Met de verzorgingsstaat wordt gedoeld op een maatschappelijke ordening met een nationaal bereik, waarbij politieke besluitvorming overwegend plaats heeft in een parlementair democratisch systeem, economische produktie overwegend ondernemingsgewijs geschiedt, en zowel politiek als produktie tot het welzijn van de leden van deze samenleving strekken.
Ik ga voorbij aan de doormodderende discussie tussen rationalisten en incrementalisten. Mijn omschrijving veronderstelt een zekere mate van rationaliteit ten aanzien van doeleinden, in combinatie met een meer of minder actieve beleidsvoering in de sector van de nationale overheid.
De verzorgingsstaat is, zoals Van Heek1 en in zijn spoor Schuyt2 vaststellen, nauwelijks sociaal verankerd. Daarmee wordt verwezen naar het uitblijven van een algemene acceptatie van, en vertrouwen in het sociale overheidsbeleid in de verzorgingsstaat. Dit doet bij mij de vraag rijzen hoe dit beleid dan wel verankerd is. Bestaat de verzorgingsstaat eigenlijk wel? Is de verzorgingsstaat misschien geen realiteit op zich, maar - in de woorden van Thomas3 - ‘... real in its consequences’?
Een strikt rationed beleid omvat drie onlosmakelijk samenhangende elementen, die in een democratische samenleving - en dat is de verzorgingsstaat bij de meeste auteurs4 - allemaal om acceptatie in brede kring vragen:
| 1 | een bezinning op doeleinden; |
| 2 | een bezinning op realisatiemogelijkheden (de uitvoerbaarheidscategorie of politieke dimensie); |
| 3 | acties en ingrepen (de uitvoeringscategorie of de middelen). |
Het beleid in de verzorgingsstaat pleegt, in Haagse kringen en in de wereld van alledag, overwegend in termen van uitvoerbaarheid en uitvoering ter discussie gesteld te worden. Wanneer onze huidige regering als centraal beleidsstreven de spreiding van macht, kennis en inkomen opvoert, kunnen we haar de gerede vraag stellen op grond waarvan dat zo nodig is. Is hier niet meer sprake van een middel dan van een complex doeleinden? En wanneer in liberale kring geroepen wordt om terugdringing van de overheidssector, dan blijft een dieper liggende beweegreden eveneens onuitgesproken! Hiermee is de verzorgingsstaat niet meer dan de resultante van reële politiek-bureaucratische gebeurtenissen.
Met dit hoofdstuk ga ik nader in op de eerstgenoemde legitimeringscategorie voor het beleid in de verzorgingsstaat: de bezinning op doeleinden. Hierbij komen een aantal principiële stellingnamen in de sociaal-wetenschappelijke theorie aan de orde, omtrent taak en plaats van overheden ten aanzienvan de samenleving in haar meest wenselijke vorm. Ik ga hier uit van het standpunt dat een rationeel-wetenschappelijke basis voor het beleid te verkiezen valt boven een traditioneel-morele basis.5 De belangrijkste bronnen voor dit artikel zijn de Engelse ‘social administration’ en het werk van enkele klassieke sociologen. Uit beide wordt door de Nederlandse beleidswetenschap opmerkelijk weinig geput, Webers bureaucratie- en legitimeringsconcept en enkele thema's bij Mannheim daargelaten!
Mijn assumptie luidt dat de verzorgingsstaat als zodanig nauwelijks in rechtvaardigende concepties centraal heeft gestaan. Ze heeft geen ideologische basis. Het bouwsel van de verzorgingsstaat is opgetrokken op een fundament dat omschreven kan worden als een onstabiel middengebied van normen en waarden. Het betoog dat deze bewering ondersteunt, druk ik uit in de hiernaast afgedrukte figuur. We zien hier twee extreme stromingen, die beide langs de verzorgingsstaat heenstreven. Ze gaan aan het bestaan hiervan voorbij, hechten er betrekkelijk weinig waarde aan, of stellen zich zelfs hiertegenover op.

Figuur: De verzorgingsstaat in het ideële
krachtenveld van de sociaal-wetenschappelijke theorie
De eerste stroming zou ik de individualserend-antagonistische willen noemen. Deze voert terug tot centrale leerstukken uit het zogenaamde sociaal-darwinisme.
In de evolutietheorie van Darwin is sprake van de opkomst en ondergang van soorten organismen. Deze processen worden gedragen door individuele organismen, die in een voortdurende strijd om het bestaan zijn verwikkeld. In deze strijd overleven de sterksten, zij die het best voor de strijd zijn toegerust. En dat is volgens Darwin een goede zaak. De sterksten, die overleven, houden de soort in stand: de natuurlijke teeltkeus. De zwakkeren gaan ten onder, en kunnen dus de kwaliteit van het nageslacht niet bederven.6
Deze gedachtengang heeft indruk gemaakt op sociaalwetenschappers in de tweede helft van de vorige eeuw. Dit leidde tot een sociaal-wetenschappelijke ‘receptie’ van deze biologische evolutietheorie. Hier dient opgemerkt te worden dat het beslist niet alleen Darwin was, maar evenzeer de bioloog Lamarck, wiens werk hier sociaal-wetenschappers als inspiratiebron diende. Vooral de bewering van Lamarck dat verworven karaktereigenschappen vererfbaar zijn, moet hier genoemd worden.7
Coryfeeën van het aldus ontstaande sociaal-darwinisme zijn Sumner en Spencer.8 Zij hechten hun hoop en vertrouwen aan het individu dat de problemen die op zijn weg voorkomen met ondernemingszin te lijf gaan. Armoede, hulpbehoevendheid en onafhankelijkheid, zijn zaken die vooral aan persoonlijk falen worden geweten.
Deze stellingname heeft als extreme consequentie dat er geen sociaal beleid gevoerd hoeft te worden. Oscar Wilde bracht dit op de van hem bekende cynische wijze onder woorden ‘Door de armen in leven te houden vergroten we slechts het probleem van de armoede’. Wanneer vanuit deze denkrichting toch besloten wordt tot het opzetten van sociale voorzieningen en hulpverleningsactiviteiten, dan ge schiedt dat mondjesmaat, en met de kwalificatie van gunst verlening, met alle etiketterende effecten vandien.9
Deze sociaal-wetenschappehjke oriëntatie paste wonder-
wel bij de hausse die het op liberalistische leest geschoeide kapitalisme, met de voortgaande industrialisering rond de eeuwwisseling, vooral in de Verenigde Staten doormaakte. Het is daarom niet verwonderlijk dat de Engelsman van origine, Spencer, in de States carrière en furore maakte.
Het sociaal-darwinisme is ondanks de vele aanvallen op zijn uitgangspunten en effectiviteit10 nooit geheel verdwenen uit de sfeer van het rechtvaardigend denken over het sociale beleid in de verzorgingsstaat. In een recent artikel in de ‘Journal of social policy’ betogen de Engelse sociologen Wilding en George dat ‘Social policy is the battlefront in which the clashes between socialist and capitalist social values occur’ en ‘liberal values tend tot emerge as dominant’.11
In het werk van Friedman, de op de voorgrond tredende figuur uit de zogenaamde ‘Chicago-school in Welfare Economies’, vinden we een opstelling die als een gaaf voorbeeld van hedendaags sociaal-darwinisme kan worden gekenschetst. Zijn thema's en probleemoplossingen zijn dezelfde als die van bij voorbeeld Sumner.12
Het kernidee bij Friedman is dat in de vrije wereld de ‘torch of liberty’ gedragen wordt door vrije mensen. Met de vrije wereld doelt Friedman op het westen, waarbij we moeten bedenken dat de genoemde Chicago-school niet zonder invloed is in Noord- en Zuid-Amerika.
Vrije mensen worden met twee soorten uitdagingen geconfronteerd:
1. die welke voorkomen uit wat Friedman het competitieve kapitalisme noemt; hij verwijst hiermee naar een maatschappelijke ordening waarbij het grootste deel van het economisch handelen georganiseerd is door middel van de vrije onderneming die op de vrije markt opereert;
2. die welke voortkomen uit de spanning tussen overheden en de naar oribeperkte vrijheid van handelen streven de staatsburgers; uitvoerig wordt betoogd hoe economische en politieke vrijheden onlosmakelijk verbonden zijn.
Met het bestaan van overheden heeft Friedman veel moeite. Hij redeneert hierover:
1. naarmate er meer activiteiten op de vrije markt plaats-
vinden, blijven er minder ‘issues’ over die uitgesproken politieke beslissingen vergen, met alle problemen rond het bereiken van politieke wilsovereenstemming vandien;
2. naarmate er minder politieke issues voorkomen, is - bij handhaving van een vrije samenleving - de kans op het bereiken van overeenstemming groter.
Friedman wijst slechts drie taken toe aan overheden: het opstellen en wijzigen van wettelijke regelingen, een scheidsrechtersfunctie bij geschillen, en het afdwingen van naleving van regelingen. Drie zaken die traditionele liberalen als Simons en Eucken wel aan de overheid toedenken, accepteert Friedman niet alszodanig: technische monopolies, zogenaamde ‘neighbourhoodeffects’, en paternalistische handelingen. Bij technische monopolies valt te denken aan telefoondiensten en spoorwegen. Met neighbourhoodeffects wordt gedoeld op gevolgen van handelingen voor andere individuen die niet op de markt verrekend kunnen worden; in de welzijnseconomie spreekt men hier wel van externe effcten.13 Paternalistische handelingen betreffen geestelijke gezondheidszorg en beslissingen ten aanzien van minderjarigen als de leerplicht.14
De publieke sector wenst Friedman krachtig terug te dringen. Hij meent dat dit mogelijk is. Naarmate geïndustrialiseerde landen verdergaande groei vertonen, zou een groter deel van hun bevolking over voldoende inkomen en middelen beschikken om zelfstandig als consumenten op een vrije markt voor sociale voorzieningen te kunnen opereren. Hierbij wordt gedacht aan onder andere een vrije markt voor gezondheidszorg, (vak-)opleidingen en trainingen, sociale bijstand en gezondheidszorg. Instellingen die zich hier taken stellen, moeten zichzelf kunnen bedruipen.
Het primaat van persoonlijke vrijheid blijft in deze stroming onder alle omstandigheden overeind. Dit pleegt verbonden te worden met de zogenaamde ‘werk-ethiek’. Deze is terug te vinden in Spencers formulering ‘Each shall so live as neither to burden his fellows nor to injure his fellows’.15 Dit leidt tot gedragsregels die neerkomen op zelfvoorziening en anderen niet lastig vallen.
Van deze extreme stroming maakt zich in de jaren dertlg, tijdens de grote economische crisis, schoorvoetend een stroming los, die we de ‘sociaal-liberale’ zouden kunnen noemen. De bekendste auteurs uit deze groepering zijn de Engelsen Keynes en Beveridge. Zij blijven in zoverre liberalen, dat bij hen vrijheid gekoppeld aan persoonlijke onafhankelijkheid de centrale waarde blijft. Wel stappen zij af van de overwegende bezwaren die binnen de individualiserend-antogonistische stroming gekoesterd worden jegens uitbreiding van de overheidssector. Dit, onder de indruk van de crisisnood en het in deze periode opkomende besef dat een (meer) planmatige inrichting van de samenleving mogelijk en zelfs gewenst is.
Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat Keynes en Beveridge hierbij beïnvloed waren door de ideeën van hun tijdgenoot Mannheim, die evenals zij beiden verbonden was aan de London School of Economics. Mannheim staat immers te boek als de vader van het sociale planningsconcept.16 Van Heek heeft hierover echter opmerkingen gemaakt die het idee oproepen van een ‘incompatibilité des humeurs’. Het staat vast dat Mannheim zich te Londen in een andere kring bewoog.17
Beveridge bracht het tot dan toe onverenigbare bij elkaar: de eerder genoemde werkethiek en de ‘welzijnsethiek’. De welzijnsethiek gaat uit van het primaat van menselijke behoeften bij de allocatie van schaarse middelen, waaronder sociale voorzieningen. Hij stuit hier op de moeilijk te formuleren verdeelsleutel voor deze allocatie18, waardoor een op deze ethiek gefundeerde planning niet eenvoudig en eenduidig bewerktuigbaar is. In het zogenaamde Beveridge Report wordt vastgesteld: ‘The duty of the state through social insurance is to ensure for all citizens a minimum subsistence above which level they can practice through voluntary effort “the duty and pleasures of thrift, of putting pennies away for a rainy day”’.19
Keynes liet het door Adam Smith gelanceerde idee varen van het bestaan van een onzichtbare hand, die de samenleving optimaal zou bestieren.20 In deze gedachtengang wor-
den politieke ingrepen onnodig geacht, omdat middels de wet van vraag en aanbod iedereen binnen de als één organisme opgevatte samenleving aan zijn trekken kon komen. Economische ingrepen zouden niet noodzakelijk zijn ingevolge de ‘loi des débouchés’ van Say: de leer van het optreden van een voortdurend mechanisch herstel van het economisch evenwicht, wat er ook geproduceerd wordt, ofwel de leer van de produktie die zijn eigen afzet zou scheppen.21 Keynes stelde vast dat er daarentegen grote belangentegenstellingen bestaan in de politieke sfeer, tussen individuen onderling en ook tussen particulieren en de algemene zaak. Voorts achtte hij het vóórkomen van de crisisnood in de jaren dertig een teken van het niet zonder meer opgaan van de wet van Say.
Hoewel Keynes hiermee de weg voor nationale planning heeft geopend, is hij voorzichtig gebleven met het toekennen van taken aan overheden. ‘The important thing for government is not to do things which individuals are doing already, and to do them a little better or a little worse; but to do those things which at present are not done at all’.22 Collard heeft gewezen op de ironie dat in liberale kringen Keynes hiermee als een gevaarlijke radicaal wordt beschouwd, terwijl hij in socialistische kringen geldt als de redder van het kapitalisme'.23
Het eerder gesignaleerde uitblijven van samenwerking van Keynes en Beveridge met Mannheim, valt te betreuren. Tijdige integratie van Mannheims sociologische denkbeelden, met benadrukking van een zaak als fundamentele democratie en een delicate uitwerking van het rationaliteitsbegrip, zou wellicht veel hedendaagse problemen van de verzorgingsstaat met zijn wat rauwe economische rationaliteit hebben kunnen voorkomen.
De collectiverend-solidaristische stroming voert terug op leerstukken die onder andere door Marx en Durkheim zijn geformuleerd. Hedendaagse vertegenwoordigers vinden we vooral in (neo-marxistische kringen en in de categorie die ik in dit hoofdstuk als de populistisch-activisten zal opvoeren.
In de marxistische traditie wordt de staat overwegend een krachtige en actieve rol toegedacht. Daarbij hanteert men het primaat van economische gelijkheid. Laski schrijft: ‘Political equality ... is never real unless it is accompanied by virtual economic equality; political power, otherwise, is bound to be the handmaid of economic power’.24 Economische gelijkheid kan slechts gerealiseerd worden, wanneer aan enkele voorwaarden is voldaan: industriële democratisering, nationalisering van grote industriële en commerciële ondernemingen en voorts centrale overheidsplanning.25
Het is echter niet de huidige verzorgingsstaat die marxisten hier voor ogen hebben. De verzorgingsstaat, waarin de ondernemingsgewijze produktie wordt voortgezet, wordt hier niet anders gezien dan als een bepaalde fase in de ontwikkeling van het kapitalisme. De scherpe kantjes gaan er wat van af, maar de monopolisering van het kapitaal gaat voort26, en de gevolgen voor mensen in dit systeem zijn kwaadaardig.27 Miliband meent zelfs dat in de verzorgingsstaat hervorming en repressie naast elkaar liggen.28 Hiermee staat Miliband niet ver van de oorspronkelijke stellingname van Marx. Pinker betoogt in zijn verhandeling over de bijdrage van Marx aan het sociale beleid in Engeland, dat in diens theorie van sociale ontwikkeling (regerings-)programma's voor sociale verbetering nooit een positieve rol kunnen spelen.29 De scheppende krachten van deze stroming zijn daarom niet ingezet bij het opstellen van scenario's voor sociale verbetering.30 Hier wordt meer een alles-of-niets oplossing geëntameerd. De motor van het proces dat moet leiden tot sociale verbetering wordt gezocht in een steeds verdergaand solidariteitsbesef, binnen een zich voortdurend duidelijker aftekenende arbeidende klasse, die aanhoudend groter van omvang wordt. Gaandeweg ontwikkelen zich klassevorming, klassebewustzijn, klasseïdeologie en uiteindelijk klassenstrijd, die na de onvermijdelijk geachte sociale revolutie zal leiden tot een nieuwe samenleving met een nieuwe mens.31
Een andere denker over het sociale welzijn die zijn oplossing in solidaristische termen formuleert, en daarbij voor de centrale overheid weinig taken ziet weggelegd, is Durkheim. In zijn grote werk De la division du travail social, dat in 1893
voor het eerst verscheen, zijn een aantal problemen en oplossingen aan de orde gesteld, die in latere werken terugkomen en verder worden uitgewerkt.
Durkheim meent dat een moderne industriële samenleving volgens andere normen - en daarmee met gebruikmaking van andere instituties - moet worden georganiseerd dan een tradirionele. Een traditionele maatschappij kenmerkt zich door een autarkische agrarische wijze van economische produktie. De leden van een dergelijke samenleving vertonen een vergaande overeenkomst in gedrag. Menselijk handelen wordt hier getoetst aan een scherp omschreven en aan alle betrokkenen bekende morele consensuscategorie: de ‘conscience collective’. Deze omvat vooronderstellingen en sentimenten.32 Individualistische ontplooiing is nauwelijks mogelijk, en heeft ook geen zin voor de gemeenschap als geheel. Durkheim stelt vast dat in deze samenleving en een mechanische solidariteit bestaat. De individuen zijn direct aan de samenleving en aan elkaar verbonden. Hij vergelijkt dit met de verbondenheid van moleculen in een anorganisch lichaam. Sociale dienstverlening en hulpverlening vinden we in dit soort samenlevingen in de vorm van onderling hulpbetoon. De overheid is hiervoor niet nodig, alles wordt in ‘primordiale groepen’ afgehandeld. Daarmee wordt gedoeld op groeperingen die zijn gebaseerd op familie- en verwantschapsrelaties, dan wel territoriale, religieuze, of taalkundige eenheden van beperkte omvang.33
Naarmate samenlevingen zich verder ontwikkelen - de motordaarbij is voor Durkheim de voortgaande arbeidsverdeling - treedt een verschuiving op naar een meer gedifferentieerde vorm van samenleven. Er is dan sprake van een groeiend aantal specifieke functies, die met elkaar in een vaststaand verband samenhangen. Hier is het geheel wel degelijk gebaat bij zelfstandige ontwikkeling van de onderdelen. Individuele ontplooiing van specifieke kwaliteiten is een noodzakelijke voorwaarde om de arbeidsverdeling verder te brengen en te verfijnen. Individuen in deze meer ontwikkelde samenlevingen zijn in vergaande mate wederkerig afhankelijk, zoals de verschillende organen van één lichaam tezamen een ‘eenheid in verscheidenheid’ vormen. Hierop nu, is de
zogenaamde organische solidariteit gebaseerd. Niet op een besef van eigen belang waaruit tijdelijke ‘combines’ voortkomen, waarin mensen sociale ruilrelaties onderhouden, zoals in de politieke economie wel wordt verondersteld.34
Organische solidariteit wordt hier als een morele categorie opgevat. In een later werk pleit Durkheim in meer actieve termen voor het langs opvoedkundige weg overbrengen van deze vorm van solidariteit. Hij spreekt dan over de ontwikkeling van een wereldse moraal (la morale laïque), die drie elementen omvat: ‘l'esprit de discipline, l'attachement aux groupes sociaux, l'autonomie de la volonté’.35 Een consequente pedagogische uitwerking van een sociologisch standpunt!
Ook in de ‘moderne’ samenlevingen kent Durkheim de staat geen uitgebreide taak toe bij de toebedeling van sociale voorzieningen en hulpverlening. In zijn beroemde voorwoord bij de tweede druk van De la division du travail social, nadat ondertussen onder andere De suicide het licht had gezien, brengt hij de noodzaak onder woorden om instituties te ontwikkelen op een middenniveau tussen niet georganiseerde individuele staatsburgers en een ‘gehypertrofeerde staat’. Collectieve activiteiten zijn te complex om door middel van het unieke orgaan van de staat tot uitdrukking gebracht te worden. Bovendien is de staat te ver verwijderd van de ervaringswereld van individuele mensen, waarin de arbeidsverdeling zich voltrekt in voortdurend zich vernieuwende kaders.
Omstandig beredeneert Durkheim dat hier ruimte is voor een herwaardering van ‘beroepsgroepen’. Deze waren in de Griekse tijd te beschouwen als een vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid, in de Romeinse tijd stonden ze buiten de politieke orde, in de late middeleeuwen in het centrum van de burgerlijke ordening, en in de Franse revolutie werden ze weer afgeschaft.
Vandaag de dag zijn verschillende groeperingen aan te wijzen die meer zien in vormen van solidariteit binnen nader omschreven categorieën staatsburgers, dan in een sociaal overheidsbeleid in de verzorgingsstaat. Niet alleen de marxistische stroming mag zich verheugen in een herwaardering op
vrij grote schaal; ook Durkheims ideeën zijn, dikwijls in afgeleide vorm, terug te vinden in volksontwikkelingswerk, éducation permanente, onderwijsvernieuwing, bestuurlijke decentralisatievoorstellen, de humanistische sociologie, enzovoorts. Daarnaast kan gewezen worden op vele populistisch- activistische bewegingen.
Het populisme-begrip wordt in de niet-westerse sociologie veelvuldig gehanteerd.36 Het verwijst naar een sociale ordening waarbij authentieke, vaak plattelandswaarden worden benadrukt, en tegenstellingen in de eigen kring worden weggeredeneerd. Hiermee wordt een opgekrikte solidariteit bereikt, waarmee men zich over het algemeen opstelt tegenover een buiten de meestal territoriale grenzen gesitueerde tegenstander. Het gaat gepaard met een uitgebreide communicatie binnen de solidariteitskring, in symbolen (afkortingen, zwaar geladen leuzen) en veel ritueel gedrag. Dit laatste vaak rond de persoon van een als krachtig geportret teerde leidersfiguur. Zijn charismatisch getint politiek leiderschap wordt veelal nog eens gelegitimeerd door middel van een éénpartijstelsel. Een dergelijke leider vervult bij de mobilisatie van de bevolking een belangrijke rol. Hij propageert een nieuwe en ambitieuze aanpak, waarmee problemen van de gemeenschap binnen ongekend korte tijd tot oplossing kunnen worden gebracht. Problemen dié tot dan toe als alledaags gelden worden hierbij geherdefinieerd tot fundamentele waardenproblemen.37
Deze opsomming van kenmerken heeft wellicht een badinerende ondertoon. Het verdient echter vermelding dat een populistische fase, in pas onafhankelijk geworden landen, de voor ontwikkeling noodzakelijk geachte natievorming aanzienlijk pleegt te versnellen. Het is niet ondenkbaar dat populistische trekjes eveneens een gunstige werking hebben in een reeds geruime tijd gevestigde natie, wanneer deze in een post-traumatische periode verkeert. Dat is het geval wanneer een natie zich tracht te herstellen van een oorlog, natuurramp of economische crisis. Op de lange duur pleegt een populistische ordening echter geen stand te houden, doordat de veronderstelde solidariteit in eigen kring niet blijkt te bestaan. Dit leidt doorgaans tot ingrijpende veranderingen in
de ordening, waarbij door groeperingen uit de bevolking als werkelijk ervaren belangentegenstellingen vrij spel krijgen (Indonesië, Argentinië).
De populistisch-activistische bewegingen binnen de verzorgingsstaat, waar in dit hoofdstuk op gedoeld wordt, ont wikkelden zich tegen het eind van de jaren zestig. Zij hebben in de jaren zeventig vooral in de sfeer van het welzijnswerk in Nederland veel aanhang gekregen. Het welzijnswerk, van oudsher onder de noemer van het verzuilde particulier initiatief ontwikkeld (souvereiniteit in eigen kring), presenteert zich hierbij als een nieuw particulier initiadef (de Bourbons van vandaag desavoueren de Bourbons van gisteren!). De solidariteitskring waar men voor staat, is in veel gevallen een territoriale eenheid38 - favoriet zijn oude wijken - die gepresenteerd wordt als de bevolking. Uit sociologisch gezichtspunt is de ‘romantische wijk gedachte’ reeds in de jaren vijf tig als moeilijk levensvatbaar gekenschetst!39 In de populistische stroming wordt gestreefd naar mobilisatie van de wijkbewoners tot solidariteitsacties tezamen met welzijnswerkers. Als ‘actiesysteem’ stelt men zich op tegenover het ‘doelwitsysteem’, veelal gevormd door de politiek bureaucratische overheid in veronderstelde combinatie met economische belangengroepen optredend.40 De omtrent tachtig tijdschriften omvattende welzijns-vakpers en enkele andere publikaties leveren ons de geschreven neerslag van deze opstelling.41 Wat de zin en de levensvatbaarheid van deze opstelling betreft, geldt mijns inziens hetzelfde wat in het voorgaande over de derde wereldsituatie is geschreven. Tromp heeft aangegeven dat ook binnen de PvdA dergelijke popularistische tendenties bestaan42, wat de lezer zelf kan toetsen aan sommige partijpamfletten.43
Van deze solidaristische stroming heeft zich in de loop van van de tijd een sociaal-democratische stroming losgemaakt. gemaakt. Deze heeft in ruime mate voorzien in functionarissen en wetenschappelijke doordenking ten behoeve van de verzorgingsstaat.
Hoewel het theoretische startpunt van de sociaal-democratie wel wordt geplaatst rond de befaamde aantekeningen in de marge bij Das Kapital van Marx, door Bernstein, is deze beweging pas geworden wat zij op dit moment voorstelt, in een jarenlang proces van eerst parlementaire en later ook regeringsverantwoordelijkheid dragen. In Nederland is sinds 1939 sprake van sociaal-democratische regeringsverantwoordelijkheid, zij het met enige onderbrekingen.
Wilding en George hebben socialistische en liberale waarden die van belang zijn voor sociale beleidsvoering in de verzorgingsstaat met elkaar vergeleken.44 Drie categorieën staan centraal: vrijheid, individualisme en gelijkheid. Liberalen zijn geneigd om met vrijheid uitsluitend op petrsoonlijke vrijheid te doelen. Socialisten breiden dit concept uit met economische gelijkheid, waarop het overheidsingrijpen gericht dient te zijn. Individualisme is voor liberalen het sturende element in de samenleving. Socialisten zien de ontwikkeling van individualiteit als een maatschappelijk produkt, dat door sturende overheidsactiviteiten voor zoveel mogelijk mensen gerealiseerd moet worden. Niet alleen voor de sterken of de actieven in de samenleving. Wat de sociale waarde ‘gelijkheid’ betreft, liggen beide oriëntaties het verst uiteen. Liberalen gaan uit van de noodzaak van stimulerende materiële prikkels, om mensen zo effectief en efficiënt mogelijk te laten functioneren. Daarmee wordt ongelijkheid als maatschappelijk middel gehanteerd. Wilding en George halen Crosland aan, die het leerstuk van sociale gelijkheid het karakteristieke kenmerk van het hedendaags socialisme noemt.45 Ongelijkheid in individuele capackeiten wordt als basis gehanteerd voor de verdeling van functies en verantwoordelijkheden. Niet bij de verdeling van de ‘benefits’. Me dunkt dat deze waardenstrijd in de parlementaire arena in Nederland vrij duidelijk te herkennen valt.
In een bespreking van sociaal-democratische uitgangspunten voor het beleid in de verzorgingsstaat, mag een enkele opmerking over de in Engeland ontstane wetenschap van de ‘social administration’ niet ontbreken. De grondlegger hiervan, Richard Titmuss, heeft deze sociaal-wetenschappelijke specialisatie tot universitaire wasdom weten te voe-
ren, daarbij geïnspireerd door Sydney en Beatrice Webb en Tawney. Zijn bekendste leerlingen en latere medewerkers, Donnison, Pinker, Lynes, Abel-Smith, Townsend, Rodgers en Greve, zijn in grote trekken sociaal-democratisch georiënteerd. De uitverkoren tegenstanders van deze vaak polemiserende wetenschappers, zijn de eerder genoemde Friedman, en in Engeland Lees en andere medewerkers van het ‘Institute of Economic Affairs’. Het thema dat bij Titmuss en de zijnen regelmatig terugkeert, is dat van de rechvaardige redistribute van publieke middelen. In de discussies hierover komen twee ordeningen hardnelddg terug: (1) universalistische uitgangspunten tegenover selectivistische46 en (2) het institutionele.model tegenover het residuale model voor sociale beleidsvoering.47
George en Wilding noemen de in dit artikel als sociaal-liberalen en sociaal-democraten opgevoerde stromingen respectievelijk ‘reluctant collectivists’ en ‘Fabiansocialists’. Het Fabian-socialisme komt voort uit het werk van de leden van de ‘Fabianssociety’, een samenwerkingsverband van intellectuelen en kunstenaars dat door middel van lobbying veel invloed heeft gehad op het sociale beleid voor de tweede wereldoorlog in Engeland.48 Tot de leden behoorden de eerder genoemde Webbs en George Bernard Shaw.
Ik heb de indrukdat beide stromingen inderdaad het predikaat ‘schoorvoetend’ of ‘aarzelend’ verdienen. Er is sprake van een niet geheel overtuigende zelfrechtvaardiging. Indicatief daarvoor is de invloed die de sociaal-democratie in Nederland op gezette tijden ondergaat van socialistische réveilbewegingen. Daarbij steekt verontrusting de kop op, over pragmadsche en opportunistische trekjes, die een politieke partij in alledaagse bedrijf gaat vertonen, zeker wanneer sprake is van regeringsverantwoordelijkheid. We kunnen wijzen op de recente gezamenlijke acde van de partij-besturen van de PvdA en de PPR, waarbij het aangaan van verlenging van regeringsverantwoordelijkheid nog vóór de
verkiezingen aan een aantal voorwaarden wordt verbonden. Ook Nieuw Links is tot op zekere hoogte een voorbeeld van een dergelijk ‘terug naar de solidaristische opstelling’-appèl, hoewel sommige leden van deze beweging in de eerste plaats handelden vanuit een beduchtheid voor verwording van de parlementaire democratie. Voorts valt deze verontrusting bij ieder PvdA-congres als ondertoon bij ingediende moties wel te herkennen. Nederlandse (sociaal-) liberalen lijken niet voldoende intellectueel esprit op te brengen, om aan diepgaande bezinning op uitgangspunten toe te komen. Grasduinen in publikaties van de prof. Telders Stichting levert althans aanzienlijk minder substantieel materiaal op over de zelfrechtvaardiging van deze stroming dan we in nota's van de Wiardi Beckman Stichting kunnen vinden.49 Bovendien drijft de huidige oppositionele opstelling liberalen steeds verder af van steunverlening aan de verzorgingsstaat. Echter, de terughoudendheid van de traditionele sociaal-liberalen is in het voortgaande aan de orde gesteld!
Wanneer we terug gaan naar het begin van dit hoofdstuk, dan zien we de
verzorgingsstaat steunen op twee hoekstenen, die zijwaarts druk op elkaar
uitoefenen, in de parlementair-politieke arena, en beslist ook zijwaarts
beweeglijk zijn. Figuratief:

Het is in dit verband interessant om te bezien wat er de komende
jaren in Zweden gaat gebeuren, waar sociaal-liberalen verantwoordelijkheid
gaan krijgen voor een verzorgingsstaat. Op grond van het betoog in dit
hoofdstuk valt te verwachten dat het bouwsel, dat door sociaal-democraten is
opgetrokken, in ruime mate intact zal blijven. In de Duitse bondsrepubliek
bestaat reeds jaren een situatie waarbij sociaal-liberalen en
sociaal-democraten te zamen uitgesproken verantwoordelijkheden dragen voor
het beleid in een verzor-
gingsstaat. Het is opmerkelijk dat in deze situatie de christen-democraten zich meer op een duidelijk individualiserend-antagonistisch standpunt lijken te plaatsen dan hun Nederlandse tegenhangers!
Wat parlementaire en regeringssamenwerking betreft, tussen sociaal-liberalen en sociaal-democraten, wijs ik op een ‘intergroepsverschijnsel’. Een intergroep is een samenwerkingsverband van vertegenwoordigers van groeperingen die zich van elkaar onderscheiden door afwijkende en soms zelfs strijdige interpretaties van ‘belangen’.50 Tijdens de samenwerldng ontwikkelt zich een wederkerig begrip voor standpunten en manoeuvreerruimte. Vergaande consensusvorming drijft de leden van de intergroep echter af van de noodzakelijke maatschappelijke steungroeperingen (‘achterban’). Deze combinatie van ‘push and pull’-factoren die op de functionarissen wordt uitgeoefend, garandeert een redelijke mate van berekenbaarheid en daarmee een zeker realiteitsgehalte voor de verzorgingsstaat, ondanks het uitblijven van een op zichzelf staande rechtvaardigingsbasis voor de uitgangspunten van de verzorgingsstaat. En nog groter is het realiteitsgehalte van de cumulerende acties en ingrepen die binnen het raam van het beleid in de verzorgingsstaat worden uitgevoerd. Hiermee is de verzorgingsstaat een niet te omzeilen werkelijkheid!
Uitgaande van de drie eerder genoemde onlosmakelijk verbonden componenten van een strikt rationeel beleid, verwacht ik dat de sociale wetenschappen de volgende bijdragen kunnen leveren aan de discussie over de toekomst van de verzorgingsstaat, die op dit moment vooral door (politiek-)economen wordt gevoerd.
1 - Bij de doeleindendiscussie zou wellicht iets gedaan kunnen worden aan het evidente sociaal-filosofische hiaat. Ik wijs op het eerder genoemde vraagstuk van de rechtvaardige toebedeling van sociale voorzieningen.18 Ook het aan de Utrechtse universiteit geherwaardeerde wetenschapsprogramma rond utopieën kan hier van belang zijn.51
2 - Wat de uitvoerbaarheids- en uitvoeringscategorie betreft, is behalve op inventariserend-kwantitatief onderzoek ten behoeve van databanken, ook te wijzen op kwalitatief-
interpretatief onderzoek. Zo hebben Runciman en Schuyt de publieke percepties van het sociaal beleid onderzocht.52 Over de mensen die het beleid in de verzorgingsstaat vorm geven, de subjecten van het beleid, is gepubliceerd door Van Beugen, Van Daalen en Peper.53 Dit behoeft aanvulling met onderzoek naar de dynamiek binnen de instituties van het beleid. Andragogen verrichten praktijkbegeleidend- en evaluatief onderzoek.
In mijn omschrijving van de verzorgingsstaat strekken politiek en produktie tot welzijn van de leden van de samenleving. Hieruit vallen hoge kwaliteits normen voor het sociale beleid in de verzorgingsstaat af te leiden. Om deze normen te benaderen zijn de hiergenoemde vormen van sociaal-wetenschappelijk onderzoek geboden. De verzorgingsstaat is een weerbarstig empirisch gegeven.
Dit hoofdstuk is gebaseerd op de stof van een collegecyclus die de auteur de afgelopen jaren aan het Andragogisch Instituut van de Nijmeegse Universiteit verzorgd heeft. Het artikel is geschreven dank zij intellectuele stimulering van prof. Schuyt, prof. Van Beugen en prof. Van den Ban, en steun binnen de vakgroep van drs. Arie Besteman.