Op 5 en 6 September 1945 hield de herrezen S.D.A.P. voor het eerst weer een partijconferentie, waarin Drees een inleiding hield over de politieke toestand.
Hij sprak als volgt:
Vorrink heeft er gisteren aan herinnerd, dat het ruim vijf jaar geleden is, dat wij voor het laatst in Partijraad bijeen waren, namelijk in Juli 1940, even voordat Rost van Tonningen zich van de beweging trachtte meester te maken. Ik heb toen ook een inleiding gehouden. Aan het slot daarvan heb ik toen gezegd: dat Engeland alléén er in zal slagen Duitsland alsnog van het vasteland van Europa te verdrijven, dat betwijfel ik. Ik geloof, dat Engeland stand zal houden, maar ik zie niet hoe Engeland over de kracht zal beschikken om, practisch alleen staande, Duitsland, dat zich over het gehele vasteland van Europa heeft gevestigd, daarvan nog te verjagen. Het sprak intussen van zelf, dat dit op onze principiële houding geen invloed had uit te oefenen. Ik voegde hieraan toe, dat echter met de mogelijkheid rekening moest worden gehouden, dat òf Amerika, òf Rusland, of wellicht beide landen toch nog in de strijd betrokken zouden worden.
Welk een wereld van gebeurtenissen ligt er tussen dat ogenblik en het tijdsgewricht van nu. De oorlog, die toen nog alleen in Europa woedde en waarbij de Duitsers protesteerden als men het een ‘tweede wereldoorlog’ noemde - dat waren woorden van ‘Kriegshetzer’, die de oorlog wilde uitbreiden -, is in zijn volste omvang tot een tweede wereldoorlog geworden, die alle verhoudingen heeft ondersteboven geworpen, die aan het eind de agressieve staten volkomen heeft ver-
nietigd en verpletterd op een wijze, zoals wij ons nauwelijks hebben kunnen voorstellen, en die andere staten naar voren heeft doen komen. Deze oorlog bracht een omwenteling in de verhoudingen tussen de staten en in de verhoudingen binnen de landen.
Wat ons betreft, na deze vijf jaar zijn wij weer samen, helaas met grote leemten in onze gelederen van oude vrienden, die in deze jaren zijn gevallen; maar het is toch ook zo, dat wij vele van de goed bekende gezichten der kameraden weer om ons heen zien, en tevens vinden wij nieuwe figuren in ons midden, figuren van betekenis, die juist in en door de gebeurtenissen van deze oorlog de weg tot onze beweging hebben gevonden en daardoor op veelbelovende wijze de verbreding inluiden, waaraan onze beweging niet alleen ter wille van zichzelf, maar ook ter wille van ons volk, behoefte heeft.
Wij staan weer, of algemener gesproken: de volkeren staan weer voor een taak als na 1918, maar een taak, nog veel zwaarder dan toen. Wij staan er, geloof ik, wat minder optimistisch tegenover, met wat minder illusies, met wat meer realistische gezindheid; helaas niet meer met het gevoel van vertrouwen, dat de gezindheid van de volken zo zal zijn geworden, dat het daardoor de laatste oorlog zou zijn geweest. Men heeft de woorden ook niet meer in de mond durven nemen: ‘Dit is de oorlog om een eind te maken aan de oorlogen’, zoals het van 1914 tot 1918 in de Angelsaksische landen luidde. Er zijn nieuwe, ontzaglijk grote spanningen en tegenstellingen, die naar hun omvang en diepte zeer goed weer tot een oorlog zouden kunnen leiden. Als wij alleen maar denken aan streken als de Balkan, aan de tegenstellingen, die zich daar aftekenen, en wat er aan belangen van grote mogendheden achter staat, dan is het volkomen denkbaar, dat deze tegenstellingen tot nieuwe strijd leiden. Niettemin is de ervaring een zo verschrikkelijke geweest en is de ontwikkeling van de oorlogswapens iets zo verbijsterends; is vooral de ervaring ook, op het laatst opgedaan met de V-wapens en de atoombom, zo, dat
ieder, ook de meest strijdlustige, de meest agressieve en de meest cynische, gaat beseffen, dat een nieuwe oorlog, veel sterker nog dan die, welke wij achter ons hebben, ten slotte zou moeten uitlopen op de vernietiging van de menselijke beschaving.
Het is deze zekerheid, ook in de sterken gegroeid, dat de ontwikkeling van de techniek de oorlog gaat maken tot een volledige vernietiger van de volkeren; het is dat besef, meen ik, dat de sterkste waarborg kan bieden tegen een lichtvaardig hervatten van de oorlogsgedachte. Wij hebben gezien, dat ook weer het besef leeft, dat samenwerking tussen de volken noodzakelijk is. De oude Volkenbond is te niet gegaan, de organisatie der Verenigde Volken is weer opgestaan; maar ook al weer in de meer realistische vorm, dat daar de overwegende invloed ligt bij de wereldmachten, die inmiddels zijn opgekomen. De kleine en middelgrote mogendheden staan ver ten achter bij de vier, misschien vijf wereldmachten, die alleen de uitgestrektheid, de macht en bevolkingsrijkdom en de bronnen hebben om inderdaad in de wereld ten volle mee te tellen. Daarbij zijn zij weer zo realistisch, bijna bij het cynische af, dat zij zeggen: ‘Als wij onderling ruzie krijgen, zijn daar geen regelingen voor te treffen; dan is het tòch mis’. Daarvoor worden dan ook eigenlijk in het nieuwe pact geen beslissende bepalingen opgenomen.
Wij staan in veel opzichten voor verhoudingen, die tot pessimisme, tot teleurstelling zouden kunnen leiden. En toch is het aan de andere kant weer bewonderenswaardig, welk een veerkracht er in de mensen leeft; wat een weerstandsvermogen de mens heeft, zoals dit in de oorlog is gebleken, maar ook wat een geestelijke veerkracht, want ondanks die ontzaglijke spanningen en tegenstellingen en ondanks de teleurstellingen na wat men in 1918 heeft kunnen dromen, zijn er ook na deze oorlog onmiddellijk mensen naar voren gekomen met idealen, met de vaste wil tot opbouw, en met de duidelijk uitgesproken vastbeslotenheid om toch een nieuwe wereld te vestigen.
Vrienden, het spreekt voor ons vanzelf, dat de sociaal-democratie in de gehele wereld en ook in ons land daarbij mede haar verantwoordelijkheid heeft te dragen en zich opnieuw heeft in te zetten voor die grootse idealen, waarop haar beginselen gericht zijn, om die idealen dichter bij hun verwerkelijking te brengen. De wereld heeft toch weer een grotere eenheid gekregen, hoeveel scheidingslijnen er ook weer zijn getrokken. De uitbreiding van de oorlog zelf heeft getoond, hoe alle belangen verstrengeld zijn. Men heeft de noodzakelijkheid van eenheid en samenwerking ondervonden en zal zich daarop moeten richten. Daarmede is voor ons internationaal vanzelf een nieuwe taak gegeven, een taak, waarbij Nederland natuurlijk niet een beslissend woord zal hebben te spreken, maar waarbij Nederland, straks in een andere verhouding dan vroeger verenigd met Indonesië, als een mogendheid, waarvan de belangen over drie werelddelen verdeeld zijn, als een middelgrote mogendheid, zijn invloed zal kunnen doen gelden, waarbij ook de morele betekenis, die ons land heeft gehad en in deze oorlog des te sterker heeft gekregen, zal kunnen meetellen.
Ons land zelf staat er veel moeilijker voor dan in 1918. Nadat er vroeger veel over verarming gesproken is, is het nu eindelijk een arm land geworden, een land, getroffen in alles wat het bezat: getroffen in zijn grond, getroffen in zijn goederen, getroffen in zijn productiekrachten, maar desondanks een volk, waarin veel sterker dan b.v. in de slappe jaren na de Napoleontische oorlogen onmiddellijk de wil tot opbouw tot uiting is gekomen.
Hoe zal de wereld worden opgebouwd? Wij hebben dertig jaar achter ons, omsloten door de twee wereldoorlogen, en daartussen nog een reeks van jaren van een lange, slepende crisis. Men kan zeggen, dat vrij algemeen deze stemming heerst, hier en elders: ‘Nu is het genoeg geweest; nu moet het anders’. Er is geen terug meer, niet alleen naar de wereld van
vóór 1914, maar er is ook geen terug meer naar de wereld van vóór 1939, hoeveel goeds er ook in een land als het onze te behouden valt, waarop ook wij hoge prijs stellen. Het kapitalisme is in zijn grondvesten geschokt, niet in die zin, dat het overal zijn einde nabij is - dat is dikwijls gezegd en toch dikwijls weer anders uitgekomen -, maar het vrije en ongebreidelde kapitalisme heeft in de wereld nog maar een beperkte plaats. De noodzakelijkheid dringt zich overal op van grotere bemoeiing van de gemeenschapsorganen; die noodzakelijkheid is er in het internationale verkeer, in de landen zelf en in de verhoudingen tussen de verschillende volksgroepen. Er is in wijde kring een sterke anti-kapitalistische - al is het niet een zuiver socialistische - gezindheid. Als wij ons dan weer proberen te realiseren in welk internationaal kader wij zullen staan, dan zou ik dit zeggen: Amerika gaat misschien nog een tijdperk van een sterke kapitalistische expansiepoging tegemoet. In Amerika is Roosevelt weg en zijn de mensen van de New Deal geleidelijk op de achtergrond geschoven; er leven grote verwachtingen, omdat het economisch zo sterk staat tegenover andere landen. Amerika heeft nu voor het eerst ten volle zijn blik over de wereld laten gaan, niet alleen in verband met de vraag van de strategische punten, die het zal bezetten, maar ook in verband met de markten, die het zal veroveren. Ik geloof, dat Amerika nog een grote, sterk kapitalistische, imperialistische periode tegemoet gaat. Het zal daarbij een ontzaglijke productiekracht ontwikkelen, maar ook gauw op bepaalde grenzen vastlopen in andere landen, omdat er wel een bijna oneindige behoefte aan goederen bestaat, maar de middelen om er voor te betalen ontbreken, zodat het eenvoudig op crediet moet leveren en straks afwachten, of het wat terug krijgt. Daar is ook een grens in eigen land, omdat de koopkracht van de massa onvoldoende is om te absorberen wat de ontzaglijk toegenomen productietechniek beschikbaar stelt. Het is in het geheel niet ondenkbaar, dat uit de teleurstellingen, die men daar weer op zal zien volgen, ook in Ame-
rika ten slotte een sterke beweging in de richting van het socialisme te voorschijn zal springen.
Aan het andere einde zien wij Rusland, met een veel groter prestige, met een veel groter grondgebied, met veel groter macht en invloed dan te voren, het communistische Rusland, dat nu heerst, practisch gesproken, van de Elbe af tot de Stille Oceaan toe, en ook aan de Stille Oceaan zijn invloed ontzaglijk heeft versterkt, gegroeid tot een van de grootste wereldmachten. Van de uiterste grenzen van Azië tot vlak bij het Westen van Europa kan het, òf direct militair, òf politiek, zijn macht en zijn invloed doen gevoelen.
Een verenigd Europa, zoals velen van ons - los van de gedachte van een overheersend nazi-Duitsland - zich vaak hebben voorgesteld; de gedachte van een federatief verenigd werelddeel, dat door groter eenheid sterker zijn positie in de wereld zou kunnen handhaven; een werelddeel, dat natuurlijk in een goede verstandhouding zou moeten staan aan de ene kant tot Engeland, aan de andere zijde tot Rusland - die gedachte is op de achtergrond geschoven, omdat daartussen het Niemandsland ligt, het grote vraagteken Duitsland, voorlopig in enige zones verdeeld, dat economisch uit elkaar zal worden gerukt, omdat zelfs zijn productiecapaciteit zal worden weggezogen naar elders; het hart van Europa, waarvan men niet weet wat het worden zal. Dit is ook voor Nederland van ontzaglijke betekenis, omdat ons land er nu eenmaal economisch zeer sterk mee verbonden was.
Geen verenigd Europa; integendeel, een Europa met een demarcatielijn er tussen, waarvan men vragen moet: wanneer gaat die open? Wanneer ontstaat daar weer normaal verkeer?
Des te belangrijker wordt voor ons de situatie in West-Europa. Daarbij kom ik wat dichter bij huis, want u vindt misschien, dat ik wat erg ver ga met mijn beschouwingen. Onder deze omstandigheden ligt tussen het vrijheidsgezinde, maar sterk kapitalistische Amerika en het ontzaglijke Rusland, met volledige socialisatie, maar zonder democratie, zon-
der geestelijke vrijheid zoals wij die verstaan, en dan nog dat vraagteken in het midden van Europa, daartussen ligt West-Europa, een betrekkelijk smalle strook geworden, maar cultureel ontzaglijk belangrijk en in nauwe verbinding met Engeland en daarachter met de wereld. Naar mijn mening ligt er voor ons, die het socialisme willen, maar die daarbij wat er in de Westerse cultuur gewoond heeft aan eerbied voor de menselijke persoonlijkheid, verdraagzaamheid en geestelijke vrijheid boven alles willen behouden, in die Westelijke zône een gebied van enorme betekenis. De vraag is van groot belang hoe de situatie zich hier ontwikkelt. Gaat men hier in democratisch-socialistische zin opbouwen, dan zal dit aan de ene kant invloed kunnen hebben op het kapitalistische Amerika. Aan de andere kant kan dit Westen wellicht tot een schakel worden naar Rusland, dat hopelijk geleidelijk democratischer zal worden. Dit Westelijke Europa, dat is het gebied, waar ook onze taak en verantwoordelijkheid ligt. In die hele strook, van de Scandinavische landen af, met Nederland, België en Frankrijk, en laten wij hopen straks ook Spanje en Italië, met het Britse rijk, ligt altijd nog een element van grote waarde in de wereldcultuur en daar ontwikkelt zich, voor zover wij het op het ogenblik kunnen overzien, een geestesgesteldheid, die democratisch-socialistisch is of daar zeer nabij komt. Laten wij zorgen, dat wij in dat geheel een waardige plaats innemen; in dat geheel, waarvan de communisten al weer zo gauw denken, dat zich daar een zekere militaire coalitie tegenover Rusland uit zou kunnen ontwikkelen. Och, agressief is dat Westen al sinds lang niet. Indien er iets daar diep geworteld is, is dat juist de wens naar vrede en veiligheid en het afzweren van elke agressieve gezindheid; als er iets daar sterk leeft, is het de wens, dat zich ook met Rusland goede verhoudingen zullen kunnen ontwikkelen. De gedachte van een militaire alliantie in tegenstelling met andere landen zou de gedachte zijn aan een nieuwe wereldramp, waarbij het nauwelijks zin zou hebben over culturele waarden en over de opbouw te spreken.
Wel kan er in West-Europa een economisch en cultureel naar elkaar toegroeiend geheel zijn, waarvan over de wereld waardevolle gedachten, gevoelens en vormen van gemeenschapsarbeid zouden kunnen uitstralen.
Het is verheugend te zien, dat inderdaad in de verschillende landen een dergelijke ontwikkeling, althans de mogelijkheid daarvan, zich aftekent.
Dit is het algemene kader, waarin ik de positie van ons land zou willen zien, waarbij wij onze verantwoordelijkheid moeten dragen. Ik geloof, dat de kabinetsformatie - om weer dichter bij huis te komen -, waartoe de Koningin een paar maanden geleden Schermerhorn en mij heeft geroepen, inderdaad ook in dit opzicht in de goede richting ging, omdat deze zo dicht als dat in Nederland, naar de verhoudingen in Nederland, mogelijk was, kwam te staan bij deze Westerse opvattingen van socialisme en bij die eerbied voor de democratie. Het schijnt mij toe, dat op een ogenblik, waarop er geen parlement was, dat de richting kon aangeven, de Koningin ten slotte een richting koos, die vele mogelijkheden heeft geopend. Mogelijkheden, waarbij wij natuurlijk voor de beperkingen staan, die ons zijn opgelegd door het feit, dat er geen volksuitspraak aan is voorafgegaan en dat wij op menig punt moreel geen ander recht hebben dan voorbereidingen te treffen, terwijl de belangrijkste beslissingen pas kunnen worden genomen, als werkelijk is gebleken, dat ook een volksmeerderheid bereid is een dergelijk program door zijn vertrouwen te dragen.
De kant van de parlementaire democratie, de mogelijkheid van een volksvertegenwoordiging, daarover is op het ogenblik veel te doen. Laat ik uitdrukkelijk zeggen, dat ik voor niemand een volksvertegenwoordiging zo noodzakelijk vind als voor de regering. Voor een kabinet, dat ten volle democratisch wenst te zijn, zijn maatregelen gedragen wil zien door het vertrouwen van de bevolking en dat zich ook begrepen wil zien, is een volksvertegenwoordiging, die mede als wetgever optreedt, die controleert, waaraan het verantwoording schuldig
is, volstrekt onmisbaar. Elke vervanging daarvan door welke voorlichtingsdienst ook is ten slotte maar gebrekkig, een aanvulling, die straks ook nodig zal blijven, maar toch een surrogaat. Het is het eenzijdige gesprek tot het volk. Het is niet het woord en wederwoord, zoals het in een volksvertegenwoordiging kan worden gesproken. Er ontbreekt ook aan de mogelijkheid van een uiting in de vorm van een beslissing, van een votum. Ik voor mij - maar ik weet, dat de gehele regering er zo over denkt - voel de dringende behoefte zo spoedig mogelijk weer een normaal, zij het natuurlijk in verschillende opzichten anders werkend, anders functionnerend parlement te hebben, zoals wij dat vroeger hadden.
Waarom worden dan toch niet dadelijk verkiezingen gehouden?
Men moet zich vooreerst nog even terugdenken in het ogenblik, waarop het kabinet gevormd werd. Wij hadden in het land nog in het geheel geen verkeer. Langzamerhand komt er nu tenminste weer enig spoorwegverkeer. Er komen weer wat auto's - hoewel er vaak de verkeerde mensen in zitten; u zult zeggen, dat zij wel eens anders verdeeld mochten worden. Er komen echter in elk geval weer wat auto's, hoewel velen uwer moeilijkheden zullen hebben ondervonden om hier te komen. Er was toen echter nog geen verbinding, zodat men zich eenvoudig in de partijen zelf niet beraden kon; gewoon technisch ontbrak die mogelijkheid. Voorts was er de papierschaarste. De pers verkeert nog in een situatie van vrij grote verwarring, maar beschikt bovendien niet over de ruimte om de nodige voorlichting te geven en de nodige gedachtenwisseling op te nemen. Laat ons denken aan ‘Het Vrije Volk’; het verschijnt overal, maar het loopt nogal uit elkaar. Als ik het Haagse Volk alleen lees, weet ik allerlei dingen niet die in de Amsterdamse editie staan en die ik onmisbaar vind. Het wordt mij toegestuurd, maar dit is niet het geval met ieder in het land. Er zijn allerlei plaatselijke vergaderingen, waar ik waardering voor heb, die van betekenis zijn, maar daar stroomt
niet doorheen de voorlichting, nodig om de mensen in de eigen rijen op de hoogte te houden; laat staan, dat er een volle onderlinge gedachtenwisseling mogelijk zou zijn, die veel meer nodig is dan vóór 1940, omdat wij staan voor nieuwe problemen, voor nieuwe verhoudingen, voor een nieuwe oriëntering. Daar komt nu, wat die nieuwe oriëntering betreft, inderdaad een heel ander element bij: er bestaat de behoefte, dat men weet over welke vraagstukken men zal hebben te spreken en dat men eerst weet op welke wijze men zich daarvoor zal groeperen. De communisten hebben gezegd, dat wij uit partijbelang nog geen verkiezingen wilden. Ik geloof, dat de S.D.A.P., als het moest, er dadelijk aardig klaar voor zou zijn. Wij hebben niet de meeste behoefte aan uitstel. Het is voor de communisten zelf om te beginnen gelukkig, dat zij even tijd hebben gehad voor hun verschillende gedaanteverwisselingen. Zij verschenen als Vrienden van de Waarheid, die met de communistische partij en de Komintern geen rechtstreekse kennis meer hadden. Plotseling waren zij daarna de democratische, vooruitstrevende, progressieve partij; ik weet niet, hoe breed die bedoeld was; wij wisten niet, of zij de S.D.A.P. of de hele Volksbeweging zouden willen omvatten. Toen ineens hadden zij een conferentie gehouden en bleken zij weer als de Communistische Partij Holland te voorschijn te komen, waarna zij nu aanbieden met ons samen te smelten. Ook voor deze wisselingen moest toch even tijd bestaan! Maar in werkelijkheid liggen er veel grotere vragen achter. Het op drift raken van zeer velen, o.a. uit de vroegere kerkelijke partijen, waarvan de Volksbeweging vooral ook een weerspiegeling is, is een reëel feit. Dat moet even kunnen uitgisten, voordat ons volk inderdaad in staat is om de verkiezingen op een doeltreffende wijze te houden.
Daarbij komen nog andere, technische vragen, die nu beslissend zijn.
Het zal b.v. de grootste inspanning kosten om een geschikte administratieve grondslag voor de verkiezingen te hebben,
zelfs indien deze in het komende voorjaar worden gehouden. Ik behoef u hier niet te vertellen hoe de bevolkingsregisters in wanorde zijn komen te verkeren. Men heeft wel eens het advies gegeven ons te baseren op de distributiestamkaarten. Alleen in Den Haag, uit het Bezuidenhout, zijn echter grote aantallen stamkaarten verloren gegaan; er zijn daarvoor in de plaats nieuwe uitgereikt, waarbij er ook heel wat mensen zijn, die er twee kregen! Ook op distributiegebied is het dus nog een warboel, waardoor ook hier geen ideale grondslag voor de verkiezingen zou liggen. In elk geval zal het u wel volkomen duidelijk zijn, dat de regering niet als het ware onmiddellijk verkiezingen kan organiseren.
Wat de gemeenteraden betreft, is er nu een advies van de N.A.C. om de raadsverkiezingen in December te houden. Ik zal daarover geen regeringsoordeel uitspreken, want wij moeten ons daarover nog beraden. Een bezwaar is wel, dat er nog tienduizenden geëvacueerd zijn, die nog niet naar hun woonplaats mogen terugkeren; b.v. in Den Haag is dit het geval. Andere gemeenten zijn weer vol evacué's. Voor de gemeenten is de verwarring in menig opzicht nog groter, omdat we hier met gemeentegrenzen te maken hebben en het niet onverschillig is waar iemand stemt.
De gedachtengang, waarvan de regering was uitgegaan, is deze: wij moeten rekenen met een parlementaire periode, een zittingsperiode, waarin wij een niet nieuw-gekozen parlement hebben, en dan moeten wij trachten ongeveer op de normale tijd verkiezingen te houden, het volgende jaar, voor de gemeenteraden, Provinciale Staten en Kamer. Zo zouden we dan in Mei-Juni van het volgend jaar de verkiezingen hebben, na een parlementaire periode, en zou er voor de Kamer dus weer een nieuwe 4-jarige periode kunnen ingaan. Ik geloof, dat dit geen onpractisch en ook geen ondemocratisch idee was. De communisten hebben nu voorgesteld de verkiezingen in April te houden; en men gaat nu straks het volk in beroering brengen door een soort volkspetitionnement of referendum, omdat
wij toch vooral een of twee maanden eerder verkiezingen moeten hebben!
Nu enige opmerkingen over die parlementaire periode, die wij ons hebben voorgesteld. Ik had gehoopt, dat op de derde Dinsdag in September de officiële opening van het noodparlement zou kunnen plaats hebben. Dat is weer op allerlei manieren vertraagd, buiten de schuld van de regering. De commissie, die over de zuivering gaat, heeft gemeend niet alleen over klachten te moeten oordelen, maar alle Kamerleden te moeten horen. Dat houdt natuurlijk op.
Ook de N.A.C. wilde worden gehoord. Ik betreur het wel, dat de opening op de derde Dinsdag in September niet meer mogelijk zal zijn; het zou ook symbolisch van grote waarde zijn geweest.
Hoe was dat noodparlement nu gedacht? Het was het eenvoudigste geweest, als men had teruggegrepen op de oude Kamers, zoals dat in verschillende andere landen is gedaan. Dan loopt de zaak natuurlijk het vlotst. Jarenlang hebben wij ons in het politieke contact en in het Vaderlandse Comité op het standpunt gesteld, en dit onder de aandacht van Londen gebracht, dat men de Kamers, de gemeenteraden en de Provinciale Staten onmiddellijk weer bijeen moest roepen, natuurlijk voor korte tijd. Intussen, naarmate de oorlog langer duurde en naarmate de tijd groter was, die verstreek tussen het tijdstip van de verkiezing van de oude Kamer en het moment, waarop zij weer zou moeten optreden, werd dat bezwaarlijker. Bovendien: er kwamen nieuwe figuren naar voren, al was het voorlopig nog niet onder hun eigen naam; er kwamen nieuwe stromingen. Het zou toch inderdaad een weinig bevredigende toestand zijn, als men eenvoudig met de Kamer van 1940, die ten slotte gekozen was in 1937, naar voren kwam. Bovendien was er van de overkant door de regering stellig gezegd: ‘Dat gebeurt niet. Er komt een vernieuwing, een kans voor de verzetsbeweging.’ Deze stemming was ook hier zeer sterk gegroeid. Ten slotte ben ik ook van mening geweest, dat het
geen aanvaardbare oplossing meer was, de oude Kamer, gezuiverd, te laten aanvullen uit oude lijsten, die er nooit op berekend zijn geweest om na acht jaar nog te dienen voor de voorziening in vacatures. Voor een korte periode zouden dan mensen naar voren komen als Nederlandse volksvertegenwoordigers, waarvan men toch soms enigszins verbaasd zou opkijken, terwijl figuren, die in het verzet een belangrijke rol hebben gespeeld, geen kans zouden krijgen. Daarom hebben wij gezegd: De regering moet niet zelf aanwijzen, maar er moeten nieuwe mensen worden gekozen. Daarvoor make de regering gebruik van een commissie van advies, die zich spontaan heeft gevormd uit de samenwerking tussen de politieke partijen en het verzet, nl. de N.A.C. Dan krijgt men naast elkaar de vroegere politieke vertegenwoordigers en de nieuwe stromingen en mensen. Laat dat nu maar eens een zittingsjaar zich afspelen; laat men elkaar leren kennen en laat maar eens blijken welke vraagstukken zich voordoen. In de gedachtenwisseling tussen de vertegenwoordigers van de politieke partijen en de verzetsgroeperingen zal dan kunnen blijken wat de mensen en wat de denkbeelden waard zijn. Ik ben ervan overtuigd, dat daarin een totaal andere voorbereiding, ook voor de verkiezingen, ligt, dan wanneer wij plompverloren zeggen: ‘Wij gaan stemmen’. Ik geloof, dat dan iedere schakering zijn kans krijgt en dat dan een goede voorbereiding zou plaats hebben voor het trekken van de lijnen voor de toekomst. Ik hoop, dat het nog door zal gaan. Echter, hoe later dit in werking treedt, hoe meer de zaak natuurlijk aan betekenis en aan waarde verliest. Ik hoop, dat de gedachtengang u hiermede duidelijk is geworden.
Wij staan in de regering voor menig vraagstuk, waarover veel strijd zal worden gevoerd, ook voor geestelijke vraagstukken, ook voor de kwestie, hoe ver de staat kan gaan in het bevorderen van de cultuur, en hoe ver de staat kan gaan in zijn actieve voorlichting. Ik zal niet te diep hierop ingaan, omdat ik toch al het gevaar loop veel te uitvoerig te worden,
maar op dit punt zal b.v. de botsing met de anti-revolutionnairen het sterkst zijn. Ik meen, dat ook van onze kant beseft moet worden, dat wij voorzichtigheid hebben te betrachten. Er is voor de staat alle reden om ook culturele waarden met kracht te bevorderen en bij te dragen tot verheldering van de opvattingen der bevolking, zowel over de publieke zaken, die rechtstreeks de regering aangaan, als in het algemeen over onze maatschappelijke en geestelijke houding. Maar de staat kan op menig punt wel bevorderen en steunen, doch moet voorzichtig zijn in wat hij in geestelijk opzicht zelf wil doen. Dat moet hij vooral in een land als het onze, dat geestelijk zo verdeeld is en bovendien op dat punt zo gevoelig.
Wij krijgen hier ook aanraking met de radiokwestie. Daar is nog altijd strijd over; daar zijn nog altijd tegenstellingen over. In onze rijen heerst er ook stellig veel verschil van mening. Voor mij is de hoofdzaak niet: wordt de radio door omroepverenigingen verzorgd of door een stichting als nationale omroep? De vraag is, of en hoe de verschillende richtingen zich zelfstandig zullen kunnen uiten. Enerzijds kunnen zij eventueel gezamenlijk nagaan: ‘Wat kunnen wij gemeenschappelijk doen?’; aan de andere kant moeten zij een tijd toegewezen krijgen, waarin zij zelfstandig kunnen uitzenden wat zij tot het volk hebben te zeggen en wat dan niet de zeef behoeft te passeren, of alle richtingen dat aanvaardbaar vinden. Wij zullen er voor hebben op te passen, dat men niet vervalt in een gedachtengang, waaruit wij gedurende de oorlog menig plan hebben zien opkomen en waarbij men alleen godsdienstige richtingen wilde erkennen en zeide: ‘Het maatschappelijke is van een ander karakter’. Dit is juist, maar wanneer wij vrijheid vragen voor verschillende richtingen, dan vragen wij die vrijheid ook voor de uitingen van maatschappelijke en staatkundige bewegingen.
Ik loop nog enkele dingen langs, waarmee de regering in aanraking komt en die van belang zijn ook voor de wijze, waarop wij zelf stelling zullen hebben te kiezen. Eén van de
moeilijkste vraagstukken is dat van de zuivering en berechting. Daar is veel over te doen. Er is onmiddellijk groot misbruik gemaakt van de rede van Schermerhorn over het mogelijk vrijlaten van een aantal lichte gevallen, zoals hij het noemde. Hierbij zijn onmiddellijk getallen in het geding gebracht, die voor de regering niet in aanmerking zouden komen.
Ik wil dit hier vaststellen: Nederland moet ook bij de berechting van hen, die gefaald hebben tijdens deze bezettingsperiode of die zich daarbij zelfs landsverraderlijk hebben gedragen, ten slotte weer de methode van de rechtsstaat volgen. Nederland moet niet duurzaam mensen laten zitten, vele maanden lang, zonder dat hun geval bekeken wordt. Er zijn ook schromelijke vergissingen begaan bij arrestaties, die pas na maanden en maanden eindelijk eens bekeken werden. Wij moeten terug tot het begrip, dat je iemand maar niet zó in voorlopige hechtenis zet. Dat moest natuurlijk massaal op het ogenblik van de bevrijding; op dat ogenblik dreigde er misschien nog gevaar, maar wij moeten terug naar het begrip, dat ook voor het plaatsen van iemand in voorlopige hechtenis en het vasthouden gedurende enige tijd een, zij het zeer voorlopig, onderzoek dringend nodig is. Wij moeten ook beseffen, dat wij in Nederland uiterst bezwaarlijk 100.000 en meer mensen permanent in gevangenissen en in kampen kunnen hebben en dat, àls wij hen daarin hebben, zij in deze kampen moeten kunnen leven, en dat men niet een kamp, dat enkel op de zomer berekend is, voor een verblijf van velen gedurende de winter zal kunnen bestemmen. Er wordt onderzocht, hoevelen wij er werkelijk in de winter kunnen herbergen, maar er zijn moeilijkheden gerezen; men stond voor de keuze: òf wij bouwen nieuwe kampen, òf wij maken de kapotte woningen in de verwoeste gebieden dicht, zodat de mensen daar van de winter nog tijdig in kunnen wonen. Wij moeten ook niet vervallen in de dwaasheden, die sommigen op dit ogenblik begaan. Er zijn arbeidersgroepen, die met Duitsers en N.S.B.-
ers niet willen samenwerken, die zelfs niet willen, dat zij in hun bedrijf werken, al zou het geheel afzonderlijk zijn. Er lopen 3.000 Duitsers in Limburg rond, die vroeger in de mijnen werkten. Zij worden nog gevoed door Nederland; zij worden door Nederland onderhouden, maar zij werken niet meer: zij mògen niet in de mijnen werken. Aan de andere kant is er een schromelijk tekort aan mijnwerkers. In België werken 30.000 Duitse krijgsgevangenen in de mijnen. Hier laten wij de Duitsers rondlopen, terwijl wij hen dringend nodig hebben en hen voor ons zouden kunnen laten werken. Er komt staking, als je ergens, waar niet voldoende werkkrachten zijn, N.S.B.-ers of N.S.B.-vrouwen te werk stelt, terwijl het meest logische van de wereld is, dat zij onder contrôle, zonder in vrijheid te worden gesteld, bepaalde arbeid verrichten. Op al deze punten zal Nederland zijn weg nog moeten vinden. Het vraagstuk echter: wat men aan moet met 100.000 mensen, die inderdaad eigenlijk in onze Nederlandse samenleving niet meer thuis behoren en die door die Nederlandse samenleving ook niet meer worden gewild en aanvaard, is een probleem, dat men in Nederland in alle rust en in alle objectiviteit met elkander zal moeten behandelen. Het gehele probleem was voorgelegd aan de N.A.C. Enigerlei beslissing was door de regering niet genomen, maar de ongunstige sfeer om dit te behandelen is wel, dat men met staking gaat dreigen bij een eventuele uitspraak, die niet geheel in de eigen geest uitvalt.
En wanneer wij ons richten op de taak van de wederopbouw, die de regering heeft te vervullen, dan behoef ik u hier niet te zeggen hoezeer wij voorlopig nog moeten worstelen met de voorziening in de allerergste nood. Men kan zich die nood eigenlijk pas voorstellen, wanneer men het volledig heeft gezien, wanneer men zelf in de verwoeste gebieden is geweest. Ik was in Noord-Limburg, waar in een bepaald klein dorpje maar één woning niet helemáál verwoest was, maar waar toch de mensen van hun evacuatie waren teruggekomen en zich weer vastklampen aan de grond, die zij hebben be-
werkt; aan de plek, waar zij hebben gewoond. Ik heb daar gezien hoe men in een plaatijzeren bergplaats woonde met drie echtparen en elf kinderen, zeventien mensen in één ruimte, en hoe men de grond bijna niet kan bewerken, omdat die vol mijnen ligt. En wij hebben het hout niet en het glas en de andere materialen niet en kunnen er ook de benodigde arbeidskrachten maar moeilijk naar toe krijgen, en wij willen tòch voor de winter behoorlijk onderdak hebben voor de mensen, alleen al om te zorgen, dat de mensen niet ‘kreperen’, zoals Schermerhorn dat plastisch heeft uitgedrukt. Zo is die nood daar op zijn hoogst. Maar in geheel ons volk heerst een ontzaglijke nood, een gebrek aan materiaal, kleding, schoeisel en allerlei andere dingen. Hoe waren de werklozen er reeds vóór de oorlog aan toe, en hoe zal het daar dan nu mee gesteld zijn? Duizenden zijn ook elders van alles beroofd. In Den Haag, in het Bezuidenhout b.v. In tal van streken heerst de diepste nood. Wij moeten het goed laten dóórdringen, ook onder de Nederlandse arbeiders, dat wij verantwoordelijk zijn voor het feit, dat die nood tot elke prijs moet worden gelenigd en dat dit alleen kan door regelmatige en harde arbeid.
Veel is begrijpelijk door de jaren van ellende en verwarring, die wij achter ons hebben, maar er zijn na de bevrijding van ons land wel zeer teleurstellende dingen geweest. Ik neem het voorbeeld van de mijnwerkers. Ik onderschat het ondergrondse werk niet, dat zij hebben te doen. Ik moet zeggen: het werk van zo'n houwer, altijd onder de grond, steeds buiten het daglicht, ik vind het een taak! Maar het is inderdaad teleurstellend, dat men, ook nadat er voldoende voeding was gekomen, permanent minder per man produceert niet alleen dan vóór de oorlog, maar ook minder dan onder de Duitse bezetting het geval was, en dat dientengevolge onze productie ver achter blijft bij het minimum, dat er nodig is. Er zijn buitengewoon begrijpelijke eisen geweest, zoals verhoging van het zeer slechte pensioen, maar ook nadat aan dergelijke dingen is tegemoet gekomen, blijft er nog een soort onlust, een soort weerzin om
ten volle aan het werk te gaan, die men nu tracht te overwinnen met middelen, die ik niet altijd kan bewonderen, waarbij men van alles toezegt, als ze maar werken. Dingen, waaraan in de verwoeste gebieden het allergrootste gebrek heerst, worden in de mijnstreek in de eerste plaats verkocht aan de mensen, die boven een bepaalde productie uitkomen. Zij krijgen daarvoor punten, die zij dan kunnen besteden voor de aankoop van allerlei huishoudelijke artikelen en textielgoederen. Zelfs is bij een bepaalde gelegenheid een halve liter oranjebitter beloofd, benevens een pakje sigaretten voor de mannen boven zestien jaar en voor de jongeren een tablet chocolade. En nu krijgen wij weer het verzoek om toch vooral veel suiker beschikbaar te stellen. Aan redelijke verlangens moeten wij natuurlijk zoveel mogelijk voldoen, maar ieder moet bedenken, dat er van vele goederen nu eenmaal nog te weinig is en dat wat de ene groep méér krijgt het voor anderen beschikbare vermindert.
Te vaak wordt te midden van de grootste moeilijkheden gezegd: ‘Nu doen wij het niet, als men ons dit of dat niet toestaat’. Wij moeten er bij de arbeiders begrip voor wekken, dat dit op het ogenblik niet het standpunt kan zijn. Het gaat toch niet aan, dat degenen, die de kolen delven, die voor ons gehele economische leven nodig zijn, de arbeiders, die kunnen verhinderen, dat de nodige goederen worden vervoerd naar de verwoeste gebieden, en dat zij, die de oogst binnenhalen, ons telegrammen zenden met de mededeling: ‘Als jullie nu dit of dat niet doet, halen wij de oogst niet binnen’. Daar moeten wij tegen in gaan.
Ik behandel dit nog even, omdat het ook de stakingskwestie raakt. Op dit ogenblik geldt de bepaling, dat staken niet strafrechtelijk verboden is, maar dat loonsverhoging alleen mogelijk is met toestemming van de rijksbemiddelaars, en voorts, dat op voorschrift van de rijksbemiddelaars ook tegen de werkgevers in, nieuwe arbeidsvoorwaarden kunnen worden vastgesteld. Ik beschouw dat persoonlijk in het geheel niet als
een ideaal. In een nog kapitalistische maatschappij, met nog enorm grote verschillen, met nog grote winstmogelijkheden, met grote mogelijkheden ook zelfs om in de zwarte handel geld te verdienen, de arbeiders te verhinderen op enigerlei manier zelf strijd te voeren, en alle verantwoordelijkheid voor elk loon en elke arbeidsvoorwaarde op de overheid te leggen, acht ik niet ideaal. En wanneer - zoals ik ook gezegd zou hebben in de radio-speech, die niet gehouden is, omdat de staking in Rotterdam was afgelast, maar waarvan in ‘Het Vrije Volk’ iets gepubliceerd is - wij niet krijgen een geheel nieuwe, andere maatschappelijke orde, een werkelijke rechtsorde van de arbeid, dan moet die vrijheid straks weer hersteld worden. Dan hebben wij toch geen overmaat van stakingen te vrezen; die hadden wij ook vóór de oorlog niet; de arbeiders hadden voldoende begrip en organisatie in normale tijd om dat niet overmatig te doen. Dan gaan de bemiddelaars weer werkelijk bemiddelen en niet beslissen. Maar in deze noodtoestand mogen wij verlangen, dat men tijdelijk er in berust, dat door een objectieve instantie de beslissingen genomen worden. Nu richt men zich bij een staking niet tegen de werkgever, die verhogingen nu toch in zijn prijscalculatie opneemt, maar tegen de voorziening van het Nederlandse volk en tracht men druk uit te oefenen door te zeggen: ‘Nu komen de kolen niet; nu komt het hout niet; nu komt het graan niet’. Dat kunnen wij niet van boeren hebben, dat kunnen wij niet van schippers hebben, dat kunnen wij niet van winkeliers hebben, dat kunnen wij ook niet van arbeiders hebben. Hier moet het hele Nederlandse volk op dit moment onder deze nood solidair zijn. Zo hebben wij ons tegenover de kwestie van staking gesteld, maar u zult ook hebben gemerkt, dat wij elke scherpslijpersmethode daarbij hebben vermeden. U behoeft niet te vragen hoeveel druk er geweest is om bij een staking als in Rotterdam op een geheel andere manier in te grijpen, druk om stakingen strafrechtelijk te verbieden, om burgerdienstplicht in te voeren en de stakers te dwingen aan het werk te
gaan, om op alle andere manieren in te grijpen, om de leiders te arresteren. Wij hebben ons van elke dergelijke methode afgewend. Wij willen op dit ogenblik niet anders dan in het volk de overtuiging veld te doen winnen, door de gehele bevolking en ook de bij een conflict betrokken arbeiders zelf te doen begrijpen: ‘Dit kan op het ogenblik niet’. Niet, omdat elke eis ongerechtvaardigd is, maar eenvoudig omdat wij op dit ogenblik op andere wijze moeten opbouwen. Ik mag zeggen: tegenover enkele teleurstellende ervaringen mogen wij in het algemeen over wat er in Nederland gebeurt, volstrekt niet ontevreden zijn. Er is heel wat meer onlust en onrust geweest in menig ander land.
Onze verzetsbeweging is, ondanks allerlei onrust, die ook daar wel is geweest, over het algemeen ten slotte op zeer bewuste en op zeer redelijke wijze bereid geweest om met de organen van de overheid samen te werken, samen te werken ook met vertegenwoordigers van vroeger reeds bestaande groeperingen. Zo kunnen wij ook op het gebied van de arbeid zeggen: ten slotte is een conflict uitzondering en is de arbeid het normale. Een van onze belangrijkste taken zal ook zijn, die arbeid normaal te doen verlopen. Wij komen in de bouwvakken b.v. tot de wildste toestanden, omdat op het ogenblik in sommige streken en in sommige vakken veel te veel arbeiders worden gevraagd in verhouding tot wie er beschikbaar zijn. Wij zullen ook daar niet de toestanden chaotisch moeten laten worden of blijven. Wij zullen er in dergelijke gevallen voor moeten zorgen - wat moeilijk gaat bij noodherstel, maar wel bij de bouw van nieuwe woningen - dat, wat er gebeurt, aangepast wordt aan het beschikbare materiaal en de beschikbare arbeidskrachten, en dat de bouwvakarbeiders niet, zoals in 1919 en 1920, van de ene werkgever naar de andere gelokt worden met weer een ander loon, om op een gegeven ogenblik weer op straat gesmeten te worden, en dat het type woningen verkleind wordt of de hele bouwnijverheid voorlopig stopgezet. Wij moeten zorgen, dat wij werken met een vast, stelsel-
matig plan voor een hele reeks van jaren en een geregelde bouwnijverheid hebben, waardoor de woningvoorziening gediend wordt en ook de bouwvakarbeiders, die niet meer geslingerd worden van een hoog peil naar depressie, maar die op behoorlijke arbeidsvoorwaarden regelmatig arbeid vinden.
Het zijn allemaal eenvoudig de noden van het ogenblik, die ons natuurlijk nog al eens bezighouden. Daarover heen liggen verder strekkende maatregelen. Wij willen komen tot een goede bedrijfsorganisatie, tot medezeggenschap van de arbeiders ook in de ondernemingen, opdat zij die voelen als iets, waarvoor zij zelf medeverantwoordelijk zijn en waarvan zij op de hoogte worden gehouden, zonder dat wij menen, dat zij de plaats van de ondernemer kunnen gaan innemen. U moet goed begrijpen hoe moeilijk het op het ogenblik wordt om deze plannen te verwerkelijken, nu er in de vakbeweging verwarring bestaat en nu naast de drie samenwerkende vakcentrales de eenheidsvakbeweging is gekomen, die nog heel onstabiel is, maar hier en daar grote invloed heeft. In welke toestanden komen wij, wanneer men in de vakbeweging zelf zo tegenover elkaar staat, dat men niet samen aan één tafel wil gaan zitten; wanneer men weet: nodig ik de eenheidsvakbeweging niet uit, dan lok ik daardoor onrust en verzet uit, en doe ik het wèl, dan breekt er onderling een conflict uit en zeggen de anderen geen woord, omdat zij de mensen van de eenheidsvakbeweging niet vertrouwen. En wanneer je dan verkiezingen in het bedrijf wilt organiseren, weet je, dat eerst recht de strijd ontketend wordt. De problemen kunnen dus moeilijk opgelost worden, zolang de verhoudingen in de vakbeweging niet zijn opgeklaard.
Wat het bedrijfsleven betreft is het duidelijk, dat de politiek van de regering gericht is op een economisch plan, waarvoor een centraal planbureau wordt ingesteld. Deze gedachte is door het gehele kabinet aanvaard. Ten aanzien van socialisatie zijn toezeggingen gedaan op het gebied van de Nederlandse Bank en op het gebied van de mijnen. In uitzicht is
gesteld, dat ook voor andere bedrijven de socialisatie zal worden bezien.
De regering is bereid zeer kras in te grijpen op financieel gebied. Het economische en sociale leven van Nederland zal ineens een geheel ander beeld gaan vertonen, als wij de geldsanering achter ons hebben. Niemand weet precies wat het effect zal zijn, maar het is duidelijk, dat wij dan pas weten op welke grondslagen wij zullen kunnen bouwen. Wij zouden graag dadelijk met de geldsanering zijn begonnen, maar wij hadden de bankbiljetten niet, en je kunt nu eenmaal de mensen geen geld afnemen en er niets voor teruggeven. Dit is weer een van onze technische moeilijkheden. Wij moeten nog even wachten, maar het komt spoedig (uitroepen: ‘Wanneer?’) en ik moet u zeggen: ik kijk er bepaald naar uit wat voor verrassingen ons dat te zien zal geven. (Vraag: ‘Kunnen wij nog thuis komen?’.) Ja, u kunt nog wel thuis komen!
Achter de kwestie van de geldsanering ligt de registratie van de vermogens, de vermogensaanwasbelasting en de heffing ineens. Dan pas zal blijken hoe diep de regering bereid is ook in de kapitaalbezitsverhoudingen in te grijpen. Ik geloof dat dit ook veel zal bijdragen tot sociale rechtvaardigheid, waardoor wij moreel voor andere verhoudingen komen te staan.
Ik laat nu rusten een probleem als onze verhouding tot Indonesië. Een enkel woord wil ik hierover slechts zeggen. Ik ben ervan overtuigd, dat geheel onze beweging met grote ingenomenheid heeft gezien, hoe tijdens de bezetting het woord gesproken is, dat de verhouding tot onze overzeese gebiedsdelen totaal zal worden veranderd; dat men in beginsel zal uitgaan van een andere verhouding, een verhouding van gelijkwaardigheid en gelijkberechtiging, waardoor met oude begrippen van overheersing is gebroken en waardoor men op de grondslag van vrijwilligheid kan samengaan met Indonesië en weer banden kan aanknopen tussen Nederland en Indonesië, die beide zo ontzaglijk onder de verdrukking van agressieve naties hebben geleden.
Eenvoudig zal het niet zijn daarvoor een organisatievorm te vinden. Er bestaan opvattingen omtrent een overkoepeling van Nederland, Indonesië, Suriname en Curaçao door een Rijksraad, waarbij de belangrijkste dingen tenslotte tot een beslissing zouden komen in een college, dat vrij ver van de bevolking afstaat en niet zo heel democratisch zou zijn ingesteld. Wij zullen erop moeten toezien, dat er verhoudingen groeien, waarbij de volksinvloed tot zijn recht komt, ook in belangrijke aangelegenheden, die het hele Rijk raken.
Ik heb met deze dingen, misschien wat te uitvoerig, maar toch nog voor elk vraagstuk afzonderlijk vrij beknopt, aangegeven in enkele grote lijnen de problemen, waarvoor de regering staat en waarvoor wij allen staan, omdat zij tenslotte komen voor de verantwoordelijkheid van het gehele Nederlandse volk.
Nu kom ik op de politieke verhoudingen: onder welke politieke verhoudingen werken wij; onder welke politieke verhoudingen wensen wij in de toekomst voort te gaan? Er is tijdens de bezetting bij sommigen de voorstelling geweest, alsof er in Nederland een vrijwel volstrekte eenheid groeide. Ook naar de overkant zijn die voorstellingen overgebracht, alsof er eigenlijk geen partijen meer zouden te voorschijn komen, omdat de eensgezindheid nu zo groot was, en in het ongunstigste geval, dat er maar twee politieke partijen zouden zijn: de vooruitstrevenden, de progressieven, die werkelijk vernieuwd waren, en dan een behoudende, conservatieve groep.
Dat is in Nederland al uitgesloten, omdat er in Nederland geen conservatieven bestaan. In Engeland kun je je conservatief noemen en jezelf toch respecteren; dat is in Nederland ondenkbaar. Je kunt misschien zekere behoudende neigingen hebben, maar je partij heet toch nooit conservatief. Je kunt kerkelijk gericht zijn, je kunt liberaal zijn, maar dat je je onder de naam van conservatief zou gaan verenigen en dan nog uitgesproken in deze tijd, is uitgesloten. Maar in het algemeen heeft men zich veel te veel in sommige kringen voorgesteld,
dat de partijverdeling zou hebben opgehouden te bestaan. Daarvan is geen sprake. In een levend volk, dat zelf inderdaad zeggenschap heeft, spreekt dit ook vanzelf. Men denkt verschillend, men wil verschillend handelen, men zal zich ook groeperen. De vraag is: hoe? En nu staan wij inderdaad in dat opzicht in de Nederlandse politiek ongetwijfeld op een keerpunt. Vroeger was alles bevroren. Wij hadden partijen, sinds jaar en dag op een bepaalde basis, en die konden eens wat meer of minder succes hebben met hun propaganda, maar vooral omdat zij in belangrijke mate aan de godsdienst gebonden waren - en daar verandert de mens nu niet zo spoedig in - was er zeer weinig wisseling en na de grootste emoties en de felste verkiezingsstrijd was er hier een zetel gewonnen en daar een zetel verloren en overigens waren de verhoudingen ongeveer zoals men te voren had kunnen weten dat zij waren. Er was een verlamming in de Nederlandse politiek, des te erger omdat nu eenmaal de scheidslijnen naar de godsdienst - door hoe diepe motieven zij ook veroorzaakt kunnen zijn - niet samenvielen met de problemen, waarover beslist moest worden. Op het ogenblik, dat over de dringendste maatschappelijke problemen moest worden beslist, zoals in de crisistijd, of men stelselmatig de weg van de plan-politiek zou opgaan b.v., werd er nog gestemd naar de vraag of men katholiek was, of orthodox protestant of niet. Nu is in dat opzicht in Nederland veel doorbroken. Er is een drang naar andere richtlijnen, niet bij allen, maar ruim genoeg om een ware grondverschuiving in de Nederlandse politiek te bewerkstelligen. Dat legt ook ons een nieuwe verantwoordelijkheid op de schouders. Er zijn veranderingen, die wij altijd hebben gewenst. Nu doen zij zich voor. Hoe plaatsen wij ons daarin het best en het zuiverst? Men heeft al betoogd tijdens de bezetting, dat wij de S.D.A.P. daarvoor moesten opheffen. Ik heb u reeds doen blijken aan het begin, dat het naar mijn mening juist is geweest, dat wij dat niet hebben gedaan, niet enkel omdat wij daardoor tot deze kabinetsformatie hebben kunnen medewerken, maar ik
ben overtuigd, dat het voor het gehele Nederlandse volk op dit ogenblik een geluk is, dat de S.D.A.P. weer te voorschijn is gekomen, duidelijk, klaar, krachtig, dat wij, die op een grote bevolkingsgroep een sterke invloed hadden, op dit ogenblik een element zijn van orde en opbouw, een element, dat tegelijk kan stuwen en dat tegelijk weet de beweging te beheersen; dat wij er toe bijdragen, dat in Nederland op regelmatige, planmatige wijze wordt gewerkt en dat daarmede wordt ingestemd door velen, die in de sociaal-democratie de factor van strijd hebben gewaardeerd, maar die begrijpen, dat op dit ogenblik naast strijd en actie voor onze idealen, die arbeid aan de opbouw voorop moet staan. De verwarring in Nederland zou veel groter geweest zijn, indien ook onze massa eenvoudig los was geslagen en niet had geweten waarheen zich te richten. Maar dat wil niet zeggen, dat wij niet ook onze lessen hebben te putten uit wat gebeurd is en ons niet moeten afvragen: hoe staan wij tegenover de toekomst? Het is duidelijk, dat ons telkens twee vragen worden voorgelegd: Hoe staan wij tegenover de communisten, en hoe tegenover de Nederlandse Volksbeweging? De commuisten hebben ons de vraag voorgelegd een gemeenschappelijke actie met hen te voeren en op den duur te versmelten. Ik geloof niet, dat wij hier veel discussie over dit probleem zullen krijgen. Wij kennen de communisten, en wij kennen ons zelf, en wij weten, dat versmelting in één partij niet mogelijk is. Het is een ramp geweest, dat onze socialistische beweging uiteen is gegaan. Er zijn fouten gemaakt indertijd. Ik denk b.v. aan de ontwikkeling in Duitsland, waar ook de sociaal-democratie ernstige fouten heeft begaan. Het is een ramp geweest, dat wij in Europa na de vorige oorlog niet één zijn geweest en het heeft er inderdaad toe bijgedragen, dat het fascisme en nationaal-socialisme zijn opgekomen. Dat de socialistische beweging uiteen is gegaan, is echter geen toeval. Ten slotte zijn er in onze gehele geaardheid grote verschillen. Wanneer wij nu met de communisten zouden versmelten, zou daardoor nooit een gezonde,
sterke, eensgezinde partij kunnen ontstaan. Wij zouden onvermijdelijk met elkaar in botsing komen en het zou een element van verwarring zijn.
Rusland is een ontzaglijke factor in het wereldgebeuren. Met Rusland zal de rest van de wereld moeten trachten op normale wijze samen te leven en ook economisch nauw samen te werken. Het communisme zal in ons land vermoedelijk veel sterker zijn dan tevoren. Als de communisten bereid zijn in Nederland in de gemeentebesturen, in de volksvertegenwoordiging op de normale wijze samen te werken, wat natuurlijk niet wil zeggen zonder critiek - daartoe hebben zij het volste recht -, en als zij bereid zijn zich in het economische, in het sociale en in het staatkundige leven inderdaad als een Nederlandse partij te gedragen, dan zou het dwaasheid zijn te trachten hen bij voorbaat te isoleren. Maar het is iets anders om te vragen of wij bereid zijn in één partij met hen samen te gaan. Dan zeg ik: er zijn twee principiële bezwaren. Het eerste bezwaar is, dat zij altijd nog zich gedragen als een partij, die klakkeloos alles bewondert en toejuicht wat Rusland doet. Aan het begin van de oorlog, of eigenlijk nog even verder terug, toen bericht werd, dat Rusland een vriendschapsverdrag met Duitsland had gesloten, zeiden de communisten hier, dat zij dat niet geloofden en dat er niets van waar was. Toen het echter toch waar bleek te zijn, was het ineens het meest wijze beleid, dat men zich kon denken. In het begin van de oorlog verklaarden zij, dat Nederland met Duitsland goede vrienden moest zijn, ondanks het verschil in régime. Toen later Rusland werd aangevallen, stond de zaak ineens zo, dat allen in naam van de vrijheid zo krachtig mogelijk tegenover Duitsland moesten staan.
Laat ik erbij zeggen: zij hebben in Nederland ontzaglijk grote offers gebracht. Zij hebben voor hun zaak gestáán. Ik heb daarvoor alle respect. Maar zij moeten daaruit geen politieke munt trachten te slaan door te doen alsof anderen geen offers brachten. De rol, die de communisten in het verzet heb-
ben gespeeld, mag ons niet voorbij doen zien, dat zij altijd naar Rusland zien - met of zonder Komintern - en klakkeloos toejuichen en bewonderen wat daar gebeurt. De communisten zeggen: Nederland mag niet annexeren, want dat is imperialistisch. Ik ben persoonlijk ook geen voorstander van annexatie. Maar ik heb geen critiek van de communisten gelezen over het feit, dat Rusland een deel van Oost-Pruisen annexeert, dat het de grens met Polen ver naar het Westen heeft verlegd en Polen laat opschuiven, zodat vele millioenen Duitsers van hun land worden verdreven, waarbij Polen zelfs tot de Oder komt.
Daarnaast is het tweede bezwaar toch eigenlijk nog belangrijker, namelijk dat hun opvatting van ‘democratie’ een fundamenteel andere is dan de onze. Wij spreken in dat opzicht een andere taal. Zij vinden Rusland het meest democratische land ter wereld. Ik erken, dat er in Rusland grotere maatschappelijke gelijkheid is dan elders en natuurlijk zie ik daarin ook een element van democratie, zoals wij naast de staatkundige ook de maatschappelijke democratie wensen. Maar voor ons is met de democratie onafscheidelijk verbonden de gedachte aan de vrijheid van vereniging, van vergadering en van pers, de vrijheid van gedachte, de persoonlijke geestelijke vrijheid. Zij vinden het normaal, als eenmaal het communisme heeft gezegevierd, dat al het andere reactionnair en fascistisch is, waarvoor de vrijheid niet moet worden gegeven. Binnen het communisme is critiek mogelijk, zeggen zij, als het maar niet te ver gaat en niet ‘de centrale lijn aantast’. Dit juichen zij toe als de meest volmaakte democratie. Wij behoeven er ook niet aan te twijfelen, hoe b.v. op dit ogenblik moet worden gedacht over de democratie in de Balkanlanden. Ik beweer niet, dat elk land rijp is voor een volledige parlementaire democratie, maar wèl, dat deze parlementaire democratie een hogere vorm is, dat de geestelijke vrijheid aan ons streven onafscheidelijk verbonden is en dat dit het samengaan voor ons met hen in één partij onmogelijk maakt. Daarnaast is hun
practisch optreden van het ogenblik niet bevorderlijk voor de gedachte, dat zij nu juist zo hebben bewezen, dat zij in Nederland een constructief element zouden zijn, waarvan wij menen, dat elke beweging in Nederland dat op het ogenblik moet vormen. Wij hebben al gesproken over de manier, waarop zij naar aanleiding van de vraag of de verkiezingen twee maanden vroeger of later zullen worden gehouden en naar aanleiding van het probleem van de politieke gevangenen geen overleg plegen, maar een zo groot mogelijke onrust in het leven roepen. Wat de communisten betreft, aanvaarden wij dus, dat zij op andere wijze dan vroeger worden geroepen tot medewerking in Nederland, maar wij moeten in geen geval met hen versmelten. Zo is het ook in geheel West-Europa gegaan, waar over deze kwestie gesproken is. Ten slotte is men er practisch niet toe gekomen, ook niet in Noorwegen, waar men ten slotte ook tot de conclusie kwam: ‘Het gaat toch niet’.
Aan de andere kant - en daar liggen voor velen van ons veel meer problemen -: hoe is de verhouding tot de Nederlandse Volksbeweging? Nu moeten wij ons wel eerst afvragen: wat is de N.V.B, en wat wordt zij? Op dit ogenblik is zij geen politieke partij. Zij kondigt aan, dat zij in de eerste plaats geestelijke en morele verheffing wil en vernieuwing, culturele beinvloeding, en dat zij daarnaast wijzigingen in de politieke verhoudingen wil bevorderen. Haar programma is niet zo, dat er reden zou zijn om te zeggen, dat een sociaal-democraat er geen deel van mag uitmaken, maar er liggen voortdurend mogelijkheden van een ontwikkeling in andere richting. Zij is uit op rechtstreeks politieke beïnvloeding. Aan de ene kant is er voor ons het waardevolle, dat zij inderdaad socialistische opvattingen - zij het soms vagere dan wij zouden willen - doet doordringen in kringen, die daar vroeger afwijzend tegenover stonden; aan de andere kant hebben wij het bezwaar, dat zij de enige partij, waarin het socialisme als massabeweging reeds voor de oorlog belichaamd was, soms wel zeer in het bijzonder tot onderwerp van haar critiek maakt, en dat
vooral sommige van onze partijgenoten de neiging hebben in het bijzonder hun pijlen te richten op wat volgens hen de S.D.A.P. nog in personalistisch socialisme, zoals de nieuwe term luidt, te kort schiet. De partijgenoten, die in de N.V.B. werken, worden in onze kring zeer verschillend gewaardeerd. Er zijn er, die tonen zich ook nu ten volle sociaal-democraat en lid van onze beweging te gevoelen; er zijn anderen, die wel eens de indruk maken: ‘Ik ben er nog, maar ik heb de knop van de deur in de hand en sta klaar om afscheid te nemen’. Men kan niet anders dan verwachten, dat dat in onze rijen ook bezwaren oproept.
Hoe zie ik zelf de N.V.B.? Vooreerst dit: zij is in Nederland zonder enige twijfel van historische betekenis. Dit is het moment, waarop de partijverhoudingen vloeiend zijn geworden, waarop de coalitie, gebaseerd op de oude antithese van katholieken, anti-revolutionnairen en christelijk-historischen, door weinigen meer wordt gewenst. Ook een deel van de anti-revolutionnairen zien niet verlangend uit naar zulk een partijformatie, en zèker niet de katholieken en een groot deel van de christelijk-historischen. Op dit moment is het zeker een zaak van historische betekenis, dat men in de N.V.B. degenen, die een andere samenwerking begeren, ziet samenkomen. Het is ook van betekenis, dat dat als socialisme wordt gequalificeerd. Aan de andere kant ben ik overtuigd, dat de N.V.B. op dit ogenblik nog velen trekt, die volstrekt niet concreet weten waar zij heen willen en die niet werkelijk bereid zijn een socialisme, een wezenlijk socialisme, actief te aanvaarden. Ik ben overtuigd, dat de spreiding van de N.V.B. op dit ogenblik van een zodanige breedte is, dat zij, als zij partij werd, op den duur, als zij voor de werkelijke problemen staat, zich niet als een eenheid zou kunnen handhaven. Er zijn voluit socialisten bij; er zijn katholieken bij, die zeggen: ‘Wij zijn solidaristen - wil men dat op het ogenblik socialisme noemen, dan zullen wij ons daarbij neerleggen -’; er zijn ook de vroegere politiek onverschilligen en ongeschoolden, die komen in het besef dat
zij nu toch een verantwoordelijkheid hebben om in de politiek mede te werken. Dit laatste doet zich vooral voor bij intellectuelen, en wij juichen het toe, dat zij een groter verantwoordelijkheid tegenover de staatkunde gevoelen, maar zij kiezen nog niet; zij hebben het gevoel, dat daar een soort eenheidsbeweging is. Ik geloof, als men tot politieke partijvorming zou komen, dat men dan uit de N.V.B. toch zeker ten minste twee partijen zou kunnen zien ontstaan, zo niet drie.
Laten wij van de katholieken dit begrijpen: er zijn er zeker onder de katholieke intellectuelen, die socialistisch voelen en die gaarne met socialisten samengaan, maar een ogenblik leek het, of het hele Zuiden ‘vernieuwd’ en eensgezind was en niet meer bij de Staatspartij wilde en of de N.V.B. ook de katholieke middenstanders, de katholieke boeren en de katholieke werkgevers in Brabant en Limburg zou omvatten; maar dat deze allen ineens socialistisch zijn geworden, zij het dan ‘personalistisch’, dat gelooft men toch niet; dat is ondenkbaar. Ook wat de democratie betreft: zijn allen, die zich tot een dergelijke eenheidsbeweging aangetrokken gevoelen, democratisch in onze zin? Onder de katholieken zijn vele zuivere democraten en ik zal mij verheugen, als wij in onze rijen ook socialistische en democratische katholieken zouden zien toetreden, zoals enkele belijdende katholieken in het Zuiden toegetreden zijn, al zweeft daar de kwestie nog van het bisschoppelijk verbod, maar er zitten ook onder degenen, die zich sociaal-progressief achten, heel wat tendenzen van de corporatieve maatschappij niet alleen, maar van de corporatieve staat, die daar telkens doorheen spelen. Er zitten onder de katholieken, die zich bij de N.V.B. hebben aangesloten, ook mensen, die bij ons ernstige bezwaren oproepen.
Daarom, er is bij ons in verband met bepaalde stromingen een zekere terughoudendheid. Ik wil met het bovenstaande natuurlijk niet de N.V.B. als geheel karakteriseren. Het is duidelijk, dat mannen als Schermerhorn b.v. inderdaad een socialistische richting willen inslaan en volkomen democra-
tisch zijn. Het is ook duidelijk, dat mensen van allerlei richtingen, die zich van hun grote verantwoordelijkheid voor de staat bewust zijn geworden, inderdaad zoeken naar een samenwerking over de oude scheidslijnen heen, ten einde andere grondslagen voor onze maatschappij te leggen.
Van de kant van de Volksbeweging heeft men in besprekingen wel eens gezegd: wij hebben de verantwoordelijkheid gekregen voor velen, die tevoren politiek dakloos waren en nu naar een onderdak zoeken, en het zou onjuist zijn hen terug te drijven naar de oude partijen. Er komen er b.v. uit de confessionele partijen, die daar niet meer naar terug willen, maar er toch nog niet toe kunnen komen naar de S.D.A.P. te gaan. Aan de andere kant draagt ook de S.D.A.P. een ernstige verantwoordelijkheid, zowel om de verbreding mogelijk te maken, als om niet op zodanige wijze te verbreden, dat wij daardoor de massa van de arbeiders, die achter ons stonden, zouden afstoten en naar andere richtingen zouden jagen. Dat is het probleem. Wij moeten in Nederland, nu de dingen in beweging zijn, nu de ban gebroken is, inderdaad de mogelijkheden aangrijpen om te komen tot een zo breed mogelijke socialistische beweging, socialistisch en democratisch, die zo breed mogelijke maatschappelijke kringen bestrijkt. Historisch is de sociaal-democratie gegroeid uit de arbeidersbeweging. Zij zal altijd in belangrijke mate door de arbeiders gedragen worden, omdat de arbeiders ten slotte toch het eerst en het duidelijkst door het kapitalisme getroffen worden. Met de arbeiders zullen wij altijd nauw contact moeten houden, maar sinds de onzekerheid, die in de maatschappij gekomen is, de grote crisissen, die alles ontworteld hebben, is in allerlei maatschappelijke kringen het besef gegroeid, het anti-kapitalistisch besef: ‘Op deze wijze is de maatschappij niet bewoonbaar; op deze wijze is er in het leven van ieder de onzekerheid, die wij moeten verdrijven’. Er is in de kringen van de middengroepen en in agrarische kringen een vatbaarheid gekomen voor de gedachte van een planmatige sociale econo-
mie, voor de gedachte van een gemeenschapsbeheer van de voornaamste takken van productie, waardoor de vatbaarheid voor het socialisme groeiende is. Grote groepen, die zich geen loonarbeiders voelen, zoals bedrijfsleiders, economen, juristen enz., maar die met de belangen van het kapitalisme volstrekt niet onverbrekelijk verbonden zijn, zouden, dikwijls ook door idealen gedragen, willen medewerken aan de vorming van een socialistische maatschappij. Niets is belangrijker dan de schakel te leggen tussen deze groepen, die voor het grootste deel nieuw tot deze gedachte zijn gekomen, en de arbeiders, die vanuit hun strijd tot het socialisme werden gebracht.
De maatschappelijke verbreding moet zo groot mogelijk zijn; daarnaast ook de ideologische verbreding. Wij zijn inderdaad vele jaren lang hoofdzakelijk beperkt geweest tot de buitenkerkelijke en daarbij langzamerhand vrijzinnig-godsdienstige groepen van ons volk. Wij kunnen daar misschien zelf toe hebben bijgedragen, maar historisch is het niet in de eerste plaats onze schuld geweest, maar ons noodlot. Onze beweging is gekomen op een ogenblik, dat in Nederland de politieke scheiding naar de godsdienst zich reeds voltrokken had en wij daardoor in de eerste plaats het oor vonden van diegenen, die zich niet door hun godsdienst gebonden voelden aan een andere partij. Echter, als dat eenmaal zo is, wordt natuurlijk het hele karakter van een beweging daardoor mede bepaald, althans enigszins, en zo ontstond zonder twijfel een sfeer, waarin het moeilijk was voor orthodox-protestanten en katholieken om tot ons te komen; de katholieken werden bovendien door een verbod weerhouden. Wij hebben nodig een socialistische beweging in Nederland, die naast buitenkerkelijken, naast vrijzinnig-godsdienstigen niet maar enkele orthodox-protestanten omvat, zoals vroeger, maar die inderdaad aanvaard wordt door vele orthodox-protestanten en waarin ook velen uit het katholieke volksdeel zich thuis gevoelen. Wij hebben die verbreding ten dele in eigen rijen voltrokken, geestelijk, toen wij het program van 1937 vaststelden, dat dui-
delijk èn die maatschappelijke èn die geestelijke bredere fundering van onze beweging wil. Wij hebben deze verbreding nu voor een deel zich zien voltrekken door de verheugende toetreding van figuren, die tot nog toe niet in onze rijen waren. Het meest bekende en het meest opvallende is geweest de toe-treding van zeven orthodoxe predikanten in Amsterdam. Dat is een verrassing geweest. Het was het gesprek van de dag in Amsterdam, toen dat door de kranten bekend werd gemaakt. Dat is inderdaad een stuk doorbraak, al geeft het nog niet weer wat de massa doet, maar er zijn mogelijkheden gekomen, en het verheugende was, dat daar mannen kwamen, die met volle overtuiging een radicaal socialisme wilden. Men zegt wel eens in sommige kringen - Buskes heeft er zelf over geschreven -: ‘wordt dat een verwaterd, een verzwakt socialisme?’ Neen, zij willen niet een enkele hervormingspartij. Zij willen geen matiging in de maatschappelijke doeleinden: zij willen ten volle socialisme. Natuurlijk, geestelijk zijn zij anders ingesteld dan de massa van onze mensen tot nog toe was, maar zij vragen ook niet, dat wij nu plotseling onze Partij christelijk zouden verklaren of dat men een soort verklaring zou moeten onderschrijven betreffende zijn opvattingen dienaangaande. Zij weten, dat zij komen in een milieu, waar velen hun geloof niet delen. Zij vragen de vrijheid ten volle hun overtuiging uit te spreken en ik weet, dat dat in de beweging ten volle aanvaard wordt. Zij vragen niet, dat anderen daarom hun opvatting zullen verloochenen. Dit heeft echter natuurlijk practische consequenties. Vorrink heeft daar gisteren enkele dingen van genoemd. Het spreekt vanzelf, dat men hun opvattingen aangaande de Zondag eerbiedigt en het ook hun mogelijk maakt aan het werk deel te nemen door niet onze conferenties en congressen op Zondag te beleggen. Het brengt natuurlijk mee een grotere vrijheid van beweging, ook straks in vertegen-woordigende lichamen, op die punten, waar wèl de godsdienst een verschil kan maken. Het is denkbaar, dat er punten aan de orde komen - zij zijn in werkelijkheid uitzonderingen -
waar rechtstreeks de godsdienstige overtuiging betekenis heeft voor de stem, die men zal willen uitbrengen: bij de Zondags-wetgeving, de huwelijkswetgeving b.v.; het kan ook veel dieper gaan. Het spreekt vanzelf, dat men daarin vrijheid moet laten bestaan en niet in de Partij de neiging moet hebben alles bij resolutie vast te leggen, bij resolutie voor te schrijven hoe men moet stemmen en zich aan de meerderheid gebonden achten.
Een moeilijker vraagstuk is dit: welke invloed heeft het op de geestelijke sfeer en op het culturele werk? Dat is ook een element in de verhouding tot de N.V.B. Moet de Partij zich terugtrekken op het enkel zakelijke; moet de Partij worden enkel politieke partij, omdat, waar men algemeen cultureel werk doet, men zo licht de levensbeschouwing raakt? Het staat voor mij vast, dat het socialisme niet een volledige levensbeschouwing is; wij kunnen nooit in ons culturele werk ten volle bieden wat iemand als antwoord op de laatste en diepste vragen zou willen vernemen. Wij moeten bij de behandeling van vraagstukken, die inderdaad het hoogste kunnen raken, zeggen: daarin beperken wij ons; daarover kunnen wij elders van gedachten wisselen. Ten slotte is het juist omdat wij zo breed mogelijk willen zijn in het maatschappelijke, dat wij in geestelijk opzicht voorzichtig moeten zijn en niet tot de uiterste grenzen gaan. Wij kunnen dus niet vertegenwoordigen een volledig opvoedingssysteem, dat men zich niet kan denken, zonder dat men over die laatste levensvragen mag spreken.
Aan de andere kant: wij mogen niet verschralen tot een enkel zakelijke, een enkel politieke partij. Daar leeft voor ons achter het socialisme niet bij allen dezelfde levensbeschouwing, maar daar leeft toch een algemeen idealisme, daar leeft toch voor ons juist wat er waarde aan geeft, wat ook onze arbeiders bezielt, wat hen uittilt boven het enkele vechten voor stoffelijke belangen, daar leeft toch een beschouwing omtrent mens en maatschappij. Dat idealisme moeten wij kunnen blijven vertolken, ook in ons culturele werk, en dan is er ook weer
in onze maatschappij genoeg gemeenschappelijks, zelfs ook tussen. gelovigen en niet-gelovigen, genoeg gemeenschappelijks in geestelijke sfeer, genoeg gemeenschappelijks in de opvattingen ten aanzien van de menselijke persoonlijkheid, om dat in onze beweging te kunnen blijven doen. Waar de grens ligt? Waar men samen dat werk doet en waar men het prijs geeft aan afzonderlijke organisaties, die vrijer staan? Dat zal moeten worden besproken in de commissie, die het Partijbestuur besloten heeft in te stellen over de culturele vraagstukken en waarin ook onze vrienden, die zijn toegetreden uit andere denkrichtingen, hun woord zullen kunnen meespreken.
Ik acht de verbreding ontzaglijk belangrijk. Ook het feit, dat wij waardevolle leidende krachten uit het intellectuele leven en uit het bedrijfsleven tot ons hebben zien toetreden. Vanwege de arbeiders is daar soms wat ongerustheid over; sommigen menen, dat onze band met de arbeiders losser zou worden. Wij zullen juist de band tussen de arbeiders en andere socialistisch willenden nauwer moeten doen worden en allen doen begrijpen, dat op deze wijze een maatschappelijke reconstructie pas goed kan slagen. Wij hebben niet alleen nodig de macht, maar ook de mensen, die het doen kunnen en die het doen willen.
Wanneer wij zeggen: wij zijn bezig tot een verbreding te komen - is dat genoeg? Kunnen wij er mee volstaan? Of is het onze plicht te trachten verder te komen en daarbij dan vooral ook verbinding te zoeken met velen, die nu in de N.V.B. hun tehuis hebben gevonden, dat nog niet geheel een politiek tehuis is? Ik heb dit ook al ergens anders geschreven: Ik kan mij zeer goed voorstellen, dat wij ten slotte in Nederland tot een sterkere werving voor de socialistische gedachte komen, tot grotere, ruimere mogelijkheden voor de verwerkelijking van het socialisme, wanneer wij ons bereid verklaren tot nieuwe organisatie-vormen. Ik kan mij voorstellen, dat anderen, die komen uit andere denkrichtingen, uit andere politieke partijen, maar ook degenen, die in het verzet tot
politiek bewustzijn zijn gekomen, zich stoten aan sommige dingen in ons verleden, die zij anders zouden willen hebben. Ik kan mij voorstellen, dat zij zeggen: ‘Wij komen gemakkelijker, wanneer er een nieuw gebouw wordt gezet’. En ik zou het een tekortschieten vinden, wanneer wij aan de naam of aan de organisatie-vorm vast zouden blijven houden, indien dit aan de verwezenlijking van onze beginselen ten slotte hinderpalen in de weg stelt. Niet de organisatie is het belangrijkste. Men wil dikwijls, dat niet meer van marxisme wordt gesproken. Ik vind, dat wij nog altijd ontzaglijk veel van Marx kunnen leren en zou de volgende uitspraak van hem willen aanhalen. Marx sprak de Duitse dichter Freiligrath eens aan als ‘partijgenoot’ (dat was in ballingschap in Engeland). Freiligrath merkte toen op, dat hij al sedert lang niet meer lid van een organisatie was, waarop Marx antwoordde: Ik ook niet, ‘aber wenn ich sage “Partei”, so meine ich Partei im grossen, historischen Sinne des Wortes’. In deze zin hecht ik aan de Partij, in de grote historische zin, en als ik de naam S.D.A.P. zie als een symbool, dan kost het mij wel zelfoverwinning om aan iets anders te denken; maar ik zeg erbij: dat is bijkomstig. Wij moeten open staan en bereid zijn tot overleg met iedereen, die werkelijk democratisch en werkelijk socialistisch is en die met ons zou willen samengaan, indien wij gezamenlijk tot nieuwe vormen zouden komen. Wij hebben dat ook in onderlinge besprekingen geuit, en ik acht het denkbaar, dat wij dan inderdaad tot belangrijke resultaten zouden kunnen komen. Maar ik stel daarbij toch voorop, dat men van het begin af de grenzen van de mogelijkheden in het oog moet houden. Er zijn er, die wel met ons zouden willen samengaan, maar die eisen aan ons stellen, waarvan ik van tevoren zeg: ‘Verbeeld je niet, dat, als wij daartoe zouden besluiten, daarmee iets wezenlijks zou zijn gewonnen. Het zou tussen onze vingers wegvloeien’. Wanneer men zegt: gij moet uw symbolen laten vallen, gij moet niet vasthouden aan uw internationale organisatie, gij moet de socialisatie niet meer
zo absoluut stellen en niet meer de neutraliteit van de staat willen, dan zeg ik op elk van deze dingen: gij vraagt ons meer dan wij geven kunnen. Wij zouden daardoor, ingaan tegen ons eigen denken en voelen. En bovendien zouden wij tonen onze verantwoordelijkheid niet te beseffen tegenover de bevolkingsgroep, die wij vertegenwoordigen en die er niets van zou begrijpen, wanneer wij deze weg zouden opgaan. Laat ik dadelijk zeggen: voor mij is het een vanzelfsprekendheid, dat er in Nederland een sociaal-democratie is, die deel uitmaakt van de Socialistische Internationale. Ik wil de betekenis daarvan niet opschroeven. Het is niet meer, zoals het indertijd scheen te zullen worden: een organisatie, die de wereld omspant. Het is, ook door de loop, die de zaken b.v. met het communisme hebben genomen, in zeer belangrijke mate een organisatie van het Westen en na de vorige oorlog is deze Internationale ook op allerlei wijze gespleten geweest. Maar juist om de grote invloed, die dat Westen cultureel, politiek en maatschappelijk kan hebben, is het ondenkbaar, dat wij ons niet zouden mogen aansluiten bij die Socialistische Internationale, waartoe de Labour Party weer het initiatief gaat nemen, die zonder enige twijfel zal omvatten het Engelse Rijk (Engeland zelf, maar ook met een deel van de Dominions) en daarnaast de Scandinavische landen, België, Frankrijk, Zwitserland e.d. Het spreekt van zelf, dat daar voor ons een plicht ligt.
Als men spreekt van socialisatie, zeg ik: zeker, wij aanvaarden, dat er in de maatschappij ook een grote particuliere sector blijft van het klein- en middenbedrijf. Maar wanneer men wel een planmatige productiepolitiek wil, maar geen socialisatie, of wanneer men de gehele socialisatie op de achtergrond wil schuiven, dan zeg ik: neen. Ik ben ervan overtuigd, dat zonder aantasting van de centrale punten van het economische leven, die in kapitalistische handen zijn, waar de grote vermogens bijeen worden gebracht, wanneer men enkel tracht
te ordenen en niet ook op beslissende punten tot een rechtstreeks gemeenschapsbeheer overgaat, op den duur - welke ook de democratische vormen zijn - de machten van het kapitalisme een veel te grote invloed zouden gaan uitoefenen.
Wanneer men onze symbolen neemt: ik verheug mij er over, dat de Nederlandse sociaal-democratie onbevangener, met meer warmte is komen te staan tegenover de nationale symbolen. Ik verheug mij er over, dat daardoor een stuk isolement in ons land weg is, dat wij daardoor inderdaad minder sectarisch staan in het Nederlandse volk. Wij waren reeds in werkelijkheid, dank zij wat door onze opvoeding en scholing in de brede volksmassa gedaan is, een wezenlijke bijdrage tot de Nederlandse volkskracht en de mogelijkheid van een Nederlandse volkseenheid. Dat is nu meer bewust geworden. Dat staat nu vaster en duidelijker bij iedereen. Daarnaast kunnen echter onze internationale symbolen niet worden prijsgegeven, zonder dat naar mijn gevoel het socialisme zijn eigenlijke karakter opgeeft.
Wat de verhouding tot de arbeiders betreft: niemand kan sterker willen dan ik, dat wij niet in enge zin enkel arbeiderssocialisten zijn. Socialisme kan worden voorgestaan om tal van motieven, ook om zuiver ideële motieven, los van belangen; om de consumenten (Wibaut), om de bestaanszekerheid, ook voor heel andere groepen dan de arbeiders, om der wille van de sociale gerechtigheid, die altijd en overal de drijfkracht is geweest van de geestdrift, die ons bezield heeft. Maar massaal zal het socialisme ook in speciale verbinding met de arbeiders moeten blijven. Dat vloeit voort uit heel hun maatschappelijke positie. Dat leert ons de geschiedenis van het socialisme waar ook ter wereld. Zoals wij intellectuelen niet mogen afstoten, zo mogen wij ook niet aan de andere kant arbeiders tot wantrouwen wekken. Dergelijke dingen stellen bepaalde grenzen, maar grenzen, die naar mijn mening zo ruim getrokken zijn, dat zeer velen daar binnen zouden kunnen komen, die nu nog ver van ons blijven.
Men spreekt wel eens van het verschil tussen de S.D.A.P. en de Labour Party. Wij beroepen ons op de Labour Party en anderen zeggen: ‘De Labour Party is heel anders’. De communisten zeiden onlangs: ‘De Labour Party staat veel welwillender tegenover het communisme’. Onmiddellijk daarop trof ik in ‘Het Vrije Volk’ een beschouwing van Greenwood aan die zei: ‘Wij wijzen elke totalitaire staatsvorm af, of zij communistisch is of nationaal-socialistisch. Wij wensen net zo min de Gepeoe als de Gestapo’. Aan de andere kant is gezegd, ook met een beroep op ‘Het Vrije Volk’: ‘De Labour Party is veel christelijker; Attlee heeft gezegd, dat de gedachte van het socialisme in Engeland gegroeid is in de sfeer van de bijbel’. Maar Harold Laski, de voorzitter van de Engelse Arbeiderspartij, die door Churchill zo is aangevallen, heeft in een boek geschreven: ‘Het geloof, dat wij hebben op te bouwen, is een geloof in de waarden van deze wereld, niet in de waarden van de andere wereld. De eis, die wij hebben te stellen, is de eis van de mens op de broeder, die hij ziet, niet de eis van een ongeziene God op de mens’. Het merkwaardige van de Labour Party - en daarin onderscheidt zij zich waarlijk van de Nederlandse sociaal-democratie en de vastelands-sociaal-democratie, zoals die eens was - is, dat zij een veel grotere ruimte laat, dat men in Engeland in allerlei opzichten soepeler en verdraagzamer is. Als in ons land de voorzitter van de Partij schreef, wat Laski schrijft, dan zou van alle kanten de critiek loskomen, zoals, wanneer men als Attlee schreef, weer van andere kant de opmerking zou komen, dat dit niet de geest van de beweging weergaf.
Wat wij vóór alles hebben te wensen is, dat de beweging maatschappelijk eensgezind is en geestelijk in belangrijke mate van gelijke opvattingen kan zijn, - omdat de geestelijke sfeer toch ten slotte voor ons allen voor een groot deel door dezelfde factoren bepaald wordt - en dat wij binnen een dergelijke beweging veel groter ruimte, veel groter verdraagzaamheid en veel minder sectarisme zullen kennen dan wij tot nog toe ge-
had hebben. In die zin zullen wij niet aan vijftig jaar van congresresoluties en geboden moeten blijven hangen. In die zin zullen wij minder spoedig dan vroeger met moties moeten komen als iemand afwijkt. Indien wij echter de ruimte, breedheid en soepelheid aanvaarden, dan is voorwaarde daarbij verder daar binnen werkelijk socialistisch en democratisch te handelen en te propageren.
Wij staan op het ogenblik onzerzijds in een gunstige positie. De stroom is naar het socialisme toe. De wil is er om de democratie te handhaven. Anderzijds ook staan wij te midden van grote verwarring en grote gevaren. Niemand kan zeggen hoe ver het communisme zal blijken in de Nederlandse massa's te zijn doorgedrongen. Niemand kan aan de andere kant zeggen, wat er van wordt, indien er naast de S.D.A.P. een andere, anders getinte socialistische partij zou komen te ontstaan, of dat straks een breder vlak zal geven voor samenwerking, of dat de tegenstellingen zouden worden toegespitst. Het is dan ook van het grootste belang, dat wij een goed gekozen beleid en een vaste koers volgen. Gebroken is de ban, die op de Nederlandse politiek lag. In veel wijder kring is er belangstelling voor denkbeelden, die vroeger eigenlijk alleen in ons midden sterk leefden. Verheugend is de veerkracht, waarvan ons volk blijk geeft, nu het zich opricht en nieuwe verhoudingen wil. De hoop herleeft, dat er na deze ondergang van de nazi-dictatuur in Nederland iets goeds, iets schoons, iets socialistisch zal kunnen worden tot stand gebracht. Dat legt ons verantwoordelijkheid op in onze houding tegenover anderen, ook in onze wijze van werken. Wij tonen, dunkt mij, zoals wij, naar mijn overtuiging, ook in het verleden getoond hebben, besef voor verantwoordelijkheid, besef voor morele gebondenheid. Nooit is het socialisme geweest de strijd enkel om een beter stoffelijk bestaan. De grote offers, die gebracht zijn, werden gebracht door mensen, die daarbij gedragen werden door een hoog ideaal, die ook bezield werden door de wil om de menselijke waardigheid tot haar recht te doen komen en de mense-
lijke persoonlijkheid zich vrijer te doen ontplooien, en broederschap tussen mensen te doen groeien. Een halve eeuw hebben wij daarvoor onder een grote bevolkingsgroep heel wat verricht en ten slotte is ook onze bevolkingsgroep sterk en diep verbonden gebleken met de gehele natie, hoewel aanvankelijk tegenstellingen door haar schenen te worden opgeroepen.
Er is veel kapot geslagen, maar wij weten, dat dit kan worden hersteld.
Nu staan wij minder beperkt, minder geïsoleerd, maar niet minder radicaal en niet minder socialistisch, open voor overleg, maar krachtig ook in ons zelf, straks het regeringsprogram steunend, dat, geloof ik, geeft wat nu kan worden gedaan en in uitzicht gesteld. Maar daarnaast blijven wij principieel stellen wat wij als socialisten willen.
Voor ons land en voor de mensheid geldt, dat wij moeten bouwen op de puinhopen, maar wij gaan aan de arbeid naar een vast plan en in het zekere vertrouwen, dat wij, waar wij de stenen ter hand nemen - niet alleen in de letterlijke zin -, in de maatschappelijke structuur iets zullen weten tot stand te brengen, schoner en menswaardiger dan tot nu toe heeft bestaan. Wij hopen samen te werken in harmonie met zovelen als mogelijk is. Laten wij ons voornemen daarbij zelf voortdurend onze verantwoordelijkheid te beseffen en onze plicht te doen, in de socialistische geest van kameraadschap en gemeenschapszin!