terug  begin  verderprepost
[p. 26]

‘Arrogante Hetze’

In de najaarszitting van de Provinciale Staten van Zuid-Holland in 1938 verklaarde de N.S.B.-er Meijers, dat er maar eens een einde moest komen aan de ‘arrogante Hetze’, die in ons land tegen Duitsland wordt gevoerd.

Toen heeft Drees het woord gevraagd.

 

Wanneer er aan iets een einde moet komen, zo sprak de sociaal-democraat verontwaardigd, dan is het zeker aan de Hetze, aan de arrogante Hetze, welke door de heren van de N.S.B. voortdurend tegen Nederland wordt gevoerd. Wanneer er tegenstellingen zijn tussen de geest in enkele landen, Duitsland in het bijzonder, en in Nederland, en ook wanneer er materiële tegenstellingen rijzen, beschouwen die heren het als hun taak om een Hetze te voeren tegen het standpunt, dat het eigen land inneemt. Als er dan ook van volksvreemde elementen in ons land kan worden gesproken, behoeven de heren niet ver te zoeken. Zij vormen in ons land het volksvreemde element. Zij hebben dat op voortreffelijke wijze gesymboliseerd, door als hun eerste afgevaardigde naar het Parlement te zenden, eerst door de Staten naar de Eerste Kamer en daarna, door hun leider aangewezen, als afgevaardigde naar de Tweede Kamer iemand, van wie ik wel eens het gevoel heb gehad, dat men moest zeggen: Laat de Duitse minderheid ook maar Duits spreken ...

Ik beschouw dat als een zuiver symbool van het feit, dat zij de volgelingen zijn in ons land van een in wezen Duitse beweging en in die zin kunnen worden genoemd volksvreemde elementen.

[p. 27]

Een ander aanwezig lid van de N.S.B., de heer Nije, had de Jodenvervolging besproken. Tot hem zeide Drees:

 

Aan het slot van zijn rede is de heer Nye op wat ruimer terrein gekomen dan alleen dat van de Staten. Hij heeft toen zelfs weer de Jodenvervolgingen ter sprake gebracht, niet om, als hij daarover eenmaal sprak, dan zijn schaamte erover te betuigen dat dergelijke afschuwelijke dingen gebeurden door een beweging, die hij voortdurend aan het Nederlandse volk ten voorbeeld durft te stellen, maar om hier nog weer te doen blijken van nijd, dat het Nederlandse volk aan die verschrikkelijk zwaar getroffen mensen tegemoet komt en poogt hun noden enigszins te lenigen. Het is gelukkig, dat het Nederlandse volk heeft getoond, door de wijze waarop het de collecte voor de Joodse slachtoffers heeft gesteund, dat het volkomen bereid is, ondanks eigen noden, moeilijkheden en ellende, om te helpen lenigen de nood en de ellende, die door de vrienden van die heren in een ander land in het leven zijn geroepen. Dan zegt de heer Nye: Wij bestrijden dit systeem niet alleen om de practische dingen, maar om zijn geest.

De heren bestrijden elk stelsel, waarin nog van geest sprake kan zijn! En dan zeg ik: Ook voor ons gaat het niet om bijkomstige dingen maar het gaat ons om de geest. En dan is het systeem, dat de heren willen verdedigen, het systeem, dat uitingen van geestelijke vrijheid onmogelijk worden gemaakt. Dan is dat systeem er een, waarbij in geen enkel vertegenwoordigend lichaam, in geen enkel hoe ook gevormd college of daarbuiten of in de pers zou zijn toegelaten, dat iemand uitspreekt wat zijn vrije overtuiging is. Dan is dat het systeem, waarin door de leider alleen zal worden aangegeven wat er mag worden gedacht en gesproken, hoe er mag worden geschreven, hoe men zich mag organiseren. Maar als de heren dan menen, dat zij voor die geest het Nederlandse volk zullen kunnen winnen, dan blijkt eerst recht duidelijk, hoe zij van de beste karaktereigenschap, van de vrijheidswil van ons volk, verstoken zijn.

prepostterug  begin  verder