terug  begin  verderprepost
[p. 31]

Drees citeert Cats

Op 17 Juni 1940, toen de bezetting reeds meer dan een maand duurde, hield Drees in de Gemeenteraad van Den Haag een interpellatie over het landgoed ‘Sorghvliet’, waarvan het voortbestaan in gevaar dreigde te komen. Drees kwam op voor het ongeschonden behoud van het goed. Zijn rede is echter vooral merkwaardig om de duidelijke toespeling op de toestand van het ogenblik, toen in de strijd om Duinkerken Frankrijks lot bezegeld werd en de naaste toekomst beheerst werd door de vraag of Engeland de strijd alleen zou kunnen voortzetten.

 

Nu zou men kunnen vragen: Moeten wij ons met zoiets nog bezighouden in tijd van oorlog? Mijnheer de Voorzitter, het ligt juist in de lijn van de geschiedenis van ‘Sorghvliet’, dat men in tijd van oorlog daaraan zijn aandacht besteedt.

Ik heb in deze dagen iets meer tijd dan mij anders soms te beurt valt en ik heb eens nagelezen, wat Cats schrijft in ‘Ouderdom en Buitenleven’, waarin hij de geschiedenis van ‘Sorghvliet’ behandelt, de tijd, waarin het is ontstaan, en de tijd waarin hij er zich in verpoosde.

Hij doet uitkomen, dat het gesticht is in 1643 - wij zijn dus bijna aan een derde eeuwfeest toe, - te midden van de oorlog. Hij zegt dan:

 
En of al schoon de krijg veel mensenvlees verteert,
 
Nog wordt dat bloedig werk schier overal begeerd.
 
Wie zal het machtig volk, wie zal de mensen tellen,
 
Die onze krijg alleen eens zag tenedervellen?

Hij betoogt dan verder, van hoeveel waarde het is juist in

[p. 32]

veelbewogen tijden een rustige plek te hebben, een hof, waar men van de natuur kan genieten. Hij schijnt zich sterk te hebben kunnen afsluiten van de buitenwereld, want hij zegt:

 
Wat voorts de wereld raakt, dat zend ik heden buiten,
 
Ik wil geen aards gewoel in deze hof besluiten;
 
Ik wil ook nimmermeer hier nemen in beraad,
 
Wat of in Jakatra of Bantam ommegaat;
 
Noch of de Franse kroon omtrent de Vlaamse kusten
 
In oorlog blijven wil of liever heeft te rusten;
 
 
 
Noch wat het Brittenland, na menig ongeval,
 
Ten leste nog bestaan of ondernemen zal.

Hij betoogde dus, dat men ook te midden van een oorlog een plek moest hebben, waar men zich in de natuur kon afzonderen. Ik weet niet, of dit thans ieder zo volledig zou gelukken, als hem mogelijk schijnt te zijn geweest, maar men blijft in de historische lijn, wanneer men, ook temidden van deze oorlog, een open oog heeft voor de vraag, of het mogelijk is dit recreatieoord te doen voortbestaan.

prepostterug  begin  verder