Voor de V.A.R.A. heeft Drees op 2 Mei 1931 een radio-toespraak gehouden over sociaal-democratische gemeentepolitiek, in het bijzonder in Den Haag. Hoewel daarin over actuele vraagstukken in die tijd werd gesproken, bevat de rede algemene, principiële gedachten, die aan actualiteit niet hebben ingeboet.
Verleden week heeft Wibaut uiteengezet wat de algemene betekenis is van de gemeentepolitiek en die van de sociaaldemocratie in de gemeentepolitiek.
Hij heeft in het licht gesteld hoe de gemeente in toenemende mate het orgaan wordt ter gemeenschappelijke voorziening in behoeften, waarin niet elk persoonlijk doeltreffend kan voorzien, maar waarin wel doeltreffend gezamenlijk kan worden voorzien. Hij heeft daaraan toegevoegd, dat de gemeentepolitiek, die nodig is in het belang van alle ingezetenen, het veiligst is bij de sociaaldemocraten, omdat het sociaaldemocratisch beginsel er op aangewezen is om heel het economische leven te richten op zo goed mogelijke en zo algemeen mogelijke voorziening in de algemene behoeften der mensen.
Mijn taak is het zeer in het kort iets te zeggen over het Haagse gemeentebeleid en over de wijze, waarop wij ook in Den Haag trachten onze beginselen in de gemeentelijke politiek te doen doorwerken.
Bij een gemeente als Den Haag, die zich kenmerkt door een gestadige en zeer snelle groei, is in de eerste plaats van overwegende betekenis de wijze waarop gezorgd wordt voor de stadsuitbreiding.
Er is een tijd geweest, en hij ligt nog niet zo heel ver achter
ons, dat de uitbreiding vrijwel geheel stelselloos geschiedde en dat de leiding daarbij werd gelaten aan de grondspeculanten en de eigenbouwers.
Men is echter vrij algemeen gaan inzien - een inzicht dat thans helaas bij sommigen weer heel wat zwakker is geworden - dat de gemeente leiding heeft te geven. Dan kan, waar mogelijk, natuurschoon worden gespaard. Dan kan gezorgd worden, dat er ruimte blijft en terrein wordt aangelegd voor sport en ontspanning. Dan kan ook de schoonheid van de bebouwing beter worden verzorgd.
Terwijl ook vroeger de wijken der meergegoeden plachten gebouwd te worden in de nabijheid van bos, duin of park, vindt men in de oudere arbeiderswijken, in de oude schildersbuurt b.v., vaak niets dan eentonige huizenrijen. Tegenwoordig vindt gij bij de nieuwe arbeiderswijken het Zuiderpark in wording, ter grootte van het Haagse bos, met zijn opgroeiende beplanting, met zijn speelweide, zijn sportvelden, zijn plasvijver voor de kleuters, zijn open zweminrichting.
De gemeente heeft veel gedaan om bestaand natuurschoon te sparen. Zij heeft zelfs, rekenend op een toekomstig groter Den Haag, in aangrenzende gemeenten buitenplaatsen gekocht en in de oorspronkelijke staat bewaard, als Vreugd en Rust in Voorburg, Westhof in Rijswijk. Zij heeft in de buurt van de grote arbeiderswijk aan de Treubweg een gedeelte aangekocht van het buiten Cromvliet. Ware niet met één stem meerderheid ons verder strekkend voorstel verworpen, dan zou voor deze wijk heel de mooie buitenplaats als park beschikbaar zijn gekomen.
De gemeente heeft zich de eigendom verzekerd van het park Marlot, van een groot deel van Meer en Bosch en Ockenburgh.
Meningsverschil is natuurlijk mogelijk hoever men bij het afwegen van de verschillende belangen kan gaan. Er moet tenslotte ook woonruimte zijn voor de duizenden, waarmede de bevolking elk jaar aangroeit. Maar het is voor de sociaaldemocratische Raadsfractie een bron van vreugde geweest,
dat het haar is mogen gelukken, doordat de Raad aannam de desbetreffende moties van mijn collega Vrijenhoek en mij, bebouwing te voorkomen van de Westduinen en de in de nabijheid liggende bosjes van Pex.
Indien echter de gemeente enkel de grond kocht, waar natuurschoon gespaard moet blijven of die voor sportvelden e.d. wordt bestemd, en de te bebouwen grond aan particuliere eigenaars overliet, zou zij in haar taak ernstig tekortschieten en bovendien zeer onvoordelig uit zijn.
Er is wel een tijd geweest, dat de grond, nodig voor de uitbreiding der bebouwing, uitsluitend was in handen van particulieren, in den regel van bouwgrondmaatschappijen, zodat alle winst, die voortvloeide uit de waardevermeerdering van de grond, die in de bebouwing werd opgenomen, in de zakken der particulieren kwam. Dat was ook de tijd toen vele raadsleden in dergelijke combinaties zaten.
Aan deze toestand is indertijd na jarenlange strijd een einde gemaakt.
De gemeente is er toe overgegaan een stelselmatige grondpolitiek te voeren, door tijdig grond in de omgeving der gemeente aan te kopen, te zorgen dat voldoende bouwrijpe grond beschikbaar is, en tevens er voor te waken, dat de waardevermeerdering van de grond, die het gevolg is van de stadsuitbreiding, in de eerste plaats ten bate van de gemeente komt. Ook de waardevermeerdering, die er nog in de toekomst zal zijn. Dit laatste geschiedt door de grond, die eigendom van de gemeente is, niet weer te verkopen, maar in erfpacht uit te geven.
De gemeente behoudt dan een zekere zeggenschap over het gebruik van de grond en op de duur keert de grond tot haar terug.
In deze geest is jarenlang voortgewerkt, eerst onder liberale wethouders, daarna onder een sociaaldemocratisch wethouder. De meerderheid van de Raad stemde er mee in. Daaronder ook de liberale fractie.
Thans echter is deze grondpolitiek het voornaamste punt van strijd in de Haagse gemeentepolitiek geworden.
Een persoonswisseling in de Vrijheidsbondse fractie heeft deze fractie doen omslaan en de Haagse grondpolitiek op losse schroeven gezet.
Terwijl de liberalen vroeger er in roemden, dat hun wethouder met ijzeren hand, zoals zij het zelf betitelden, het erfpachtstelsel handhaafde, heet het nu, omdat het gaat in de richting van socialisatie, met de liberale beginselen in strijd.
En terwijl het eerst alleen tegen de erfpacht heette te gaan, blijkt steeds meer de juistheid van hetgeen wij hebben voorspeld, dat de lieden van deze actie in wezen gekant zijn tegen vrijwel heel de stelselmatige bemoeiing van de gemeente, ook met de woningpolitiek.
Vroeger roemden alweer de liberalen er in, dat onder liberale wethouders vele gemeentewoningen waren gebouwd. Thans is op dit gebied het woord van de particuliere bouwers hun een bevel. Zij verzetten zich tegen gemeentelijke bouw. Zij verzetten zich ook reeds nu en dan tegen verenigingsbouw.
De gemeente Den Haag heeft veel gedaan om in de woning-behoefte der minder draagkrachtigen te voorzien.
Het aantal woningen, gesticht door de gemeente of door bouwverenigingen met voorschotten op de grond der Woningwet, bedraagt meer dan 13000 of 12% van het totaal aantal woningen. Gehuisvest zijn daarin ongeveer 52000 personen, dat is meer dan de gemeente Delft aan inwoners telt. Van 1923 tot 1930 onder een sociaaldemocratische wethouder zijn 3885 van deze arbeiderswoningen gebouwd.
Nadat de ergste woningnood gelenigd was en de bouwkosten waren gedaald, zodat weer zonder bijdragen kon worden gebouwd, is vanzelf enige beperking ingetreden.
De aandacht is nu vooral gericht op de bouw van woningen met lage huurwaarde en voor grote gezinnen en ouden van dagen.
Thans stuiten wij echter telkens op hardnekkig verzet, al is
tot nog toe de meerderheid met onze voorstellen meegegaan.
Het is dringend nodig krachtig met bouwen door te gaan, vooral in verband met de noodzakelijkheid om voortgang te maken met de krotopruiming.
Tijdens het wethouderschap van Vrijenhoek zijn onbewoonbaar verklaard 851 woningen, waarvan 595 te Scheveningen.
Een plan om ten westen van de Keizerstraat een geheel nieuwe wijk de plaats te doen innemen van de oude sloppen en krotten, is door de Raad aangenomen.
Op dit gebied zal, ook in de binnenstad, nog veel moeten gebeuren.
Den Haag is een stad, die zich de weelde kan veroorloven geen krotten meer te dulden.
Andere onderwerpen dan de grond- en woningpolitiek kan ik in het korte tijdsbestek, dat mij is toegemeten, slechts aanstippen.
Daarbij sta voorop de werkloosheidszorg. De gemeente tracht de werkloosheid te beperken door werkverruiming en de nood der werklozen te lenigen door steun en werkverschaffing.
Toen het zich in het najaar van 1930 liet aanzien, dat ook in Den Haag de werkloosheid grotere omvang zou aannemen, hebben Burgemeester en Wethouders op mijn voorstel besloten de uitvoering van openbare werken, die in voorbereiding waren, zoveel mogelijk te bespoedigen, daaronder begrepen de uitvoering van stratenplannen, die bouw, hetzij door particulieren of van gemeentewege, mogelijk maken.
Daardoor zijn in deze crisistijd, waarin anders op financiële gronden de neiging zou ontstaan de uitgaven voor dergelijke doeleinden te beperken, vele grote openbare werken in uitvoering, waardoor de werkloosheid der bouwvakarbeiders weer belangrijk is verminderd.
Ook werden enige honderden schilders geplaatst in extraonderhoudswerk.
Wat de steunregeling betreft, hebben wij gedaan wat binnen de voor de gemeenten getrokken grenzen mogelijk was.
Toen tijdens de vorige crisis de Regering een steunregeling trof alleen voor werklozen in een paar vakken, heeft de gemeente die steun uitgebreid over alle vakken.
Toen de Regering de steun voor gehuwden verlaagde van ƒ 15. - tot ƒ 13.50, benevens dan ƒ 1.50 per kind, bleef de gemeente het hogere bedrag betalen, totdat dit door de Minister van Binnenlandse Zaken werd verhinderd.
De gemeente besloot indertijd een extra uitkering te geven na drie maanden werkloosheid, maar dit besluit werd door de Regering vernietigd.
In overleg met de vakcentrales is toen besloten om, teneinde de te lage normen wat aan te vullen, huurbijslagen en brand-stoffenbijslag gedurende de winter te geven. In December j.l. zijn deze toeslagen verhoogd.
Bij de onderhandelingen met de Regering, die gaande zijn, hopen wij nog enige verruiming te verkrijgen.
De gemeente heeft werkverschaffing bevorderd o.a. in het Zuiderpark, dat in versneld tempo wordt aangelegd.
Zij neemt ook deel aan de Rijkswerkverschaffingen, waarop veel critiek is, maar waarvoor zich toch ook ditmaal enkele honderden arbeiders vrijwillig hebben aangemeld.
In een communistisch strooibiljet is beweerd, dat het gemiddelde loon daar ƒ 15.- per week zou zijn. Het gemiddelde beweegt zich echter voor de Haagse arbeiders tegenwoordig om de ƒ 30.-.
Ongetwijfeld blijft op het gebied van werklozenzorg en armenzorg nog veel te wensen over. Wie echter de toestand van thans vergelijkt met die tijdens vroegere crisissen en wat de armenzorg betreft met de tijd, toen het Burgerlijke Armbestuur een gemiddelde uitkering gaf van ƒ 1.- en 1 brood per gezin en per week, zal begrijpen hoeveel op dit gebied is tot stand gekomen.
Tegenwoordig wordt meer uitgekeerd in een week dan vroeger in een jaar.
Ik herinner verder aan hetgeen is gedaan op het gebied van
de blindenzorg, hulp in de huishouding, algemene opneming van wie dat nodig hebben in ziekenhuizen en sanatoria.
De tijd ontbreekt mij om te spreken over hetgeen is gedaan en nog door ons wordt gewenst ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden van het gemeentepersoneel en voorts op het gebied van gezondheidszorg, sport- en speelterreinen, volks - en schoolbaden, onderwijs en verdere geestelijke ontwikkeling en zovele andere vormen van gemeentelijke zorg, die in toenemende mate in dienst van de massa der bevolking worden gesteld.
Wij zijn er ons van bewust, dat op tal van punten ook anderen dan sociaaldemocraten actief werkzaam zijn geweest of met ons mee zijn gegaan.
Wij weten ook, dat in Den Haag, door zijn ruimere geldmiddelen, veel zonder sterk naar buiten sprekende strijd is verwezenlijkt, terwijl elders de tegenstellingen daarbij uiterst scherp waren, omdat de gevolgen in zwaarder belasting werden gevreesd.
Maar wij weten ook bij ervaring hoe groot in een crisistijd als wij weer beleven het gevaar is, dat men ook de meest noodzakelijke sociale bemoeiingen gaat inkrimpen.
Wij zien bovendien hoe er bij de andere partijen zijn, die ten aanzien van de belangrijkste punten plotseling omslaan en zich heftig verzetten tegen wat zij vroeger steunden. Wij zijn bovendien nog allerminst tevreden met wat bereikt werd. Wij willen verder.
Daartoe is nodig versterking der sociaaldemocratie, ook in Den Haag. De Provinciale Statenverkiezingen gaven ditmaal in Den Haag niet het beeld van vooruitgang, waaraan wij sinds vele jaren gewend waren.
Wij hebben ons echter voorgenomen, niet waar Haagse kameraden, dat wij gezamenlijk het mensenmogelijke zullen doen om te zorgen, dat als einde Juni uit het land goede uitslagen van de Raadsverkiezingen worden gemeld, ook Den Haag zal kunnen roepen: present. Ik heb gezegd.