Het geheim van de klokkenmaker


auteur: Tonke Dragt


bron: Tonke Dragt, Het geheim van de klokkenmaker. Leopold, Amsterdam 1990 (2de druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 98]



illustratie

[p. 99]

Naspel
In de bibliotheek aan de Andere Kant van de Deur

‘Was het uit met het gedonder?’ vroeg Christian. ‘Vast niet, weet ik zeker... Ik heb je heus wel gezien, Jan A! Waarom heb je je avontuur niet zelf voorgelezen?’

De bibliothecaris zei: ‘Ik heb het hem gevraagd, Christian, maar hij weigerde. Dus heb ík het maar gedaan.’ Hij tikte met een wijsvinger op het stapeltje papier en sprak verder, meer tot zichzelf dan tegen de kinderen: ‘De Tijd zal je leren... jou leren... Had hij zijn verhaal niet beter “De Tijd zal mij leren” kunnen noemen?’

‘Nee hoor!’ zei Jan A. Hij boog zich naar voren over de leuning van de grote lederen stoel (Christian had hem toch al gezien) en voegde erbij: ‘Ik heb het niet in de eerste persoon geschreven.’

‘In de eerste persoon? Wat bedoel je daarmee?’ vroeg Christian.

‘Een ik-verhaal,’ zei Claartje. ‘Dat was het niet; het verhaal ging over hij... de student.’

‘En is dus geschreven in de derde persoon,’ vulde Jan A aan.

‘Niet waar, de derde persoon was de professor,’ zei Christian, ‘want die kwam het laatst. De tweede persoon was de klokkenmaker. En de eerste persoon ben jij, Jan A! Maar in het ándere verhaal was de klokkenmaker de eerste persoon...’

‘Praat me niet van eerste en tweede en derde personen,’ sprak de bibliothecaris. ‘Dat doet mij denken aan ál te veel alter ego's.’

‘Al te veel? Voor u?! Dat geloof ik niet,’ zei Jan A, terwijl hij opstond en naar de tafel slenterde. ‘Ik zou, wat u betreft, juist denken: Hoe meer hoe beter! Alter ego's, dubbelgangers, duplicaten, replica's, spiegelbeelden, enzovoort, etcetera. Aan beide kanten van de deur zogezegd. Waarom eenvoudig als het ook tweevoudig kan?’

De bibliothecaris gaf hier geen antwoord op.

[p. 100]

Christian grinnikte. ‘Die student was wel dubbelstom!’

‘Dank je, jongen!’ zei Jan A. ‘Jammer dat de klokkenmaker hier niet is.’ Hij vestigde een vorsende blik op de bibliothecaris. ‘Wat zou hij van mijn verhaal hebben gezegd?’

‘Dat het mooi geleugend is,’ zei Christian. ‘De student heeft het verzonnen van A tot Z.’

‘Tot en mét Z,’ verbeterde de bibliothecaris. ‘Als hij het helemaal verzonnen heeft tenminste.’

Claartje kwam dicht bij Jan A staan en zei: ‘'t Is niet verzonnen, ik geloof dat het waar is.’ Ze keek vragend naar hem op. ‘Ja hè? U was toch werkelijk die student? Bent u... Is de student later nog geslaagd?’

‘In het verhaal van de klokkenmaker staat niets van geslaagd of gezakt,’ sprak de bibliothecaris. ‘Dat is ook van gering belang.’

‘Daar ben ik het niet mee eens,’ begon Jan A nogal heftig, ‘het was... Ach,’ vervolgde hij, opeens kalm, ‘u hebt gelijk, dat was toen. Niet van belang, niet meer... of misschien toch wél. Alleen anders dan ik eerst dacht. Maar dat is een nieuw chapiter.’

Claartje zei: ‘Ik wil tóch weten hoe het verder is gegaan.’

‘En ik zou willen weten hoe het met de klokkenmaker is gegaan,’ zei Jan A tegen de bibliothecaris. ‘Wij hebben elkaar uit het oog verloren zoals u weet. U kent hem goed. Ziet u hem nog vaak? Dan wilt u hem zeker wel namens mij vertellen dat ik nog steeds wacht op mijn oude horloge, dat hij zou repareren. Een solide analoog horloge, van mijn moeder gekregen toen ik achttien werd. Met wijzers.’

‘Da's ook brutaal,’ zei Christian. ‘Wat moet je daar nou mee?’

Claartje deed een stapje terug en legde een vinger op haar lippen.

‘Neem me niet kwalijk, lieve kinderen!’ Jan A liet zijn beide polsen zien. ‘Kijk, vel over been! Helemaal geen horloge meer. Ik heb me een jaar of wat geleden natuurlijk een nieuw aangeschaft: zo'n modern kwartshorloge, LCD, digitaal. Maar dat is mij kortgeleden ontstolen.’

Er viel een enigszins ongemakkelijke stilte die hij zelf moest verbreken:

[p. 101]



illustratie

‘Naar mijn mening is nu de klokkenmaker aan de beurt. Laat híj het verhaal vervolgen.’

‘Een vervolg? Misschien,’ zei de bibliothecaris. ‘Ik zou het hem kunnen vragen...’

‘Hébt u niet al een vervolg, hier, in uw zo bijzondere bibliotheek?’

‘Wellicht, misschien, wie weet,’ antwoordde de bibliothecaris vaag. ‘Maar daar ga ik niet naar zoeken; dat is werk voor de archivaris.’ Hij pakte een map en begon Jan A's papieren erin te leggen. ‘Bovendien moeten wij wachten tot de jongen Otto er weer bij kan zijn. Hij heeft, of had, een boekje, dat...’

‘Waar is Otto?’ vroeg Claartje.

‘Aan zijn kant van de deur,’ antwoordde Christian. ‘Hij komt heus gauw wel weer. En als-ie komt zal ik hem jouw verhaal laten lezen, Jan A. Daar zul je vast heel wat over horen! En nou moet je ons vertellen wat er gebeurde op donderdag.’

‘Wat denk jij wel?’ zei de vroegere student. ‘De bibliothecaris heeft het voorgelezen - en daarvoor mijn dank -, maar wie heeft alles opgeschreven en getikt? Ik! Bladzijden vol, niet voor mezelf, voor jullie plezier. Ik vertel voorlopig geen verhalen meer, zelfs niet aan jou, Christian Dondersteen. Leen jij maar een boek uit de bibliotheek!’

[p. 102]

‘Een andere keer,’ zei de bibliothecaris. Hij had intussen de map dichtgedaan en de linten vastgestrikt. ‘De uitleen is gesloten.’ Hij stond op. ‘Het wordt zo langzamerhand tijd dat ik vrijaf neem.’

‘Hoe laat is het dan?’ vroeg Jan A.

De bibliothecaris glimlachte. ‘Het is nog niet laat.’

Hoe laat?’ vroeg Jan A luid.

De bibliothecaris stond nu tussen de twee Januaraanse kinderen in, zijn handen op hun schouders. Hij zei: ‘Vraag dát aan de klokkenmaker.’

Weer viel er een stilte in de bibliotheek. Het getik van de klok zonder wijzers werd steeds beter hoorbaar.



illustratie

Hiernaast: Hollandse staande klok in wortelgefineerde kast, ± 1700. Wijzers verwijderd in de 20e eeuw. (Met dank aan A. van Oirschot. Bibliothecaris Januaraanse Ambassade.)