terug  begin  verderprepost
[p. 123]

Partij van de Arbeid

Op 9 Februari 1946 werd de Partij van de Arbeid opgericht. In de oprichtingsvergadering in Krasnapolsky te Amsterdam voerde o.m. Drees het woord. Dit was zijn redevoering:

 

Partijgenoten,

Wij hebben deze dag meer dan één ontroerend moment doorleefd. Ik zou durven zeggen, voor velen van ons is heel deze dag een ontroerend moment, nu in Nederland bereikt wordt wat nog weinig jaren geleden volstrekt onmogelijk en onbereikbaar zou hebben geschenen. Het is vandaag een historische dag in het Nederlandse politieke leven, maar het zal aan ons zijn om het in verdere samenwerking te doen worden een dag met grote en goede gevolgen voor heel ons volksleven en voor onze economische, sociale en geestelijke verhoudingen. Een historische dag, omdat hier een partij oprijst, die onmiddellijk groot is en vol van betekenis, een partij, door samenvoeging en niet door versplintering en scheiding ontstaan. Bijna sedert mensenheugenis, zou men kunnen zeggen, is er in Nederland geen politieke partij meer gesticht, die waarlijk tot een grote partij is uitgegroeid, en alle partijen, die de laatste halve eeuw ontstonden, kwamen tot stand door afsplitsing van andere. Hier echter heeft een samenbundeling plaats van diegenen, die in de Nederlandse politiek andere methoden en andere opvattingen willen doorzetten. Sedert een halve eeuw waren de politieke verhoudingen vrijwel gefixeerd. Aanvankelijk nog niet naar de getalsterkte, maar naar de aard van de partijen; later ook naar de krachtsverhoudingen. De scheidingslijnen schenen in hoofdzaak voorgoed vastgelegd. Muurvaste stellingen waren betrokken. Zij werden goed bewaakt en

[p. 124]

niet verlaten. Daar stonden de rooms-katholieken als politieke partij, de anti-revolutionnairen, de christelijk-historischen; het bleef tientallen jaren onveranderd. Daar stonden aan de andere zijde - gerekend naar de gedachte der antithese - de liberalen, de vrijzinnig-democraten, de sociaal-democraten. Tot 1918 vonden nog sterke numerieke verschuivingen plaats. De laatste tientallen jaren, nadat algemeen kiesrecht en evenredige vertegenwoordiging waren ingevoerd, bleven ook die verschuivingen echter uit. Elke keer weer werd een verkiezingsstrijd met kracht aangevat en door meer dan een partij met geestdrift gevoerd, en elke keer liep het weer uit op verschillen van een of twee zetels.

Er was overigens niet alleen een verstarring in uitkomsten, maar spanning bleef ook steeds meer uit, omdat minder dan vroeger om duidelijke concrete geschilpunten werd gestreden.

Sinds de schoolstrijd in hoofdzaak was volstreden, sinds het algemeen kiesrecht en de acht-urendag waren verkregen, sinds de tegenstelling tussen vrijhandel en protectie grotendeels haar betekenis had verloren, kwam het bij de verkiezingen niet meer tot een klare uitspraak in welke richting werd gestuurd. Verkiezingsprograms werden opgesteld, volkomen ernstig doordacht en eerlijk bedoeld, maar waarbij ieder toch wist, dat het na de verkiezingen geen enkele partij gegeven zou zijn om haar program te verwezenlijken. Er kon geen parlementaire meerderheid meer worden gevormd. Een regeringsvorming, die inderdaad op een volksuitspraak berustte, was daardoor niet mogelijk. Er waren nog wel grote doeleinden, maar verwerkelijking kwam niet in uitzicht. Zo kon er die politieke onverschilligheid groeien, die zich van velen meester maakte.

Tenslotte werd vooral schrijnend gevoeld het feit, dat de crisis ons volk niet rijp vond voor een sluitend geheel van maatregelen, die bescherming boden tegen de bestaansonzekerheid. Toen brak de oorlog uit in een Nederland, waar zeer veel goede dingen waren, maar met onbevredigende poli-

[p. 125]

tieke verhoudingen, met een democratie, over welker krachtdadigheid en besluitvaardigheid steeds meer twijfel gerezen was. Bezetting en verzet zijn gekomen. Bezetting en verzet, waarin wij elkander hebben gevonden in de strijd tegen de overweldiger, in de strijd om ons hoogste goed, om onze nationale waarden en om de geestelijke vrijheid, die meer voor ons betekende dan enig materieel goed. In die strijd hebben in het Nederlandse volk verschillende groepen elkaar gevonden. Er groeide de wil om na de oorlog een andere staatkunde, een politiek van brede visie te voeren, tot het welzijn van het gehele Nederlandse volk. Daarbij werd ook versterkt de wil tot democratie en socialisme. Democratie niet enkel als zeggenschap van heel het volk, maar als de samenvatting van de gedachten van vrijheid, recht en menselijkheid, van de waarde der persoonlijkheid tegenover onderdrukking en dictatuur, en tegenover de vorming van een willoze massa. Socialisme, organisatorisch ongetwijfeld in zeer verschillende vormen gedacht, maar algemeen gezien als een ordening naar vast plan van het economische leven in tegenstelling tot de ongebonden concurrentie van het kapitalisme, en ook als het doorzetten van sociale rechtvaardigheid in alle arbeidsverhoudingen en maatschappelijke groeperingen, en in die zin dus ook als een erkenning van de waarde der persoonlijkheid. Het is voor velen een teleurstelling geweest, dat aanvankelijk de oude partijen herrezen. Maar heeft men wel eens in de kringen, die tevoren niet politiek georganiseerd waren, beseft, wat voor velen van ons onze partij betekende? Hoeveel daarin gegroeid was aan kameraadschap, welk een arbeid van scholing, van opvoeding, van staatkundige vorming daarin was tot stand gebracht? Ik ben overtuigd, dat het goed is geweest, dat men de gelegenheid heeft gehad eerst zichzelf in eigen rijen te bezinnen en dat niet door de besturen bij voorbaat is gedecreteerd, dat de partijen moesten verdwijnen.

Ik verheug mij, dat een versmelting tot stand is gekomen, niet alleen van partijen, maar ook met personen uit verschil-

[p. 126]

lende richtingen, ook van de jeugd, die zoveel offers heeft gebracht in de jaren van verzet en die aan de ervaring der ouderen toevoegt de frisse aanpak van wie jong en onbevangen tot de staatkunde komen. Zij komt in de politiek op een ogenblik, dat men de staatkunde meer dan ooit kan beseffen als een hoge plicht. De politiek werd zo dikwijls geringschattend beoordeeld, maar nu staan wij voor een periode, waarin waarlijk iets groots kan en moet worden verricht. Wij staan voor vrijwel onoverzienbare moeilijkheden. Niet alleen in letterlijke, maar ook in figuurlijke zin bevinden wij ons voor puinhopen en op verwoest land. Maar dit maakt ook de mogelijkheden groot. Wij zijn nu geroepen om met een nieuw plan voor ons volk en ons land te komen. Het is nu nodig en mogelijk om in dit verwoeste land plannen te maken om het schoner te doen herboren worden. Op dit beslissende moment staat nu ook de Partij van de Arbeid op. Een partij van een ander karakter dan de partijen, die er waren. Een partij, breed in haar maatschappelijke grondslag; breed in de verscheidenheid van geestelijke stromingen, die zij verenigt; breed in de visie, die zij heeft op het maatschappelijk gebeuren. Een partij, niet van te voren opgesloten in een vaste bedding. Een partij, die voor het eerst de mogelijkheid opent om de meerderheid van het Nederlandse volk te omvatten, die aan geen enkele kant zo afgegrensd zal zijn dat ze geen uitbreidingsmogelijkheden meer biedt. Wij zijn niet zo optimistisch, dat wij haar bij deze eerste verkiezingen een meerderheid voorspellen, maar wij zullen er ons best voor doen. Ik ben er van overtuigd, dat er grote mogelijkheden liggen, dat in tal van gevallen de uitbreidingsmogelijkheden veel groter zullen blijken dan zij aanvankelijk schenen. Wij gaan in ieder geval de verkiezingsstrijd in, met de wil de leiding gevende kracht in onze staatkunde te zijn. Het urgentieprogram van de Partij van de Arbeid heeft een andere betekenis dan die van een wensenlijstje, waarvan misschien wel het een en ander zal worden vervuld. Het is zodanig ontworpen, dat het mogelijk moet zijn,

[p. 127]

het in de komende parlementaire periode te verwerkelijken en wij zullen met volle kracht er voor strijden om van het Nederlandse volk het mandaat te ontvangen dat te doen. Wij zijn een merkwaardige partij, als wij bedenken, dat wij al dadelijk één derde van de volksvertegenwoordiging als onze afgevaardigden kunnen beschouwen, terwijl wij reeds zelfs de minister-president in ons midden hebben. De regering steunt natuurlijk niet op de Partij van de Arbeid. Zo is het niet gegroeid. Er zitten in het kabinet verscheidene ministers, die geen deel uitmaken van de Partij van de Arbeid, doch met wie wij voortreffelijk samenwerken. Het feit echter, dat de partij zeven van de ministers tot haar leden mag rekenen, die mede de verantwoordelijkheid op zich nemen voor wat in het program geformuleerd is, geeft ook aan dat urgentieprogram een ander karakter dan verkiezingsprograms onder andere omstandigheden hebben.

Wij zullen, hoop ik, een partij worden, vol van realisme en idealisme. Een werkelijkheidszin, die rekening houdt met het bereikbare, doch die beseft, dat in de werkelijkheid het ideaal ook meedoet. Anderzijds een idealisme, dat ver vooruitziet, maar daarom niet voorbijgaat aan wat vlak voor ons ligt. Het gaat om vèrstrekkende doeleinden. Wij staan nu op een punt, waarbij het niet alleen meer kan gaan om propaganda. Er zijn tijden geweest, dat het enkel propageren van een gedachte onmetelijke waarde kon hebben, ook al duurde het lang voor het tot enig resultaat kwam, maar wij staan thans voor beslissingen, die nù genomen moeten worden. Ik denk b.v. aan het probleem Indonesië, waarbij meer dan bij iets anders, brede visie en combinatie van reëel begrip en hoge idealen nodig zijn. Thans moet worden beslist door de Nederlandse regering en door het Nederlandse volk, welke verhouding tot Indonesië zij willen aanvaarden. Wij moeten ook nu beslissen, op welke manier wij in ons volksleven de moeilijkheden het hoofd moeten bieden. Wij staan voor een financiële toestand, die een mate van ingrijpen eist, zoals wij nooit hebben gekend. Wat

[p. 128]

de geldsanering betreft, durf ik zeggen, dat daarmee in Nederland, beter dan in enig ander land, een begin is gemaakt.

Wij moeten thans beslissen over de vraag welke leiding aan het economisch leven zal worden gegeven. Aanvaardt men het beginsel der geleide economie of wil men zo spoedig mogelijk terug tot de vrije concurrentie? Wij willen geleide economie teneinde bestaanszekerheid te waarborgen bij een stijgend bestaanspeil, maar niet als een systeem van ambtenarij en bureaucratie. Een van de argumenten, die in de verkiezingsstrijd tegen de regering zullen worden gebruikt, is de bureaucratie.

Er zijn nog vele misstanden, waarvan de bronnen te vinden zijn in de oorlogsverwarring en het nijpend tekort aan levensbehoeften. Wij leven nog in een schaarste-economie. Het regeringsplan is erop gericht om aan de schaarste zo spoedig mogelijk een einde te maken, opdat distributie en toewijzingen kunnen vervallen, maar men mene niet, dat het doen wegvallen van de levensmiddelendistributie voordat er genoeg is, voor de bevolking betere verhoudingen zou hebben opgeleverd.

 

Er moet komen een algemeen welvaartsplan, er zal moeten worden beslist over de organisatie van het bedrijfsleven. Veel willen wij weer voor een groot deel in handen geven van het bedrijfsleven zelf, maar wij moeten niet hebben alleen het organiseerd werkgeversbelang, noch het georganiseerd groepsbelang van werkgevers en werknemers, doch een evenwicht van werkgevers, werknemers en vertegenwoordigers van het algemeen belang. Daarachter liggen verdergaande gemeenschapsbemoeiingen. In de eerste plaats in verband met het credietwezen. De regering heeft zich uitgesproken voor het overbrengen in gemeenschapsbezit van de Nederlandse Bank. Ons program spreekt zich verder uit voor contrôle op het credietwezen. Het urgentieprogram spreekt van het in gemeenschapsbezit brengen van de mijnen.

Wij hebben ongetwijfeld in de partij niet allen dezelfde

[p. 129]

denkbeelden over de vraag hoe ver in de richting van socialisatie moet worden gegaan. Wij zijn het eens over de grondbeginselen van eerbieding van de vrijheid van de menselijke persoonlijkheid, over de plicht om een nationaal welvaartsplan te ontwikkelen en over de noodzaak van een bedrijfsorganisatie, die gericht is op het algemeen belang. Voor de komende vier jaren zijn wij het eens over de richtlijnen, waarlangs deze geleide economie moet worden gevoerd. Ook over socialisatie op concrete punten. Verder zullen wij allen erkennen, enerzijds dat het kleinbedrijf, als het gezond is en economisch doelmatig, niet moet worden aangetast, maar beschermd, ook als een stukje menselijke vrijheid, anderzijds dat de gemeenschap beslissende zeggenschap moet hebben op de centrale punten van het economische leven. Hoever men daartussen in moet gaan, daarover zullen wij nog wel van mening blijken te verschillen en wij zullen daarover ook van gedachten wisselen. Wie daarom samenwerking zou willen weigeren zou echter niet méér, maar minder bereiken.

Daar is verder het vraagstuk van de sociale zekerheid. Onder twee dingen vooral heeft een groot deel van de bevolking geleden: de bestaansonzekerheid door werkloosheid of, wat de kleine zelfstandigen betreft, door teruglopen van de omzet, en de onverzorgde oude dag. Het eerste zal moeten worden bestreden door te zorgen voor volle werkgelegenheid voor allen. Wij zullen verder een betere bestaansbasis moeten verschaffen aan diegenen, die tijdelijk, b.v. door ziekte, niet in staat zijn aan de productie deel te nemen. Wij zullen het invalidenen ouderdomszorg-probleem tot een oplossing moeten brengen. De combinatie oud-arm zal moeten verdwijnen. Het Nederlandse volk zal, wanneer de regering daartoe de weg wijst, bereid en in staat blijken offers te brengen teneinde dit te verwezenlijken.

Als deze dingen in het midden van de aandacht komen te staan, bij de een mede op grond van zijn christelijk geloof, bij de ander uit een gevoel van menselijke verbondenheid, dan

[p. 130]

zal hiervoor op het ogenblik in de massa van het volk een diep begrip worden gevonden.

Ook in het loonvraagstuk zijn wij reeds bezig te trachten een grotere sociale rechtvaardiging te verwerkelijken. Wij zijn overgegaan tot het vaststellen van nieuwe lonen, achtereen-volgens voor de verschillende bedrijfstakken. Daarbij wordt een rechtvaardiger en harmonischer loonsysteem opgebouwd. Het gemiddelde reële loon zal voorlopig onvermijdelijk lager komen te liggen dan voor de oorlog, omdat ons land sterk verarmd is, maar de grootste verhogingen zullen voorkomen bij diegenen, die er vroeger het slechtst aan toe waren, zoals de landarbeiders.

Ook in geestelijk opzicht bestaat er een gemeenschappelijke taak. Er is in ons volk na de oorlog aan de ene kant een dieper geestelijk en zedelijk besef gegroeid, maar aan de andere kant heerst er in brede kringen van ons volk een geestelijke en zedelijke verwarring, die ons met zorg vervult. Daarbij kan niet de staat allereerst leiding geven. De staat is, in een geestelijk zo gespleten volk, niet in de allereerste plaats geroepen om op zedelijk en geestelijk gebied richting te geven. Toch weten wij, dat ook hierin veel gemeenschappelijks ons verbindt. Het nazi-régime heeft ons daarvan sterker dan tevoren doordrongen. Bij verschil in levensbeschouwing kan er toch in menig opzicht zijn eenzelfde levenshouding. Wij erkennen de betekenis van de bronnen der Westerse cultuur. Met eerbiediging van het eigen recht der verschillende geestelijke stromingen kan van staatswege veel worden gedaan om onderwijs en cultuur te bevorderen.

Op ons rust de zware taak om te doen zien, wat de democratie op haar best is. De democratie is een prachtig beginsel en een schone levensvorm, maar haar levensvatbaarheid is niet duurzaam, als zij niet weet te werken en vertrouwen te wekken. Wij moeten alle krachten inspannen om te komen tot een vlot werkende, zuiver gerichte, besluitvaardige democratie. Wij gaan nog harde jaren tegemoet. Wij krijgen thans

[p. 131]

nog veel op crediet, dat later betaald zal moeten worden, en wij moeten zorgen, dat overal het besef doordringt, dat wij alleen door inspanning van alle krachten door deze jaren heen kunnen komen. Wij zijn Partij van de Arbeid, niet alleen omdat wij opkomen voor rechten van de arbeid en de arbeiders en omdat wij de arbeid centraal willen stellen tegenover het kapitaal, maar ook omdat wij de arbeid zien als een plicht en als het cement der samenleving. Wij doen daarom een beroep op alle werkers van hoofd en hand, van leiding en uitvoering, om in dit geschonden en beroofde Nederland, met terzijdestelling van kleine grieven en bezwaren, en ook wel van grote klachten, te beseffen, dat de plicht van ons allen tegenover het volksgeheel is: werken, werken, werken!

Wij willen niet ons volk begoochelen met de voorstelling, alsof het binnenkort in een luilekkerland zou kunnen arriveren. Wij weten dat er moeilijke jaren komen, doch wij weten ook, dat wij achter die plicht tot arbeiden, het perspectief kunnen bieden van een wederopbloeiend land, van een volk dat zijn gezondheid en kracht herwint en zich geestelijk herstelt en van een stijgende welvaart, van een rijker cultureel leven, in verscheidenheid en in eendracht.

Wij gaan een verkiezingsstrijd tegemoet, die wij zullen moeten, mogen en kunnen voeren op een hoge en waardige wijze om de doeleinden te verwezenlijken, die wij voor ogen hebben. Wij zijn daarbij een deel van wat zich afspeelt in een groot deel van Europa, waar het democratisch socialisme de hoop der bevolking is. Het moet een verkiezingsstrijd worden, die wordt gezien in het licht van een worsteling om de geest van ons volk, gevoerd met een élan en een overtuiging, zoals wij in Nederland, met hoeveel geestdrift er ook vroeger werd gestreden, in tientallen jaren bij een verkiezingsstrijd niet meer hebben gekend. Ik twijfel niet aan de mogelijkheden, die de nieuwe wegen ons zullen bieden en ik ben er van overtuigd, dat wij in dit werk tot een éénheid zullen versmelten. Ik zie de groepen en partijen, die samenkomen, als grotere en

[p. 132]

kleinere riviertjes, die zich verenigen tot één grote stroom. Als wateren samenkomen, die van wat verschillende kleur waren, omdat zij door verschillende grondsoorten hebben gestroomd, dan kan men in zo'n rivier nog een tijdlang verschillende schakeringen naast elkaar waarnemen. Dat verhindert niet, dat dan toch dadelijk het brede en diepe water, dat zo gevormd is, machtige schepen draagt, die op de zijtakken niet konden varen en dat water voor vruchtbaarheid brengende bevloeiingen veel ruimer beschikbaar is. Laat het zo zijn ook met de machtige stroom, die vandaag is gevormd.

Moge hij weldra breken door de vaak zo dorre velden der Nederlandse politiek, die doen groenen en tot vruchtbaarheid brengen, en moge hij bovendien naar de toekomst dragen schepen met een rijke lading, een lading van socialisme en democratie, van bestaanszekerheid en stijgende welvaart, van menselijkheid en recht, van geestelijke en zedelijke verheffing.

prepostterug  begin  verder