na 1958 niet meer in het archief vertegenwoordigd. Deze redactiepapieren bevinden zich nog bij oud-redacteuren of bij de huidige uitgever Meulenhoff.

Met zijn bijna 120 jaar redactiegeschiedenis vormt Ltk. 1888 dus nog niet het enige Gids-archief. Want ook de roemruchte eerste jaren (1837-1843) vallen er nagenoeg geheel buiten. Gegevens daarover moet men zoeken in de papieren van Potgieter en de correspondentie tussen de redacteuren, bewaard in de Amsterdamse


Inventaris van het archief
universiteitsbibliotheek. Van de hele periode tot 1915 ligt nog
veel kennis verspreid in de archieven van de afzonderlijke Gids-redacteuren. De toenmalige redacteur-secretarissen, P.N. Muller, Joh. C.
Zimmerman, H.P.G. Quack en vanaf 1883
J.N. van Hall hielden geen archief bij of
bewaarden het niet. Zij hadden nog niet het idee dat hun redactiewerk ooit
cultuurgeschiedenis zou worden. Van J.N. van Hall, de eerste betaalde
secretaris, mag dit verbazen, want in zijn periode vierde
De Gids
het halve-eeuwsjubileum en hijzelf was een liefhebber van memoires
en brievenuitgaven. Maar hij schijnt bij verschillende verhuizingen de boel
te hebben weggedaan, zoals hij ook zijn persoonlijke papieren heeft
versnipperd aan het eind van zijn leven.
Colenbrander, directeur van het Bureau voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën, had meer oog voor het belang van archiefvorming. Vanaf zijn secretariaat werd alles nauwkeurig bijgehouden. Bevat het archief tot 1915 een paar honderd documenten, van dat jaar af zijn het er duizenden. ‘Nederland is dolzinnig geworden en stuurt mij meer stukken toe dan ik lezen kan, sommige dagen vier of vijf tegelijk’, merkte de secretaris met schrik. Het bleef zo. Inderdaad tonen de inloopboeken een toename, van jaarlijks zo'n honderd inzendingen rond 1900 naar twee- tot driehonderd na 1915.
Manuscripten van literair of essayistisch werk bevat het Gids-archief nauwelijks. Deze werden na afwijzing geretourneerd of na aanvaarding naar de drukker doorgezonden. De mappen zijn vooral gevuld met correspondentie over inzendingen en bijdragen: begeleidende brieven van de schrijvers en circulatiebriefjes van de redacteuren met hun ongezouten oordelen - ‘onderwijzerswerk’, ‘geleuter’, ‘taai’, ‘langwijlig’

Klacht over C. Busken Huet namens koningin Sophie
- en vaak rake, soms pedante commentaren. Bij Van Deyssels inzending over Einsteins relativiteitstheorie
noteerde de fysicus Kuenen: ‘Het stuk is vol van
misverstand en beteekent niets’ (1922). Huizinga
kon in het uitdagende werk van de jonge Marsman
niets anders zien dan ‘een puistje van de kwade sappen van het moderne
leven’ (1923). En Colenbrander, ongeduldig over
het ‘zwoele gedoe’ in P.H. van Moerkerkens
novellen: ‘Zijn helden en heldinnen draaien altijd om de heete brij maar
durven nooit goed toehappen’ (1931).
Gids -redacteuren waren doorgaans zelfverzekerde heren, zuiniger met lof dan met kritiek. Gemiddeld driekwart van de inzendingen vond geen genade. Maar hun besliste oordelen tonen hoe lastig het is de latere literaire canon te voorspellen. Want het is een eminent gezelschap dat zich eens of vaker onder weinig vleiend commentaar afgewezen zag. Ertoe behoren Couperus (voor 1890), Bloem (1910-1913, vele keren), De Mérode (altijd), Van Nijlen, Bordewijk (1916 en 1929), Carry van Bruggen (haar Prometheus kreeg geen voldoende, 1917), Dèr Mouw (1918), Nijhoff (1919, later zelf redacteur), Debrot (1926), Vestdijk (verzen, 1930 en 1934), Slauerhoff (1930, 1931), Blaman (met een tot op heden onopgemerkt gebleven debuutpoging, 1930), Achterberg (1931) en Koolhaas (1934). Hetzelfde lot trof inzendingen van Fruin (1849, later zelf redacteur), de jonge Romme (1914), Theo van Doesburg (1916), Mondriaan (1920) en G.B.J. Hiltermann (een novelle ‘Boris Bjelkin’, 1937). En wat bezielde Theun de Vries toen hij in dit deftig-liberale tijdschrift een plaatsje zocht voor zijn moderne heldensage ‘Stalin’ (1934)?
Spaarzaam bevat het archief brieven van lezers. Zoals van hofdignitaris L.N. graaf van Randwijck, die in 1865 het ongenoegen van de koningin over een oneerbiedig stukje van Busken Huet meedeelde, of van mevrouw Hoekstra-van Geuns die het er in Couperus' romans ‘wel wat schuin’ vond toegaan (1900), of van de ‘doodgewone Javaansche jongen’ R.M. Soebantardjo die verzen schreef. Hij was de enige niet. ‘Wat een stroom! Ik kan niet meer tellen hoeveel verzen per dag!’, klaagde Colenbrander (1934). Pas een redactiearchief openbaart hoeveel zondagsdichters Nederland wel telt, die allemaal schroomvallig om een oordeel komen vragen in de hoop als verborgen genie ontdekt te worden.
Leerzaam, ten slotte, zijn de droge inloopboeken, voor wie er zich in wil verdiepen. Zij tonen wat er ingestuurd werd, welk
aandeel vrouwen daarin hadden en wat de verhouding was tussen bellettristische en niet-literaire inzendingen. Vergelijking met de feitelijke inhoud van De Gids maakt dan zichtbaar hoe de redactie selecteerde en daardoor stilzwijgend haar tijdschrift profiel gaf. Dat is de rijkdom van dit archief. De onderzoeker zit zonder stemrecht mee aan de vergadertafel van illustere redacties en ziet zich langzaam ingewijd in hun arcana.