terug  begin  verderprepost
[p. 142]

Beginselen van 1848

Ter herdenking van de grondwetsherziening van 1848 heeft de minister-president in de Eerste Kamer op 3 November 1948 een rede uitgesproken.

 

Mijnheer de Voorzitter,

In Uw rede ter herdenking van de grondwetsherziening, die heden een eeuw geleden werd afgekondigd, is op treffende wijze in het licht gesteld hoe groot de betekenis van die herziening voor ons staatsbestel en voor ons volk is geweest en welk een ontwikkeling van onze constitutionele instellingen in de richting der democratie zij heeft mogelijk gemaakt.

Ik stel er prijs op mij namens de regering aan te sluiten bij Uw getuigenis omtrent de hoge waarde van de staatkundige hervormingen, die honderd jaar geleden werden tot stand gebracht.

1848 is in Europa een der meest bewogen jaren van de 19e eeuw geweest. De Februari-revolutie, die in Frankrijk het koningschap der Orléans ten val bracht, deed in tal van landen de smeulende politieke en sociale onrust hoog opvlammen. Wie zich verdiept in de geschiedenis van wat in Duitsland later wel ‘het dolle jaar’ werd genoemd, wordt getroffen als hij ziet hoe vrijwel alle problemen en tegenstellingen, die verder de Europese geschiedenis hebben beheerst, zich plotseling in verwarrende veelvormigheid aftekenden en hoe geworsteld werd om oplossingen, die toen grotendeels niet werden verkregen of weer verloren gingen om pas veel later, soms in bloedige oorlogen en omwentelingen, soms in geleidelijke ontwikkeling, geheel of gedeeltelijk te worden verwezenlijkt. Het nationaliteitsbeginsel trachtte zich door te zetten. Gestreefd

[p. 143]

werd naar de eenheid van Duitsland, van Italië, van Polen, naar de zelfstandigheid van Hongarije. Op de barricaden in Parijs, in Wenen, in Berlijn, werd gevochten voor de vrijheid van meningsuiting en voor een democratisch staatsbestel. Voor het eerst werd het geluid van het internationale socialisme gehoord.

Vergeleken bij de schokken, die menig groot land op zijn grondvesten deden trillen, was het gebeurde in Nederland, al was er ook hier deining, van beperkte aard. Ook toen gold de waarheid, die Henriëtte Roland Holst in onze tijd onder woorden bracht: ‘Geduchte schokken van ginds herhalen zich, als het lichte slingren van een kaan’.

Hier kwam een grondwetsherziening tot stand, waarvan men, uit een bepaald gezichtspunt bezien, zou kunnen zeggen, dat zij het de gegoede burgerij en de met haar verwante en gelijkdenkende intellectuelen mogelijk maakte een beslissende invloed te krijgen op het staatsbestuur. Ook U, Mijnheer de Voorzitter, hebt doen uitkomen hoe het kiesrecht verbonden werd aan het betalen van vrij hoge belastingen en hoe voor deze Kamer alleen de rijksten verkiesbaar waren.

Schimmel schreef in zijn Cantate bij de onthulling van Thorbecke's standbeeld:

 
Dat van Uw steden de gordelen bersten,
 
Handel- en raadzaal weerklinkt van Uw stem, -
 
Wat ook de laster of de ijverzucht knersten -
 
Dankt het aan hem.

Het is duidelijk dat hij, sprekende van ‘Uw stem’, zich richtte tot een deel slechts van het volk, maar in volstrekte onbevangenheid dat deel met het geheel vereenzelvigde.

Het was dezelfde geest, die heerste bij de viering van het 25-jarig jubileum der Grondwet van 1848, toen aan een feestmaaltijd 19 sprekers in alle toonaarden de lof zongen van de ontwikkeling, die zich in Nederland had voltrokken, maar van de massa der bevolking slechts de kinderen aan het woord

[p. 144]

kwamen, doordat speciaal 400 kinderen van wat men kalmweg noemde ‘de armenscholen’ samen gebracht waren om door hun gezang luister bij te zetten aan het feest.

Als men echter wat in 1848 in Nederland gebeurde voornamelijk onder dat licht zou bezien, zou daarmede een grote eenzijdigheid en onrechtvaardigheid worden begaan. Onder de omstandigheden van dat ogenblik vertegenwoordigde de grondwetsherziening, al riep zij niet het ganse volk tot staatkundige medewerking, een grote en beslissende stap vooruit. De veranderingen door U opgesomd, Mijnheer de Voorzitter, betekenden een fundamentele wijziging van ons staatsrecht en hebben, gepaard aan de gedachte van de geestelijke vrijheid, die daarbij tevens tot uiting kwam, een zegenrijke ontwikkeling van ons staats- en volksleven mogelijk gemaakt.

Het is de grootheid van Thorbecke geweest, dat hij, steunend op een studie en voorbereiding van jaren, maar met vaste hand het ogenblik grijpend, waarop plotseling nieuwe mogelijkheden zich openden, zo voortreffelijk en zo snel practische vorm wist te geven aan wat de tijd eiste. Meer echter nog spreekt het van zijn grootheid, dat hij, bij een sterk besef omtrent de verre strekking van hetgeen allereerst onder zijn invloed tot stand kwam, zich tevens bewust was van de begrensdheid der verwezenlijkte hervormingen.

U, Mijnheer de Voorzitter, hebt er aan herinnerd hoe Thorbecke er reeds vroeger op gewezen had, dat het algemeen stemrecht in de lijn der ontwikkeling lag en zijn trapsgewijze verwezenlijking tegemoet ging. Ik moge daaran toevoegen, dat hij in hetzelfde stuk het onbevredigende belichtte van een staatkundige zeggenschap, gebaseerd op fortuin in een maatschappij, waarin de arbeid slechts in zeer beperkte mate tot gegoedheid placht te leiden:

Persoonlijk standsvoorregt heet afgeschaft, opdat aan bekwaamheid en verdienste hare natuurlijke baan worde geopend; maar een op bezit van uitwendige goederen gegrond stelsel van voorregten komt in de plaats. Burgerstand be-

[p. 145]

teekent op nieuw een deel, eene klasse van het volk. Te midden eener maatschappij, op gemeen regt der leden gebouwd, wordt eene onoverklimbare grens tusschen bevoegden en onbevoegden gesticht. Wie vindt den toon, waarin deze dissonant zich oplost?

Al zijn inmiddels alle dissonanten in de maatschappij allerminst opgelost, op staatkundig gebied is deze dissonant verdwenen. Dat dat mogelijk is geweest danken wij mede aan de man, die reeds vroeg zo scherp zag, en aan de grondwetsherziening, die, welke beperkingen zij ook nog inhield, de ontplooiing niet verhinderde van de krachten, die naar verruiming streefden.

De grondwetsherziening van 1848 heeft de verhouding tussen vorst, ministers en volksvertegenwoordiging gevestigd op een toen nieuwe, thans gedurende een eeuw beproefde, grondslag, die de constitutionele monarchie tegen de zwaarste schokken bestand heeft doen zijn. Verdwenen zijn de al-oude dynastieën der Romanows, der Habsburgers, der Hohenzollerns, die in 1848 een heel of half absolutistisch régime hadden weten te handhaven of te herstellen. Verdwenen ook is het Bonapartistisch régime, dat zich in Frankrijk kort na de Februarirevolutie weer vestigde. Gehandhaafd daarentegen hebben zich de tot democratieën ontwikkelde constitutionele monarchieën van het Westen, in hun soepelheid schijnbaar wellicht zwakker, innerlijk evenwel sterker dan régimes van groter starheid. Ten aanzien van het Oranjehuis is juist dezer dagen opnieuw tot uiting gekomen hoe hecht onder de geldende verhoudingen de banden met het Nederlandse volk zijn. Overduidelijk is bevestigd wat Thorbecke schreef, dat het gevaar, hetwelk men van verandering vreest, soms juist in het nietveranderen ligt.

In de achter ons liggende eeuw is de Grondwet bij herhaling herzien maar de belangrijke beginselen van 1848 zijn gehandhaafd en zij hebben gebracht wat ervan werd verwacht. De openbare behandeling der publieke zaak heeft

[p. 146]

goede vrucht gedragen. Ook de werkzaamheid der gemeenten en provincies is tot ruime ontplooiing gekomen. Steeds groter gedeelten der bevolking zijn tot zelfbewustheid en tot politieke activiteit ontwaakt. De uitbreiding van het kiesrecht is daarmede parallel gegaan. In die eeuw heeft zich de emancipatie van het rooms-katholieke volksdeel voltrokken, zijn de kleine luiden, in het bijzonder ook uit de calvinistische kring, naar voren gekomen, en is de socialistische arbeidersbeweging opgekomen. De volheid van deze ontwikkeling is slechts mogelijk geweest door verder te gaan dan de Grondwet van 1848 deed, maar het was een verder gaan in dezelfde richting en op een weg, waarop hinderpalen waren weggenomen. Dat alles heeft zich voltrokken in de sfeer der geestelijke vrijheid, waarin onze staatsrechtelijke instellingen en heel ons staatkundig leven zich bewegen.

Het zal de taak van de thans levende generatie zijn deze vrijheid te handhaven en te beschermen, en tevens overtuigend te doen zien hoe de democratie als grondslag van een constitutionele monarchie een waarborg kan zijn voor een krachtig, besluitvaardig en sociaal rechtvaardig beleid. Het zal haar taak ook zijn nieuwe vormen te vinden voor nieuwe verhoudingen, waarbij ook de nauwere aaneensluiting met andere staten haar eisen zal stellen.

Ook 1948 zelf zal in komende tijden bekend staan als het jaar van een diep-ingrijpende grondwetsherziening. In deze tijd gaan grote schokken niet slechts door Europa maar door de wereld, en weer hangt daarmede samen ook wat in onze Grondwet werd gewijzigd. Ditmaal is het een herziening geweest, die beoogde de verhouding tussen Nederland en wat waren de Overzeese Gebiedsdelen van het Koninkrijk der Nederlanden tot Nederland op een andere grondslag te regelen, en voor die gebieden de weg te openen naar een eigen democratische ontwikkeling. Wij weten dat velen in ons land de gang van zaken, die tot die herziening geleid heeft en ook die herziening zelf met bezorgdheid hebben gezien. Niemand

[p. 147]

kan met zekerheid voorspellen wat werkelijkheid zal worden van hetgeen daarin als mogelijkheid is gegeven. Maar voor- en tegenstanders zullen met mij instemmen wanneer ik bij deze herdenking van 1848 de hoop uitspreek, dat wat in 1948 uit strijd en nood geboren is, tenslotte voor de volkeren, die er bij betrokken zijn, een ontwikkeling moge inleiden, even vruchtbaar en zegenrijk als die zich na de herziening van 1848 in Nederland heeft voltrokken.

prepostterug  begin  verder