terug  begin  verderprepost
[p. 133]

Socialisme in de toekomst

Voor de V.A.R.A.-microfoon heeft Drees op 7 Januari 1947 een toespraak gehouden over de plaats in de toekomst van het democratisch socialisme. Ondanks het feit, dat bijna letterlijk bewaarheid was het woord van Guesde: zij zullen alles hebben verwoest voor het onze beurt is om te bouwen, sprak hij de hoop uit, dat de toekomst zal zijn aan een ontwikkeling in de richting van democratie en socialisme.

 

Waarde luisteraars!

Als wij onze gedachten willen richten op het socialisme in de toekomst, dan kan het verhelderend werken als wij beginnen met een terugblik op het kapitalisme in het verleden. Uit het kapitalisme en in tegenstelling met het kapitalisme is de socialistische beweging ontsprongen. En uit wat het verleden ons te zien heeft gegeven kunnen wij lering putten voor de toekomst.

Het is globaal gesproken een eeuw geleden, dat een socialistische beweging opkwam in de landen van Europa, waar de economische ontwikkeling het verst was voortgeschreden, ofschoon nog in onderling zeer verschillende mate. Het waren Engeland, Frankrijk en Duitsland. Socialistische denkbeelden waren al eeuwenlang nu en dan door denkers en schrijvers geuit, maar pas de industriële omwenteling, die in de 19e eeuw optrad, schiep de voorwaarden voor een massale socialistische beweging. De crisis, die ongeveer 100 jaar geleden Europa teisterde, gaf de stoot tot felle actie, waarin voor het eerst de opkomende arbeidersbeweging en de socialistische intellectuelen, die de mogelijkheden van gans nieuwe maatschappelijke vormen voor ogen hadden, elkaar vonden. Spoe-

[p. 134]

dig liep echter alles, naar het uiterlijk gezien, in het zand. De Chartistenbeweging in Engeland voerde een door socialistische leuzen gesteunde massa-actie voor algemeen kiesrecht. Het Franse socialisme groepeerde zich om het recht op arbeid, dat zijn verwezenlijking slechts zou kunnen vinden in een maatschappij op de grondslag van gemeenschappelijke regeling der productie. Van het Duitse socialisme werd door Marx en Engels in die jaren de theoretische grondslag gelegd. Alle drie echter zagen zich na hevige strijd en tijdelijke successen teruggeworpen. En toen op de crisis een economische opleving volgde, schenen deze spoedig te zijn verdwenen. Weerlegd kon schijnen de met zoveel bekwaamheid en hartstocht verdedigde overtuiging, dat de kapitalistische productiewijze op zichzelf onhoudbaar zou blijken. Dat het telkens weer de bron zou zijn van bestaansonzekerheid, van crisis en werkloosheid, en dat de tegenstelling tussen toenemende weelde aan de ene zijde en armoede aan de andere de massa's zou prikkelen tot een verzet tegen de grondslagen zelve der kapitalistische maatschappij.

Het kapitalisme, de productiewijze met vrije concurrentie, geleid uitsluitend door het winstmotief, en slechts langs de indirecte weg op behoeftevoorziening gericht, een productiewijze, die alle vroegere banden doorbrak, en de mens op zichzelf deed staan temidden van scherpe belangentegenstellingen, hervatte zijn zegeloop over de wereld. Het was de bloeitijd van theorie en practijk der oude liberale economie, die met geringschatting neerzag op de nu wel voor goed weerlegde socialistische utopieën. Een tijd brak aan van ruime ontplooiing der productie en van groeiende rijkdom, maar toch van groot leed voor de massa, slechts hier en daar door een begin van arbeidswetgeving beschut. Maar weer werd de periode van opgang doorbroken door een crisis. Weer ook verhief zich het socialisme krachtiger en over veel breder terrein dan tevoren, zich organiserend ditmaal in de eerste socialistische Internationale, die tegenover de economie van het kapitalisme stelde de econo-

[p. 135]

mische opvattingen van het socialisme, tegenover de gedachte van het verkrijgen van evenwicht door de telkens herhaalde schommelingen, waartoe de blindwerkende wet van vraag en aanbod leidt, die van planmatige voorziening.

Op dit alles zijn tientallen van jaren gevolgd van afwisselend economische bloei, van crisis en depressie, van vrede en van oorlog. Jaren, waarin de oude maatschappelijke verhoudingen onaantastbaar vast schenen en andere, waarin zij tot op hun grondvesten werden geschokt. Jaren, waarin de mensheid een blijvende vrede hoopte te verwerkelijken, en andere, waarin deze zich in wereldoorlogen verscheurde. Het waren jaren ook voor het socialisme, telkens weer van vallen en opstaan, maar door alles heen is het na elke val sterker herrezen, en heeft het zijn invloedssfeer in de wereld uitgebreid.

Het kapitalisme, vroeger door velen van zijn verdedigers onverenigbaar geacht met alle wettelijke banden in het arbeidsproces, is op allerlei manieren gebreideld. Arbeidsbescherming en sociale verzekering, die vroeger veelal als verderfelijk staatssocialisme werden bestreden, zijn, waar zij ook practisch nog te kort mochten schieten, in beginsel vrijwel algemeen aanvaard. Dat het kapitalisme een permanent gevaar voor crisis en depressie, en daardoor een grote bestaansonzekerheid in zich sluit, wordt nauwelijks meer bestreden. Dat naar een vast plan leiding moet worden gegeven aan de productie, wordt in brede kringen erkend. In tal van landen zijn juist in de laatste tijd ook belangrijke bedrijfstakken onder gemeenschapsbeheer gebracht. Het economisch-liberalisme in zijn oude vorm van verheerlijking der volledig vrije concurrentie heeft vrijwel afgedaan. Zijn oude tegenstander, het socialisme daarentegen, vindt over een steeds groter deel van de wereld ingang. Daaraan ontlenen wij ons vertrouwen in de toekomst, al ontveinzen wij ons niet, dat die toekomst vol is van dreigende gevaren.

Maar als wij ons bezinnen op het socialisme en de toekomst, dan geven wij er ons rekenschap van wat het socialisme voor

[p. 136]

ons betekent op ruimer gebied dan het economische en sociale terrein. Niet elk economisch en sociaal ingrijpen ook voert in de richting van het socialisme, zoals wij dat verstaan. In een 1 Mei-rede, die ik indertijd in een barak in Buchenwald heb gehouden, heb ik herinnerd aan een woord van een Oostenrijks econoom, die ongeveer in deze geest sprak: ‘Het kapitalisme van de oude stempel verdwijnt, en wij gaan een maatschappij tegemoet, waarvan het een kwestie van smaak en van terminologie zal wezen of men het nog kapitalisme of reeds socialisme zal willen noemen.’ Er zijn inderdaad zovele overgangen en zoveel tussenvormen van economische ordening, dat de grenzen vaak vervagen. Ook leiders van grote kapitalistische ondernemingen dringen wel eens naar bepaalde methoden van economische ordening, die een vaster vorm van de productie waarborgen, en daarmede tevens de winst veilig stellen. Het is zeer goed denkbaar, dat dergelijke maatregelen ook wat beschutting brengen aan de arbeiders, maar het zou begripsverwarring zijn deze daarom socialisme te noemen. Ook fascisme en nationaal-socialisme hebben sterk ingegrepen in de concurrentie, maar hun economische organisatie diende tot versterking van de eigen militaire macht, en tot de voorbereiding van de aanval op andere mogendheden. Het ging er niet om een vrijere, welvarender en gelukkiger mensheid te doen omhoog komen. Deze maakten aan de wil tot machtsoverheersing alle menselijke gevoelens en alle persoonlijke vrijheden ondergeschikt.

Wij hebben anderzijds de ontwikkeling gezien van het communisme, dat zonder twijfel aan andere motieven ontsprongen is, en dat economisch een zeer radicaal socialisme betekent, maar dat in zijn methoden en in zijn houding tegenover de geestelijke vrijheid van andersdenkenden gans anders is ingesteld dan het democratisch-socialisme.

Dit alles is reden te over om ons te scherper er rekenschap van te geven, dat het bij onze strijd voor het socialisme niet enkel gaat om vormen van economische organisatie, en om

[p. 137]

sociale verbetering, maar ook om de vraag welke doelstellingen moeten worden nagestreefd en welke houding wordt aangenomen tegenover de geestelijke vrijheid. Voor ons zijn socialisme en democratie onafscheidelijk verbonden, en dan denken wij bij democratie niet enkel aan wat het allereerst betekent: zeggenschap van heel het volk, maar aan heel de rijkdom van rechten en vrijheden, aan al die mogelijkheden van ontwikkeling der menselijke persoonlijkheid, die voor ons hoge, onvervangbare waarden zijn.

Dit alles is gegroeid, vooral in de cultuursfeer van Europa, het sterkst in West-Europa en de daarmede verwante gebieden. Het is dan ook niet te verwonderen, dat daar het democratisch-socialisme zijn sterkste voedingsbodem heeft gevonden, en op zijn beurt één van de krachtigste voorvechters is geworden van de eerbiediging der menselijke persoonlijkheid.

Aan ons democratische socialisten is daarmede een taak opgelegd van historische betekenis. Wij hebben te tonen dat in democratische landen langs de weg der vreedzame ontwikkeling, met vol behoud van de rechtsstaat en de geestelijke vrijheid, een maatschappij kan worden verwerkelijkt, die waarlijk een gemeenschap mag heten. Een maatschappij, die bestaanszekerheid en een redelijk welvaartspeil waarborgt aan allen, die de productie doelbewust, en naar een vast plan, richt op de voorziening in de volksbehoeften, en daarbij de sleutelbedrijven, die de beslissende machtsfactoren zijn in het economisch leven, onder beheer van de gemeenschap brengt zonder onnodige belemmeringen van de bewegingsvrijheid van die bedrijven, waar eigen initiatief vruchtdragend kan zijn en aan de ontwikkeling der persoonlijkheid bevorderlijk. Wij moeten trachten een lichtend en bezielend voorbeeld te geven, dat vertrouwen wekt, en tot naleving uitlokt.

Wij staan voor die taak onder verbijsterend moeilijke omstandigheden. Een Frans socialistisch voorman uit het verleden, Jules Guesde, heeft eens uitgeroepen: ‘Zij zullen alles hebben verwoest voor het onze beurt is om te bouwen’. Zijn

[p. 138]

woord is bijna letterlijk bewaarheid. Maar dat zal ons niet weerhouden de bouw met kracht en geestdrift op te nemen, nu het democratisch-socialisme tot mede-verantwoordelijkheid is geroepen juist in deze zware tijd, waarin reeds een behoud van de volkskracht, het herstel der welvaart en van goede financiën, ongekend hoge eisen stelt aan de bestuurskracht. Onze aandacht wordt dan ook allereerst opgeëist voor voorziening in de nood van het ogenblik, voor de wederopbouw, voor de voedselvoorziening, voor het vraagstuk van prijzen en lonen, voor de opvoering der productie en alles wat zich dagelijks aan moeilijkheden opdringt. Het oog moet echter gericht blijven op de toekomst en op grondige verandering van de maatschappelijke verhoudingen. Het gunstigst liggen uiteraard, van ons standpunt gezien, de mogelijkheden daar waar een socialistische regering de volle verantwoordelijkheid draagt en over een parlementaire meerderheid beschikt. Groot-Brittannië is daarvan het 't meest in het oog springende voorbeeld. Het Britse kabinet, voortgekomen uit de arbeiderspartij, ontwikkelt grote activiteit bij de uitvoering van haar program. Het heeft niet alleen het veelomvattend program van sociale zekerheid, dat reeds vroeger in opdracht van een coalitie-kabinet werd ontworpen, met grote snelheid in wettelijke maatregelen belichaamd, maar heeft voor een reeks van bedrijfstakken de socialisatie doorgezet. In deze dagen werd juist de overgang van alle steenkolenmijnen in één groot gemeenschapsbedrijf in alle mijnstreken feestelijk gevierd. Ook in de houding tegenover de vroegere koloniën toont het kabinet een principiële socialistische politiek te voeren.

In de meeste andere landen, waar socialisten van de regering deel uitmaken, zijn zij in samenwerking met of steun van andere partijen aanwezig, waarbij vaak een progressieve sociale, zij het niet volledige socialistische politiek, mogelijk blijkt.

Over het feit, dat ook in Nederland socialisten aan het bewind deelnamen en deelnemen, socialisten, zowel van de vroe-

[p. 139]

gere S.D.A.P., als uit de kringen, die zich tijdens de bezetting verenigden in een personalistisch-socialisme, dat met de S.D.A.P. samensmolt in de Partij van de Arbeid, behoef ik niet uit te weiden. Wel wil ik hier, ook met het oog op de toekomst, nog eens met nadruk gewagen van de betekenis, die de oprichting van de Partij van de Arbeid voor Nederland nog kan hebben. Zij heeft het waardevolle in het vroegere socialisme niet verworpen, maar er een element van betekenis aan toegevoegd en een beweging op breder grondslagen gevestigd. Zij heeft, al werd niet alles bereikt waarop gehoopt werd, de ban doorbroken, die velen deed menen, dat bij de socialisten alleen onkerkelijken en misschien vrijzinnig-godsdienstigen hun plaats zouden kunnen vinden. Zij heeft er toe geleid, dat voor het eerst in Nederland in één politieke partij, en in een partij met grote politieke idealen, mannen en vrouwen van bijna alle levensrichtingen vertegenwoordigd zijn. Zij is in ons land de vertegenwoordigster van het democratisch-socialisme, dat bouwt aan een betere toekomst voor het eigen volk, maar ook voor de mensheid als geheel. Uit een zelfde bron welt de drang naar meer bestaanszekerheid, hoger welvaartspeil voor de massa, groter gelijkheid en sociale rechtvaardigheid, en de wil om mede te werken aan vrede en samenwerking tussen de volkeren, de waarborg van een internationale rechtsorde, en de gelijkberechting van rassen en volkeren.

Nederland kan een bijdrage leveren tot het dienen van die doeleinden door zijn houding in Indonesië. De overeenkomst van Linggadjati is fel gecritiseerd. De critiek, die ieder in dit vrije land natuurlijk het recht heeft uit te oefenen, is echter dikwijls helaas ontaard in een verwringing van de betekenis en een verdachtmaken van de bedoelingen dergenen, die hiertoe hebben medegewerkt. De toekomst zal moeten uitwijzen of de uitkomst aan de zuiverheid der werkelijke bedoelingen zal beantwoorden. Dit mag echter nu reeds worden gezegd, dat de betekenis van de poging hoog uitstijgt boven de tekst der vastgestelde artikelen. Getracht is de grondslag te leggen

[p. 140]

voor een duurzaam samengaan van een Westers volk, dat eeuwenlang als overheersend ras leiding gaf, een leiding met goede en kwade kanten, maar waarvan nooit kon worden verwacht, dat zij blijvend zou worden aanvaard, en een Oosters ras, dat tot zelfstandigheid is ontwaakt. Oorlog en revolutie hebben een ontwikkeling verhaast, die thans met meer leed gepaard gaat dan nodig zou zijn geweest, als zij zich in rustiger tijden had voltrokken, maar die op zichzelf onvermijdelijk was. Mocht de poging slagen, dan zal daarmede iets van wereld-historische betekenis zijn bereikt. Gezien de betekenis, die het volkrijke Oost-Azië in de toekomst zal krijgen, zal het èn voor de Westerse beschaving, èn voor het Oosten zelf bovendien van niet hoog genoeg te schatten waarde zijn, dat in dit Oosten door het democratisch-socialisme gewekte gedachten en bewegingen tot ontplooiing komen. De brug daarvoor te slaan is één van de grote opgaven, waarvoor het socialisme zich heeft aan te gorden.

Want waarlijk breed hebben wij onze taak, èn in het heden, èn tegenover de toekomst te zien. De wereld schijnt verdeelder dan ooit, maar moet door alle tegenstellingen heen naar groter eenheid groeien. Eerste eis is het vestigen van een internationale rechtsorde, die insluit, dat ieder steeds bereid is een stuk eigen souvereiniteit prijs te geven ten gunste van het geheel, en ook om gezamenlijk te weerstaan wie weer tot agressie zou willen overgaan. Maar komt het werkelijk tot strijd, tot een strijd ditmaal met atoombommen, raket-vliegtuigen en wat er verder aan nieuwe gruwelwapens tot ontwikkeling wordt gebracht, dan staat het bestaan der menselijke beschaving zelf op het spel. Het gevaar daarvoor kan worden verhinderd door de sociale en economische samenwerking als voorwaarde te stellen voor gelijkheid en verheffing van de levensomstandigheden aller volkeren, en voor het afwenden van crisis-verhoudingen als wij voor de wereldoorlog hebben gekend.

Wij kunnen niet verwachten of verlangen, dat overal de ontwikkeling zich zal voltrekken, precies langs de lijnen, die

[p. 141]

wij als democratische socialisten het liefst zouden zien, en in de vorm, waaraan wij in West-Europa gewend zijn, maar wij mogen toch de hoop koesteren, dat de toekomst zal zijn aan een ontwikkeling in de richting van democratie en socialisme. De menselijke drang naar vrijheid staat er ons borg voor, dat vooral nu het onderling verkeer steeds moeilijker zal zijn af te sluiten, geen volkeren blijvend zullen berusten in verhoudingen, waarin zij aan anderen onderworpen zijn, of waarin hun geest aan banden wordt gelegd. En aan de andere kant, waar nog, zij het in getemperde vorm, kapitalistische verhoudingen heersen, zal de wassende tegenzin der arbeiders, en de drang ook van andere bevolkingsgroepen naar groter bestaanszekerheid, gepaard met het idealisme van wie verlangt naar een zuiverder gemeenschap, steeds verder stuwen in socialistische richting. Wij staan letterlijk en figuurlijk temidden van puinhopen, maar hier en elders wordt gewerkt, èn aan de directe wederopbouw èn aan nieuwe, grotere en schonere plannen voor mens en maatschappij. Moge het democratisch-socialisme zich daarbij zijn hoge idealen waardig tonen.

prepostterug  begin  verder