|
|
|
| | | | | |
Huygens en de Engelse ‘metaphysical poets’
Over de vraag of
Huygens invloed ondergaan heeft van de Engelse zgn
‘metaphysical poets’ - met name
John Donne, de nestor van deze ‘groep’ -
bestaan een vrij groot aantal studies en losse opmerkingen, die tot nogal
gevarieerde conclusies komen vanuit dikwijls verschillende uitgangspunten. De
belangrijkste hiervan wil ik eerst samenvatten.
Met uitzondering van
Eymael en zijn navolgers hebben deze commentators de
neiging een invloed aan te nemen, soms ook zonder duidelijke bewijsvoering.
Deze instelling vond, meen ik, zijn oorsprong in de studies van
Jorissen
1, en
werd verder gepropageerd in ten Brink's
Kleine Geschiedenis der Nederlandsche Letteren:
‘In Engeland had hij (Huygens) kennis gemaakt met een hofpoëet van
Jacobus I, John Donne, deken van St. Paul's te Londen, een dier knutselaars met
rijmen en woordspelingen, zoals men ze na een schitterend tijdperk van bloei
bij een middelmatig geslacht van epigonen pleegt te vinden.
Shakespeare was in 1616 overleden. Noch deze reusachtige
dramatische
Titan, noch
Spencer[!], noch
Sidney, noch iemand uit de school van Shakespeare boeit
Huygens; hij wordt door zijn omgeving gebracht tot een soort van
miniatuurdichters als
Donne,
Carew,
Quarles,
Suckling,
Herrick,
Herbert en
Babington, die zeer sierlijk en elegant kleine rijmpjes
ineenzetten met een sterke overhelling tot vals vernuft. Huygens heeft uit die
studie zijn karakteristieke liefhebberij in het gewrongen geestige en hoofs
wonderspreukige behouden, 't welk de schaduwzijde van zijn achtenswaardig
talent uitmaakt.’
Een ander geluid kwam al spoedig.
Eymael, in
De Gids van 1891
2, stelde dat Huygens
eigenlijk een blijvende bewondering en navolging van Donne maar weinig
uitspreekt; dat hij als jong dichter alleen maar lijdende was aan een
algemeen-Europeesch-litteraire zucht naar moei- | | | | lijke geaffecteerdheid; en dat zijn Donne-vertalingen alleen een aardigheidje waren
voor
Tesselschade en
Hooft in Muiden.
Kalff is blijkbaar overtuigd door dit betoog en laat de
kwestie rusten in zijn
Studiën over Nederlandsche dichters der zeventiende
eeuw (1896 vgl. in De Gids; 1901, 1915) en zijn
Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde (1909;
IV, 378). En passant merkt hij op in zijn Studiën (p. 397, ed.
1915), dat
Donne ‘wel enige invloed’ kán hebben
geoefend, ‘doordat zijn geest aan die van
Huygens verwant was; veel verder kan men niet
gaan’.
Hier eindigt min of meer de 19e-eeuwse visie, die, ook bij een
critisch lezer als Kalff, ervan uit schijnt te gaan dat Donne c.s. meer
‘knutselaar’ dan dichter waren, en dat Huygens' eventuele
beinvloed-zijn een betreurenswaardige gang van zaken zou zijn geweest. Zo'n
instelling loopt min of meer parallel aan de 19e-eeuwse Engelse waardering voor
de ‘metaphysicals’, en blijkt ook in 1909 nog uit een andere
studie:
W. de Hoog,
Studiën over de Nederlandsche en Engelsche Taal en
Letterkunde en haar wederzijdschen invloed (Dordrecht, 1909). De
Hoog begint met te zeggen (p. 108): ‘Op de Engelse taal en poezie heeft
Donne een zeer nadelige invloed uitgeoefend, en evenals
Carlyle in de negentiende eeuw, heeft hij in de
zeventiende eeuw het Engels door zijn werken trachten te misvormen.’ Na,
zoals gebruikelijk, uitgewijd te hebben over het feit dat de twee schrijvers
met elkaar schijnen te wedijveren in het opstapelen van spitsvondige valsheden,
en na, wat minder gebruikelijk is, Donne ‘gebrek aan fantasie en
scheppingskracht’ te hebben verweten, besluit de Assense docent met (p.
109): ‘Ten slotte kunnen wij niet verhelen, dat, niettegenstaande de
schone en dichterlijke gedachten, welke men hier en daar bij beide dichters
aantreft, op vele duistere plaatsen in hun poezie de volgende woorden van
Shakespeare ten volle van toepassing zijn, namelijk:
“their reasons are as two grains of wheat hid in two bushels of chaff,
you shall seek all day ere you find them, and when you have them they are not
wearth the search”.’
Pas in 1927 wordt getracht de ‘two grains of wheat’
althans op te zoeken en te differentiëren, en deze poging verdient dan ook
alle respect als zodanig. Het opstel ‘De zoogezegde invloed van John
Donne | | | | op
Constantijn Huygens’
3 draagt als ondertitel: ‘Een aanvulling van Eymael's
bewijsvoering, op grond van de Donne-vertalingen van Huygens’; nóg
een invloed-afwijzend onderzoek dus. De schrijver,
F. de Backer, vergelijkt met veel zorg de veelbesproken
Donne-vertalingen, en wijst op de grotere grofheid van Huygens. Zijn conclusie
is ongeveer, dat Huygens juist dat vertaalde wat niet bij zijn eigen
sentimenten paste, en dat tegenover het ‘hartstochtelijke en wijsgerige
van
Donne’ Huygens wat burgerlijk afsteekt. Het is
nuttig drie punten, pro memorie, te citeren (p. 104):
| (1) | ‘Bij Donne en bij
Hooft, minnedichters, diezelfde gevleugelde gratie,
dezelfde speelse sierlijkheid, hetzelfde gemak. Huygens heeft in zijn
vertalingen die sierlijkheid, die kunst niet kunnen weergeven. Zijn poëzie
was te zeer de poëzie van het burgerlijke’. |
| (2) | ‘Huygens
houdt van het uitwendige knutselwerk, het precieuse zonder wijsgerige
ondergrond; zijn hoofdkenmerk is een tamelijk nuchtere, positieve, burgerlijke
Anschauung, die met wijsbegeerte weinig gemeen heeft en best vergeleken
kan worden met de, alhoewel nog plattere, kijk op het leven van Vader
Cats.’ |
| (3) | ‘De enige overeenkomst tussen
Donne en Huygens, hun duisterheid, komt niet van Donne: zij is een verschijnsel
van de tijd.’ |
Het grootste tekort van ook dit artikel is dat de schrijver zich
blind staart op dit rijtje vertalingen, en de vraagstelling zelf eigenlijk
nauwelijks benadert. Terzijde vermeld ik nog een Groningse dissertatie van vier
jaar tevoren:
G.J. Buitenhof,
… Huygens' letterkundige opvattingen
(Gouda: Tilburg 1923 uitgeg.). De promovendus laat de lastige kwestie van
Engelse letterkundige practijk en theorie bij Huygens maar helemaal weg. Weinig
ook zegt het hoofdstuk ‘De invloed der Engelsche Letterkunde’ door
Prof. Dr. R.W. Zandvoort in Baur's
Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden
(III, 1944), onder meer omdat de schrijver zich wat te sterk toelegt op
vertalingen alleen. In de paragrafen over Huygens citeert de schrijver de
laatste strofe van een vertaling als bewijs dat Huygens een ‘goed, soms
een zeer goed, vertaler’ was; had hij van hetzelfde gedicht de
voorafgaande strofe afgedrukt dan was een tegengesteld iudicium even
toepasselijk geweest.
| | | |
Een, naar ik meen, minder bekende studie is die van
J. Naninck in
Tijdschrift voor Taal en Letteren
4. Hoewel dit artikel zich
(behalve met een schets van
Donne) voornamelijk bezig houdt met de Donne-vertalingen
(en dat met vrij weinig waardering voor
Huygens), betrekt de schrijver ook meer algemene vragen
bij zijn betoog. Concluderend meent hij, dat Huygens slechts de uiterlijkheden,
de vernuftigheden, van Donne wist te treffen - zulks tot vreugde van de
marinistisch geïnteresseerde Muiderkring en tot spottende critiek van de
kant van
Vondel. Zeer in het algemeen lijkt mij dit niet geheel
onjuist, zoals verderop moge blijken. Maar zijn karakterisering van Donne,
speciaal in verband met het marinisme, zou gemakkelijk misverstanden kunnen
veroorzaken - en begrijp ik het goed dat Naninck ‘marinisme’ en
‘euphuisme’ op een lijn stelt? Niettemin zou deze bijdrage meer
aandacht verdienen.
En zo komen wij bij de jongste serie bestudeerders van deze kwestie:
Prof. Dr. A.G.H. Bachrach, en
Rosalie L. Colie. Professor Bachrach's artikel
‘Sir Constantyn Huygens and Ben Jonson’ (in
Neophilologus XXXV (1951)) toont aan in welke relatie Huygens stond tot
de veelzijdige, en veel oudere, schrijver
Ben Jonson bij zijn vroege bezoeken aan Engeland. Kort
samengevat: ‘Constantyn never became one of “Ben's Sons”. We
can now say, however, that he was more than a chance acquaintance.’ En:
‘… the “Father of the sons of Ben” had evidently
prepared the way in Huygens's mind for …[Donne]… towards whose
poetry, but for Jonson, “Constanter” might never have
turned’. De schrijver wijst hierbij speciaal nog op de Jonsoniaanse sfeer
van de
Zedeprinten, vele
Sneldichten, en enigszins ook
Daghwerck. Zelf heb ik bovendien nog het
vermoeden dat Jonson's strenge houding ten opzichte van de versmaat en zijn
daaruit voortvloeiende critiek op Donne misschien mede-bepalend is
geweest voor Huygens' uiterlijk vrij stijve bewerking van Donne's verzen en
voor zijn eigen soortgelijke gedichten. Uit het compacte betoog zou ik nog de
volgende citaten willen lichten, te gebruiken als verdere ‘punten’
bij mijn be- | | | | handeling. Ten eerste, als aanvulling op de Backer's
opmerking over
Huygens' instelling, dat bij zijn derde reis naar Engeland
(in 1621-22 nl.) ‘…Constantyn found himself establishing those
unique contacts with the London world of letters which will prove to have set a
very definite stamp on his literary scale of values. He came to feel, above
all, that the difference between literary England and the analogous world in
his own country was not one of degree, as he had hoped, but one of kind, as
he had feared.’
5 Een ander citaat nu,
dat Huygens' kijk op zijn talrijke vertaalwerken nog eens duidelijk stelt:
‘But then, Huygens was to struggle for the rest of his life with the
dilemma: to paraphrase or to translate.’ En even verder: ‘What
counts is that in those days (d.i. het vroege bezoek aan Engeland, vanaf 1618)
Huygens must have feared the hopelessness of his ever hitting on an adequate
equivalent, in seventeenth century Dutch usage, for the amazing poetic
expressiveness he found in England - …’
Ten slotte nog
Rosalie Colie, schrijfster van ‘Some
Thankfulnesse to Constantine’ dat in 1956 bij Nijhoff
verscheen. Zij gaat niet al te diep in op deze zaak, en besteedt het grootste
deel van haar hoofdstuk ‘Huygens hath Donne’ aan een bespreking van
de vertalingen. Maar één opmerking wil ik graag letterlijk
overnemen (p. 70): ‘…[Huygens] …had a taste for the
curious, the new, the suggestive; a true Renaissance virtuoso, he recognized
qualities in regions not always essentially congenial to him.’
Er zijn, geloof ik, vier uitgangspunten noodzakelijk om althans te
trachten tot een duidelijker beeld te komen.
Ten eerste, dat het misschien voor een neerlandicus vrij
moeilijk is zich tevoren voldoende te bekwamen in de lastige methodiek der
‘metaphysicals’. Een anglist, die geacht wordt enigszins vertrouwd
te zijn met deze merkwaardige categorie, zal wellicht eerder hun invloed
terugvinden in Huygens.
Ten tweede, dat, waar litterair-historische argumenten
uitgeput raken | | | | zonder een duidelijke conclusie te bereiken, de
tekstcritiek - los van historische documentatie - uitkomst kan brengen; bij
‘tekstcritiek’ denk ik aan het Engelse instituut van de
‘practical criticism’, of wel in zijn Amerikaanse vorm ‘the
new criticism’. Natuurlijk is dit niet de plaats voor een behandeling van
deze methode, vooral ook omdat het een ‘methode’ van
discússie over poëzie is, niet een reeks regels en criteria. (Zoals
bekend, is dit vooral aangeduid door het boek
Practical Criticism - A Study of Literary
Judgment (1929) van
I.A. Richards. De ontwikkeling ervan kan men het best
volgen in diverse essays van
T.S. Eliot en
Dr. F.R. Leavis.) Het bleek mij echter niet geheel
overbodig (hoewel misschien onmogelijk) toch zéér summier enige
hoofdpunten samen te vatten:
Bij lezen en beoordelen van een tekst zijn er uiteindelijk twee
instellingen: een ‘objectieve’ en een ‘subjectieve’. De
‘subjectieve’ is in principe onbruikbaar: de lezer gaat daarbij af
op zijn ‘innerlijke stem’ - dat betekent, dat alle critici elk een
ander oordeel kúnnen hebben (en dán kan men een ander toch geen
onjuist oordeel verwijten!), dat zij nauwelijks van gedachten kunnen wisselen
of ‘critiek’ uitspreken, en dat, als zij het toch doen, hun woorden
niet slaan op die bepaalde tekst, maar uitsluitend hun ‘innerlijke
stem’ bekend maken - duidelijker nog, zij praten alleen over zichzelf,
zonder het te weten. De ‘objectieve’ instelling vergt lange
voorbereiding: nodig is een voortdurend vergelijken van teksten bij een
voortdurend analyseren van teksten - steeds dus de vraag wat nu precies in die
tekst (op die plaats en nergens anders) de reacties en associaties opwekt die
de lezer ervaart (of kan ervaren na er op attent te zijn gemaakt). De
discussiemogelijkheden zijn onbeperkt (en essentieel) wanneer men uit zo'n
tekst alle passages emotioneel en associatief tracht te
‘analyseren’ - het komt de discussie én het stellen van
vragen ten goede wanneer de tekst anoniem (dus onbevooroordeeld) aan de critici
wordt voorgelegd. Eerst hierna kan men de tekst rechtvaardig gaan lezen; zoals
Leavis het noemde, ‘the re-creation of a poem with maximum fidelity to
the text.’
Nodig is dus de bereidheid tot communicatie over (bijvoorbeeld) het
optimale communicatiemiddel: poëzie; waarbij het enige doel op | | | | dat moment de zgn. ‘right reading’ is - een onbereikbaar
streefdoel waar allen het onomstotelijk eens zouden zijn over wat de behandelde
tekst zegt. Gevraagd wordt dus niet een ‘opinie’ maar een
‘evaluatie’: vaak vragen naar de functie van een beeld, van een
rhytme, naar de onvervangbaarheid van woorden; want valt dat negatief uit, dan
mag men terecht gaan twijfelen aan de belangrijkheid van 's dichters
‘right reading’. Deze ‘evaluation’ dus moet leiden tot
een bewustere ‘appreciation’, los van vooroordelen.
‘Practical criticism’ is geen wetenschap, maar een aangenaam
hulpmiddel.
Na deze digressie over een punt dat in Engeland tot vele
herwaarderingen heeft geleid (en dat m.i. ook in Nederland zou kunnen), de
derde voorwaarde bij een studie over
Donne en
Huygens: men moet niet blijven steken bij de
Donne-vertalingen van Huygens. Immers, uit die vertalingen zelf blijkt geen
invloed, alleen belangstelling. Natuurlijk is Huygens' begrip en aanleg voor
Donne-achtige poëzie wel enigszins af te lezen uit een tekstcritische
vergelijking van origineel en vertaling: in het algemeen bleek mij dat Huygens
meer aanleg had voor het puntig vertalen van treffende uitdrukkingen dan voor
het weergeven van de complexiteit van gedichten als b.v. ‘The Sunne
Rising’ (‘De opgaende Son’) en ‘The Apparition’
(‘De verschijning’) - maar zíjn die te vertalen?! Nee,
‘invloed’ is wanneer men bijvoorbeeld trekken van Donne zou vinden
in Huygens ná zijn kennismaking met diens poëzie en in zijn
originele geschriften.
Ten slotte, als vierde uitgangspunt, het is gemakkelijker de
vraag toe te spitsen tot: wat kán Huygens van de
‘metaphysicals’ geleerd hebben? Iets dus, wat in de Nederlandse
letteren niet eerder zo voorkomt en wat essentieel is voor de
‘metaphysical poets’.
Het ligt voor de hand dat wij moeten zoeken in de richting van hun
‘wit’, speciaal zoals die tot uitdrukking komt in de
‘metaphysical conceit’. Zeer kort en onvolledig gezegd, is het in
het algemeen een soort uitgebreide vergelijking van op zichzelf heterogene
begrippen, die door een snelle associatiereeks worden bijeengevoegd, en waarvan
de implicaties en complicaties tot het uiterste worden uitgesponnen
6.
| | | |
Noodzakelijk is het, dat de ‘conceit’
volkomen consequent wordt uitgespeeld, zonder losse, onbenutte eindjes, en dat
voortdurend de associërende gedachten in onderling verband blijven staan.
(Dit, tussen haakjes, zou ik bij iedere poëzie toch wel willen
verwachten). Het accent komt dus op begrippen als ‘associatie’ en
‘discipline’. Uit ieder kernwoord rollen enige spontane associaties
(in eerste instantie voortkomend uit een ietwat emblematische gevoeligheid), de
discipline van de dichter selecteert één lijn van associaties die
het vers opbouw verlenen, en in het beste geval grijpen de steeds doordraaiende
beelden keer op keer terug en steeds weer in elkaar, tot die ‘spontane
analyse’ van de dichter met een vaak zeer onverwacht slot in een nieuw
verband wordt samengebracht. Logisch gesproken dus een spel van
dubbelzinnigheden; beeldend gezien een keten van (b.v. vorm-)associaties;
emotioneel, een opborrelende reeks bijgedachten en ‘undertones’ op
het thema. Als voorbeeld diene de eerste strofe van het gedicht ‘A
Valediction: of weeping’, waarbij men tevens lette op de
‘functionele’ tempowisselingen, het behulpzame rijm, op
tegenstellingen (echo's zou men willen zeggen) als ‘I stay here’ -
‘on a divers shore’ en ‘something worth’ -
‘nothing’, en op dubbelzinnige woorden als ‘beare’,
‘Fruits’ en ‘bore’:
My teares before thy face, whil'st I stay here,
For thy face coines them, and thy stampe they beare,
And by this Mintage they are something worth,
Fruits of much grief they are, emblemes of more,
When a teare falls, that thou falst which it bore,
So thou and I are nothing then, when on a divers shore.
Hieruit vloeit dus voort, dat bij dit soort ‘conceited’
poëzie er twee neigingen opvallen: het doorgedreven-associatieve element,
zowel intellectueel als ‘sensationeel’ (en daarbij, of
daarvóór, een in elkaar versmelten van gedachte en
‘sensatie’ (d.i. emotie en ervaring)); én een analytische
neiging om uit de opzettelijke vergelijking in de ‘conceit’ iedere
gewenste mogelijkheid te trachten te distilleren, wat nogal eens met
(opzettelijke) schokken gepaard gaat. Het spreekt vanzelf dat deze | | | | gang van zaken alleen succes kan hebben wanneer de dichter een zeer
persoonlijke ‘wit’ uitleeft. Het komt mij voor dat pogingen bij
Huygens plegen te stranden op een moraliserende tendens
tot veralgemening en distantiëring. Wat de analyserende werking betreft,
die meestal zeer subtiel is, schijnt het mij toe dat Huygens wel de neiging
bezat, maar dat het een voor hem vaak te grote beheersing als dichter vereiste:
hij is geneigd de mogelijke associaties met teveel woorden te vangen, waardoor
zij meer intellectueel en minder puntig worden. Zij verliezen aan
overredingskracht. Ik zal hier nog een voorbeeld van geven.
Voor het uitdragen van genoemde elementen is een heftige en zeer
functionele accentuering en dramatisering nodig. Ook hier treedt bij Huygens
een rem op: hij schijnt een te grote losheid van metrum niet aan te durven.
Zijn accenten zijn dan ook vaak meer metrisch dan dramatisch - kortom, minder
‘functioneel’. Bij
Donne daarentegen is hardop lezen vaak nodig om via de
accenten zijn tekst (beter) te verstaan; tevens dus kan een veelvoudige
betekenis te voorschijn komen door de accenten te verleggen, wat soms duidelijk
de bedoeling is als een van de vormen van dubbelzinnigheid die de
‘conceit’ tot leven brengen. Donne, en vrijwel alle Engelse
dichters uit zijn tijd hebben een sterk gevoel voor het dramatische.
Bij deze opsoming van deze vorm van ‘metaphysical wit’
ten slotte nog, dat een ‘overgevoelige’ woordbewustheid nodig is:
d.w.z. een ontwikkeld gevoel voor de uitgebreidheid van betekenis in elk woord,
zeer vaak ook de dubbelzinnigheid en de onverwachte wending die daar in
schuilt. Dit is, zoals bekend, bij Huygens in hoge mate aanwezig. Niettemin
mist hij vaak als artiest de volledige overgave aan de veelzijdigheid van zijn
dichtbeelden, als vakman de discipline om zich niet door rijm en syllabe-getal
op dode- en zijsporen te laten meeslepen, en als kunstenaar nogal eens het
raffinement om te weten met hoeveel eenvoudiger middelen hij een veel grotere
expressie kan bereiken.
Wanneer men nu gaat zoeken naar passages of hele gedichten die met
de werkwijze van de ‘metaphysicals’ overeenstemmen blijken die in
hun zuivere vorm eigenlijk niet voor te komen. Wel soms een aanloopje, dikwijls
het materiaal. Maar de artistieke mogelijkheden | | | | die van een
‘conceit’ een behoorlijke ‘metaphysical conceit’ maken
zijn meestal ongebruikt gebleven. Voorbeelden te over; zo de volgende passage
uit
Oogen-troost
7,
betrekkelijk willekeurig gekozen:
De Treurige sijn blint: sy sien maer door haer' traenen
'T is soo, het vol gemoet ontlast sich door die kraenen;
Maer door die bobbelen swelt aller dingen schijn,
En 't werden wijde, dat maer enge wonden zyn.
En, slaender winden toe, sy suchtense tot baeren:
Soo datse door den storm wel, waer sy geerne waeren,
Maer niet en sien, waer langs: haer predick' Maegt of Man,
Sij sien niet hoe het weer klaer weder werden kan.
Heel oppervlakkig doet dit vers even aan
Donne denken. Materiaal voor een conceit lijkt aanwezig:
tranen als vergrootglazen, zuchten als misleidende stormen, en een grapje aan
het eind. Jammer is het woord ‘kraenen’ dat de beeldende kracht van
regel 2 nauwelijks goed doet, en de ‘logische’ overgang van
‘traenen’ naar ‘die bobbelen’ nogal in de weg zit. Tot
regel 5 is er niettemin een duidelijke richting aan te wijzen. Het beeld van de
stormzucht die de ‘weg waarlangs’ onzichtbaar maakt lijkt mij niet
sterk tot de verbeelding spreken; voor ‘Maegt of Man’ is moeilijk
een reden te vinden, noch uit het voorafgaande, noch uit het volgende - men
vreest dus dat het een stoplap is met rijm op ‘kan’. De conclusie
met woordspeling is wat flauw.
Goed bezien blijkt er geen sprake van een ‘metaphysical
conceit’ te zijn, ondanks het gelijksoortige materiaal. Eigenlijk, en dat
is bijna een algemene waarheid in zo'n geval, zegt Huygens achter elkaar een
reeks zaken die bij elkaar denkbaar zijn maar niet noodzakelijk van elkaar
afhangen door de verrassende draai van het vers; zij zijn betrekkelijk los, en
zonder veel schokkends. Regel 2 zou helemaal weg kunnen, en de conclusie, ook
al slaat zij op tranenregen en zuchtstormen, op blinde ogen en klaar uitzicht,
wordt ingegeven niet door het voorafgaande maar door de preek van een zojuist
geïntroduceerde ‘Maegt of Man’ (die achter de caesuur met
dubbele punt de volle accentkracht krijgen - waartoe?). Kortom, hoe aardig ook,
het vers is nog wat te stug en mist de puntige ‘dramatiek’ en de
verrassende | | | | samenhang van een
Donne.
Meer in die richting is het tweede voorbeeld. Een passage uit
Daghwerck (Koren- bloemen,
1658, p. 408) met het beeld van het ‘boek’, ook bij Donne zeer
geliefd voor speelse beeldspraak.
MAER der Sterren welgevallen
Magh my ongestadigh vallen
Meer dan ghy, mijn'even Sterr,
Mog'lick of sich 't weer verwerr',
Mog'lick my uyt Bos en weyen
Kom' te suchten of te schreyen,
Kan ick rijden sonder ros.
'K weet een Bos van witte blad'ren,
10
Vol van ad'ren, swerte ad'ren,
Ad'ren vol van 't beste bloed
Daer sich hert en hoofd af voed',
'K weet een Bos uyt alle winden;
Over Eicken, over Linden;
O mijn Bos van Boecken-blad!
Sterre, ben ick t'huis te soecken,
Soeckt my inde Boeck-wey-hoecken:
Magh ick weyen, dat's de wey
20
Daer ick liefst van allen wey.
Maer en laet'er my niet soecken;
Ben ick uyt, dat's in mijn' Boecken;
En 't en is geen valsch beduyt,
Daer in, ben ick allom uyt.
Huygens' eigen voetnoten zeggen hierbij ter explicatie:
‘- Soo my nu quaed, windrigh, of regenachtig weder de wandeling buyten
belett, heb ick binnenshuys een' ander wandeling te doen. - Onder mijne
Boecken. - Daer moet men my binnens huys soecken, als in mijn aengenaemste
tijdverdrijf. - Doch laet liever seggen, wanneer ick daer ben, dat ick uyt ben.
Want, inderdaed, zijnde inde Boecken, houde ick my uyt en verre van alle andere
besigheit.’
De ‘conceit’ is het bos van witte blâren, het
Boecken/beukenbos. ‘Boecken-blad’ maakt de absurde beeldspraak van
het ‘Bos van witte blad'ren/Vol van ad'ren, swerte ad'ren,/Ad'ren vol van
't beste bloed’, | | | | door de
Donne-achtige dubbelzinnigheid van
‘blad'ren’ tot een goed gesloten ‘conceit’. De
dubbelzinnigheid ‘Boecken’, voorbereid door de ‘Eicken’
en de ‘Linden’ die overtroffen zullen worden, komt precies op tijd.
Het thema uitstapje - boeken wordt dan aardig voortgezet, en afgesloten door de
paradox (weer typisch ook voor de ‘metaphysicals’) ‘Daer in,
ben ick allom uyt’.
Er spreekt uit dit stukje een grote speelsheid, en soms iets dat men
‘woordbewustheid’ zou kunnen noemen: ‘Suchten’ en
‘schreyen’, Sterre doet het soms, de Sterren vaker en erger;
woorden als ‘even Sterr’, ‘Boecken-blad’,
‘Boeck-wey-hoecken’, allen zeer toepasselijk, gepast, en
noodzakelijk voor de speelse sprongen van de ‘conceit’. Het spel
met het woordje ‘wey’ is een beetje veel van het goede, lijkt mij,
en doet toch prettiger aan in een puntdicht. Jammer is de stoplap ‘En 't
en is geen valsch beduyt’ die, in al zijn veelwoordigheid, het effect van
de slotregel voor mij bederft. Persoonlijk vind ik ook de voetnoten wat jammer,
en vaak een teken niet alleen van zwakte (of misschien gebrek aan
preciesering), maar ook dat
Huygens vaak meer op het cryptogram uit was dan op een
zo treffend mogelijk ‘zeggen van iets’, zoals Donne wanneer die
zulke toeren uithaalt. De toon is terecht licht, voornamelijk door de korte, in
paren rijmende regels. Functioneel rijm, zoals dat nagestreefd wordt door een
dichter als Donne, is het eigenlijk niet; soms lijken de rijmwoorden (en rijmen
accentueren nu eenmaal) zelfs wat dwangmatig (b.v. ‘sónder
rós.’; wel aardig, maar niet ter zake doende). Ondanks de complete
uitgesponnen ‘conceit’ mist het fragment toch nog de concentratie
van echte ‘metaphysical poetry’.
Hoewel deze twee voorbeelden maar een geringe plaats innemen in dit
betoog, is het niet nodig (al zou dat niet lastig zijn) om met veel meer te
komen; de geciteerde passages zijn representatief voor een groot aantal
gevallen in Huygens' werken. Uitgebreidere opmerkingen over de maniér
van zoeken (mijn ‘vier uitgangspunten’) zijn m.i. even belangrijk
omdat die manier een duidelijke conclusie schijnt te waarborgen.
Na deze woorden over ‘wat Huygens geleerd kán hebben
van de | | | | “metaphysicals”,’ en in hoeverre zijn
poëzie ook werkelijk overeenkomt met die van de
‘metaphysicals’, wilde ik terugkomen op de punten die ik citeerde
aan het begin.
Op de vertalingen liever niet. Ik herhaal dat uit vertalingen geen
invloed hóéft te blijken, hoogstens een geinteresseerde
kennismaking, en dat men dus naar het latere oeuvre moet kijken. Wel belangrijk
lijkt het mij in dit verband te blijven onthouden dat
Huygens kennelijk geïntrigeerd was door de
krachtsverschillen tussen de twee talen en door het onderscheid
‘vertalen’ en ‘paraphraseren’. Huygens wás
waarschijnlijk zeer geboeid door
Donne's methode, maar zijn talrijke opmerkingen over het
karakter van de Engelse taal duiden al op zijn moeite met vertalen. Het begrip
‘paraphrase’ zou hem zeker beter geleken hebben.
Dat
Jonson Huygens voorbereid zou hebben op Donne lijkt mij
wel aan te nemen. Zo'n voorbereiding zou dan liggen in de epigrammatische
gebondenheid, zoals men die in Donne's
Satyres ook vindt. Die satires zijn echter even
oud als Jonson's satirisch werk; dus dat hoeft niet beslist Jonson te zijn. Ik
geloof echter stellig dat een zekere ernstige en toch soepele, klassieke
compactheid Huygens althans meer ontvankelijk kán hebben gemaakt voor
Donne; maar dan ook tevens weer terughoudend tegenover Donne's
associatie-schokken.
Dan de duisterheid, die niet van Donne zou komen, maar een
verschijnsel van de tijd zou zijn. Huygens' ‘duisterheid’ (veel
minder meestal dan bij Donne) lijkt mij vaker onduidelijkheid te zijn dan
diepzinnigheid of verfijnde dubbelzinnigheid. Is het een verschijnsel van de
tijd? Waarom zou
Vondel dan speciaal van Donne zeggen dat hij een
‘duistere Zon’ is? Misschien mag men spreken van duisterheid in
zoverre dat men meer bedacht was op symboliek, parallellen, en woordspelingen.
Maar de ‘metaphysical conceits’ die sommigen bij Huygens menen op
te kunnen merken zijn althans in Nederland toch niet een algemeen verschijnsel
van die dagen.
Wij komen nu meer bij de dichter zelf. Er werd van hem gezegd, dat
hij nuchter-precieus was, en on-wijsgerig (in tegenstelling tot Donne, vond
de Backer). Maar is voor Huygens het dichten niet
slechts één (hoe belangrijk dan ook) deel van zijn modernere
Corte- | | | | giano-opleiding, en niet zozeer een niet tegen te houden
expressie-noodzaak, zoals het bij
Donne vaak lijkt? Zoals Miss Colie zegt: dat hij
virtuoos was met een goede neus voor goede zaken, ook zonder dat hij daar
noodzakelijk een duidelijke verwantheid mee bezat. En als men, tegenover de
sierlijke gratie en speelsheid van Donne (en
Hooft)
Huygens een zekere mate van burgerlijkheid toeschrijft
(en terecht!), moet men dan eigenlijk niet zeggen dat zijn moraliserend
Calvinisme Huygens steeds te machtig is; niet voor niets is Huygens ook geen
amoureus dichter zoals de meesten op hun tijd. Ik zou de moeilijke
beïnvloeding en assimiliatie dan ook stellig zoeken in het eerder genoemde
geaardheidsverschil, niet een graadsverschil, waarbij Huygens, hoe
vooruitstrevend en man-van-de-wereld dan ook, het wat stijve en
geforceerd-elastische van de Hollander die zich in dit idioom wil uitspreken
vrij aardig representeert. Dat klinkt onaardig, maar daarmee wil alleen gezegd
zijn, dat Huygens (en kijk eens naar de omgeving waarin hij werd opgevoed) in
Engeland wel intellectverwanten, maar minder geestverwanten ontmoette. Het hof
van Jacobus en van Karel I (waar de Engelse puriteinen dan ook fel tegen
ageerden) was beslist meer elegant, cosmopoliet en verrassend dan Huygens kon
of wilde assimileren.
Niettemin heeft hij in zijn poëzie toch sporen van dat
‘enigszins duistere en on-Hollandse’ dat hem met de metaphysicals
verbindt, en die invloed (van welke diepte of aard die ook geweest mag zijn)
blijft tot in zijn laatste gedichten doorklinken. Of die invloed met alle
geweld Donne was is moeilijk na te gaan. Donne's soort gedichten was toen de
meest populaire in de Engelse kringen waar Huygens verkeerde, en talrijke
lieden schreven ‘metaphysical poetry’; Huygens kan met vrij veel
mensen uit die groep van grote en kleine ‘metaphysical poets’ in
aanraking zijn geweest; dat hij speciaal Donne vertaalde ligt voor de hand -
het was het beste dat hij kon vinden in dit genre. Belangrijker lijkt mij
haast, dat de sfeer (als ik het zo onwetenschappelijk mag zeggen)
‘metaphysical’ was. Dat er geen bekendheid met de dichter Herbert
ontstond, die toch veel meer zijn instelling deelde, zal wel liggen aan de
milieuverschillen.
Welke ‘invloed’ blijft dan eigenlijk over? De factoren,
die ik eerder | | | | noemde als nodig voor het slagen van
‘conceited poetry’ zijn in verschillende opzichten niet veel anders
dan die welke men op alle poëzie enigszins mag toepassen; faalt
Huygens hierbij dan is zijn zwakte een
algemeen-dichterlijke.
Zo blijven slechts twee zaken over als typisch al of niet
‘metaphysical’-beïnvloed: de hyperbolische vergelijking, die
Huygens onweerstaanbaar bleef aantrekken, en waarin hij zich meer dan eens
trachtte uit te leven, zonder ooit die speelse compactheid te benaderen; en het
verrassend door-associëren en door-analyseren. Hij slaagt volgens mij
nooit helemaal; dat hij het toch probeert kan zeker wijzen op een grote
belangstelling voor de vernuftige hovelingen en intellectuelen die hij op zijn
Engelse reizen (en in Engelse kringen in Holland) ontmoette; dat het hem niet
vaak lukt om waarlijk overtuigend en overrompelend, en eventueel ontroerend te
zijn bij zulke pogingen ligt zeker aan het verschil in sfeer en geaardheid -
maar misschien toch ook wel eens aan een dichterschap dat net niet toereikend
was voor zulke moeilijke hoogten. Waarop Huygens kon zeggen
8:
‘Neemt het wel of qualick, Leser; Leest my, of laet my
ongelesen…’
Leiden
J.A. van Dorsten
|
1 ‘John Donne en Constantyn
Huygens’, Nederland, Sept. 1870, III, 76 vlg.
3In:
Album opgedragen aan Prof. Dr. J. Vercoullie,
1927, dl. I.
4J. Naninck, ‘Rond Huygens'
vertalingen uit het Engels van Donne’. In: Tijdschrift voor
Taal en Letteren, XXIX, 1941; pp. 143 vgl.
6Vgl. T.S. Eliot, ‘The
Metaphysical Poets’, 1921.
7In:
Koren-bloemen, 1658, p. 466.
8Dagh-werck:
‘Voor myn’ ,Uytlegging’. In
Koren- bloemen, 1658, p. 336.
|
|