terug  begin  verderprepost
[p. 35]

In memoriam Herman Gorter

Nu tusschen hem en ons deze vreemde en verre stilte is gekomen, waarachter hij onbereikbaar werd voor het zachte roepen van onze liefde en ons leed, nu hij zich in de laatste eenzelvige geslotenheid der stervelingen voorgoed aan allen heeft onttrokken, herdenken wij met diepen rouw zijn heldere stralende ziel, zooals zij hier lichtend langs ons streek en ons verwonderd om zoo glanzende menschelijkheid achterliet.

De verzen van Herman Gorter zijn doorlicht van een helder, wit-glinsterend schijnsel, dat van een andere wereld, een ander leven moet zijn, de zuivere afschijn van dat onnoembaar Andere, waaraan wij in de ruimte en tijdelijkheid van dit begrensd en grauw versomberd bestaan op aarde een kleine herinnering bewaren, onnaspeurlijk in zijn herkomst, door onze tastende woorden wel het licht der eeuwigheid genoemd, maar het zweeft buiten het bereik onzer begrippen, het scheert langs de grenzen der taal, het doorlicht alleen soms onverhoeds ons duistere hart met een heugenis of voorbesef van een zwaarteloos, tijdeloos, grenzeloos, naamloos Zijn - en somtijds verschijnt het wonderbaarlijk lichtend in de verzen van enkelen onzer, als de sneeuwschittering van morgenzon op gletschers. Om dat onnoemelijk licht te achterhalen zijn de verzen van Herman Gorter geschreven, om dat onnoemelijk licht, dat hen doorstroomt, zullen zij voor eeuwig bewaard blijven.

Herman Gorter is een pionier geweest der poëzie. Na Mei, na die onvergelijkelijke en ongeëvenaarde

[p. 36]

verrukking eener jeugd als de sprong in het licht van een lenig, jong dier, dat met elke veerkrachtige en bevallige beweging zijn sterfelijkheid goddelijk loochent, na Balder, de eerste verwonding van dit ongerept en roekeloos geluk aan de deerlijke vergankelijkheid van het aardsch bestaan, na de broze droom van Balder en Mei, na alreeds zóóveel schoonheid toch, heeft Gorter den hoogsten inzet gewaagd, waarmee ooit een dichter dong om poëzie. Hij waagde zich verder dan zijn eigen melodieën, hij waagde zich verder dan zijn talent, verder dan ooit een dichter zich gewaagd heeft. Hij zette zijn ziel en zijn taal in om er de muziek der eeuwigheid mee te winnen. Hij sloeg zijn staf op de rots stuk om het klaarste water te zien ontspringen. Hij verbrijzelde de kristallen der poëzie om het wonder van nieuwe kristallen te aanschouwen, op gevaar van iets schoons onherstelbaar te vernielen. Daarom heeft hij, die zijn talent op de hoogste spanning zette tot het stuk sprong, meer gedaan voor de poëzie dan velen, die hun lied met meesterschap en beheersching ten einde speelden maar zich voor de hoogste trillingen en onnavolgbaarste vervoeringen ontzagen. Gorter beproefde het uiterste om de pure poëzie, de taal zonder taal, de onmiddellijke kristalliseering der ziel, geluid en emotie tegelijk, geen verklanking meer maar de klank zelf der emotie. En op zijn gevaarlijken en eenzamen tocht naar de bronnen van poëzie en taal, op zijn expeditie naar de oerpoëzie, heeft hij die oerpoëzie enkele malen gevonden en er de voordien ongekende kristallen van meegebracht. Die enkele verzen schijnen de laatste mogelijkheden der poëzie te vervullen. Zelden is de

[p. 37]

ziel zoo helder doorschijnend in het blauwe water der woorden zichtbaar geweest.

Zijn levenlang heeft Gorter om het hoogste gedongen, dat uit de laagten van het leven voor den sterveling bereikbaar is. De hoogste schoonheid zocht hij, de hoogste waarheid en wijsheid, het hoogste menschengeluk.

Zijn sentivisme, spinozisme en communisme zijn verschillende uitingen van denzelfden edelsten, onverzadiglijken drang naar het Absolute. Om dit voorbeeld van een leven zonder voorbehoud, een poëzie zonder codex, een levenslang gevecht om het Absolute, eeren wij den dichter als onzen Meester.

En eindelijk, met teederheid gedenken wij hem als den blonden metgezel van onze eigen jeugd, want er is wel niemand onder ons, die niet als jongen in Mei voor het eerst volkomen de verrukkingen der poëzie zag geopenbaard. Ieder van ons heeft zich eens in die wijde schoonheid van Mei gestort als een jong, sterk zwemmer in een zonnig meer. Herman Gorter was en zal nog lang wezen de patroon der jonge dichters in de eerste jaren van overmoed en geestdrift. Ook later nog zal een stille, blijde knaap: Gorter, zeggen als een wachtwoord voor zijn nieuw geluk. Temeer schokt ons daarom dit heengaan, daar zijn naam ons altijd aan jeugd en leven heeft doen denken. En nu hij ons heeft verlaten, bekruipt ons de stille vrees, dat wij hem niet genoeg geëerd hebben. Wij hadden hem zoo lief, maar hebben wij onze liefde niet teveel verzwegen? In het leed om den dood van die beide grooten, onze Meesters Leopold en Gorter, mengt zich nu een gevoel van schuld. Leopold heeft nog onze

[p. 38]

vereering gekend, al heeft het zijn laatste jaren nauwelijks verlicht. Maar dien anderen vergrijzenden Meester hebben wij in zijn afzondering bijna vergeten. Wij hebben onze liefde verzwegen, wij hebben een schuld aan hem. Wij, de jonge dichters van Holland, hebben een schuld aan Herman Gorter, aan Willem Kloos, aan Frederik van Eeden, aan Albert Verwey. Een eerbied, die immers vanzelf sprak, voor de reeds klassiek geworden schoonheid van hun vroeger werk hebben wij teveel verzwegen, een verloochening, afwijzing of afkeer, die niet altijd geheel vanzelf sprak, van later werk hebben wij te luide en te vaak geuit. Zijzelf gaven een beter voorbeeld, toen zij Huet, Multatuli, Thijm en Vosmaer herdachten.

Onze liefde voor Okeanos, voor Persephone, voor De Broeders, voor Mei en zooveel schoonheid meer hebben wij nu reeds te lang verzwegen. Bij het graf van Herman Gorter getuigen wij, dat wij deze schoonheid zullen liefhebben, zoolang het licht in onze oogen schijnt.

prepostterug  begin  verder