terug  begin  verderprepost
[p. 148]

Bevrijdingsdag

Aan de vooravond van de bevrijding op 4 Mei 1949 heeft Drees in de Ridderzaal te Den Haag een rede gehouden ter herdenking van de Nederlandse strijd tegen de bezetter. Hij deed een beroep op het Nederlandse volk om de eendracht te handhaven, waardoor het zich de mannen en vrouwen waardig zou tonen, die temidden van oorlog en bezetting vasthielden aan hoge idealen.

 

Morgen vieren wij de bevrijding. Vandaag, al zijn onze gedachten reeds mede vervuld van de herinnering aan wat het betekende, toen ons zwaar geteisterd volk eindelijk de verlossing zag dagen, vandaag gedenken wij allereerst de druk en het leed, die daaraan voorafgingen, en bovenal diegenen, die streden en stierven opdat recht en vrijheid zouden zegevieren.

De tweede wereldoorlog was in elke zin van het woord een totale oorlog. Totaal in de zin, dat van vele volken alle krachten werden ingezet, dat burgers vaak niet minder dan militairen onder het oorlogsgeweld leden; totaal ook in zijn wereldomspannende uitbreiding. In alle werelddelen, op alle oceanen, alom ook in de lucht, heeft de worsteling gewoed. Over heel de wereld hebben ook Nederlanders hun offers gebracht in de strijd voor vaderland en vrijheid. En binnen het kleine bestek van ons eigen land zijn mannen van vele naties gevallen. In onze vaderlandse grond rusten, naast Nederlandse jongemannen, de gevallenen van het Franse leger, dat bij de eerste tijding van de Duitse overval, België en Nederland zo snel te hulp kwam, maar zich helaas spoedig met afsnijding bedreigd zag; rusten Amerikanen, Canadezen, Engelsen,

[p. 149]

Polen, die samen streden en samen vielen in de maanden, die nodig waren om de bevrijding van Nederland te voltooien. Rust ook zo menig piloot, die neerstortte op een van de tochten, die de kracht van het Duitse Rijk hielpen breken. Rusten Russen, die als krijgsgevangenen in Duitse dienst waren geprest, maar een opstand waagden toen de kans zich bood. Rusten ook Belgen, door de Duitsers op onze bodem in een concentratiekamp omgebracht.

Zo omvatten wij in onze dankende herinnering allen, die vielen in de worsteling, die de vrijheid bracht.

Wij weten, dat de Nederlandse militaire strijd en het Nederlandse verzet alleen uitzicht boden, gezien tegen de achtergrond van deze machtige hulp. Het is echter een bron van diepe, zij het met weemoed gemengde voldoening, dat het Nederlandse volk niet enkel anderen voor zich heeft laten strijden, maar dat talloos velen hun leven hebben ingezet om hun land te dienen en menselijkheid en recht te verdedigen.

Reeds tijdens de Mei-dagen van 1940 zijn er naast zwakheden en fouten voorbeelden geweest van weergaloze moed en volharding tot het uiterste. Onze marine, onze koopvaardij, mannen van onze bescheiden luchtmacht hebben alle oorlogsjaren door zowel tegen Duitsland en Italië, als tegen Japan de geallieerden waardevolle hulp verleend. En in de donkere tijd der bezetting was de strijd van de mannen en vrouwen van het verzet in ons land een vuurbaak van moed. Wie toen heeft gezien hoe in het bijzonder het beste deel van onze jeugd alles waagde in de strijd voor de goede zaak, ontleent mede daaraan vertrouwen in de toekomst van ons volk.

Zwaar zijn de verliezen, die Nederland geleden heeft. Meer dan 200.000 Nederlanders zijn als gevolg van de Duitse bezetting omgekomen. Groot zijn daarnaast de verliezen geweest onder de Nederlanders in Indonesië als gevolg van het lijden in de Japanse kampen. De Joodse bevolkingsgroep in ons land is grotendeels uitgemoord. Talrijk waren daarnaast degenen, die het slachtoffer werden van wat zij deden om Joden of an-

[p. 150]

dere onderduikers te helpen. Er zijn weinig landen, waar het verzet voor een zo groot deel zijn oorsprong te danken heeft gehad aan dit pogen.

De geslagen wonden zijn niet geheeld. Ik spreek daarbij nog niet van de materiële verwoestingen, die nog niet konden worden hersteld. Ik denk aan wie invalide werden in de strijd, en aan de helden van het verzet, die ziek of geknakt uit de concentratiekampen zijn teruggekeerd en hun leven lang de merktekenen van het lijden in lichaam of geest zullen mededragen. Ik denk vooral ook aan de velen, die verloren wie hun het liefst waren. Nog na tientallen van jaren zullen er velen zijn voor wie nooit de leegte gevuld is, die een dergelijk verlies gelaten heeft. Menigeen is blijvend in zijn levensgeluk getroffen. Het is de mens niet gegeven daarbij te troosten. Maar laten wij heden nog eens zeggen tot wie met brandend verdriet naar een open plaats staren, dat welke ook na de bevrijding de teleurstellingen zijn geweest, de offers niet vergeefs zijn gebracht. Het is niet de vraag wat elke afzonderlijke daad voor onmiddellijk resultaat heeft gehad, en of dat resultaat opweegt tegen gevaar en leed. Door deze moedige strijd tegen overmachtige heersers, die allen in vrees voor zich dachten te doen bukken, is de eer van ons volk hooggehouden, hebben wij ons recht op de vrijheid verzekerd en ons aandeel geleverd in de grote worsteling waarin alles op het spel stond.

Deze strijd heeft ook het vertrouwen in vrijheid en democratie versterkt, al heeft de strijd niet alleen tussen dictatuur en democratie gelopen. Democratische volkeren zijn niet militair, zijn zeker niet agressief aangelegd. Zelfs in de verdediging staan zij in het begin vaak achter bij autoritair geleide staten. In de hoogste nood blijken echter ook democratieën tot elk offer bereid en tot de krachtigste weerstand in staat. Het begrip democratie heeft in de loop der laatste jaren, niet alleen tijdens de oorlog maar ook reeds daarvoor, een bredere betekenis gekregen, en wij hebben er een andere waarde aan leren toekennen dan vroeger bij dit woord in onze gedachten

[p. 151]

leefde. In de tijd van het beperkte kiesrecht stonden bij de strijd voor de democratie voorop de uitbreiding van de volksinvloed, het verkrijgen van staatkundige zeggenschap voor allen. De overige volksvrijheden, het recht van vrije meningsuiting, de vrijheid van vereniging en vergadering en bovenal de rechtstaat, waarin de wet, niet de willekeur heerst, waren daarbij als vanzelfsprekend voorondersteld. Zij waren voor ons zo natuurlijk als de lucht, waarin wij ademen, maar waaraan wij niet denken zo lang er niet een tekort ontstaat, dat ons dreigt te doen stikken.

Nu vele millioenen, die aan vrijheid gewend waren, hebben moeten leven in een atmosfeer van onvrijheid, van geestelijke dwang, van rechteloosheid, van volstrekt onderworpen zijn aan de wil van anderen, nu hebben zij er zich rekenschap van kunnen geven wat de waarde is, ook onder nog onbevredigende maatschappelijke omstandigheden, van rechtsverhoudingen en vrijheden als in de democratie gelden.

Wat onder de dictatuur, die wij hebben leren kennen, het ernstigste was, was nog, niet eens, dat men niet mocht zeggen en schrijven wat men wilde. Het afschuwelijkste was, dat getracht werd de geest geweld aan te doen door mensen te dwingen om te zeggen en te schrijven wat zij niet meenden. Deze poging om tot huichelarij te pressen was het allerverachtelijkst, en ik gevoel mij hier gedrongen te getuigen tegen de opvatting, die in de laatste tijd hier en daar veld heeft gewonnen en zelfs een zekere sanctie heeft gekregen, alsof het verdedigbaar zou zijn, ja toe te juichen, dat men in de jaren der bezetting b.v. om maar een krant te kunnen blijven uitgeven zich schikte en schreef wat de overweldiger welgevallig was, als men maar nu en dan trachtte de ernstigste excessen te vermijden. Ik heb geen behoefte aan scherpslijperij ten opzichte van zwakheden tijdens de bezetting begaan. Laten wij echter blijven beseffen, ook terwille van de toekomst, dat de eerste eis, die wij moeten stellen aan wie in een of andere vorm geroepen zijn geestelijke leiding aan ons volk te geven, deze is,

[p. 152]

dat zij eigen ziel en geest zuiver houden, en als het om geestelijke waarden gaat liever breken dan buigen.

Verwant aan de vraag, die ik hierbij aanraakte, is deze andere hoe de houding moet zijn tegen wie tijdens de bezetting zich stelden aan de verkeerde kant. Ik heb van het begin af begrepen, dat de grote meerderheid van degenen, die faalden, weer in het normale maatschappelijke leven zouden moeten worden opgenomen, en het verheugt mij, dat er onder de beste verzetsstrijders zijn, die hun krachten eraan geven om dat mogelijk te helpen maken. Maar alweer, laten wij er ons voor hoeden achteloos te worden tegenover degenen die toen verleiding en bedreiging groot waren, aan beide weerstand wisten te bieden en de grootste offers hebben gebracht voor ons land.

Het einde van de oorlog tegen de Asmogendheden heeft Nederland en menig ander land de vrijheid en de onafhankelijkheid doen herwinnen, en wij zijn ons van de ontzaglijke waarde daarvan bewust. Hij heeft helaas niet de vrede in de wereld gebracht. De nasleep van de oorlog heeft zich overal doen gevoelen. In het bijzonder in Indonesië, waar wij gehoopt hadden, als Japan overwonnen was, tezamen met vertegenwoordigers der Indonesische volken een nieuwe verhouding van samenwerking in vrijheid te kunnen vestigen. Ons doel is hetzelfde gebleken, maar nog is de weg daartoe niet begaanbaar gebleken. Meningsverschillen over de wijze waarop moest gehandeld worden hebben meer dan iets anders ertoe bijgedragen, dat er in ons volk groter verdeeldheid is opgetreden dan tijdens de gezamenlijke strijd tegen de Duitse overweldigers kon worden verwacht. Moge het streven om ondanks alles een oplossing te vinden, die vrijheid en zelfstandigheid verzekert, en tevens rechtszekerheid waarborgt, bekroond worden met resultaten, die voor Indonesië en Nederland beide zegenrijk zullen zijn.

De ellende, die van de tweede wereldoorlog het gevolg is geweest, heeft duidelijker dan ooit doen zien hoe organisatie van de vrede de hoogste en dringendste taak der mensheid is.

[p. 153]

De wereld is bezig één te worden, maar helaas voor het ogenblik slechts in zoverre alle moeilijkheden en problemen verstrengeld zijn en daardoor des te bezwaarlijker te ontwarren. Reeds tweemaal heeft de mensheid gehandeld als Alexander de Grote en met het zwaard doorgehakt wat niet te ontknopen scheen. Het gaat echter om andere moeilijkheden dan bij de Gordiaanse knoop en voor de tweede maal staat de wereld voor de taak weer samen te binden en daarbij orde te brengen in de verwarring. Vooralsnog ziet het er niet naar uit, dat zij daarin slaagt. Als klein land kunnen wij daarop geen beslissende invloed uitoefenen. Wel kunnen wij onze bijdrage leveren tot zo nauw mogelijke samenwerking, allereerst van de volkeren, met wie die samenwerking reeds thans te verkrijgen is. Zij moet gericht zijn op herstel en verhoging van het levenspeil der volkeren, op het waarborgen van de vrede door maatregelen in het belang van de collectieve veiligheid en op het behoud van de grote geestelijke waarden, die wij hebben te beschermen.

Als wij daarvoor alle krachten inzetten, ons daarbij allereerst in eigen land ten volle geven, en weten te handelen met de eendracht, die geenszins de natuurlijke verscheidenheid der vrijheid uitsluit, dan zal ons volk zich de mannen en vrouwen waardig tonen, die temidden van oorlog en bezetting vasthielden aan hoge idealen.

prepostterug  begin  verder