Ter gelegenheid van de ‘Holland-Woche’, die in het voorjaar van 1950 door Radio-Bremen werd georganiseerd, heeft Drees voor die zender gesproken over een vrij en democratisch Duitsland in een vrij en samenwerkend Europa.
Dat Radio Bremen een ‘Holland-Woche organisiert im Rahmen der Pflege des Europäischen Gedankens’ is een initiatief, dat in Nederland weerklank vindt.
Wij zijn er ons van bewust hoezeer Europa in het belang van zijn bevolking, maar ook terwille van de verhoudingen in de wereld, behoefte heeft aan groter eenheid. Samenwerking moet worden verkregen tussen volkeren, die nog weinige jaren geleden in de uiterste verbittering tegenover elkaar hebben gestaan. Twee wereldoorlogen in een kwart eeuw, waartussen nog een met oorlogsgevolgen samenhangende economische crisis lag, hebben een groot deel van Europa gemaakt tot een schaduw van wat het vroeger geweest is. Europa, dat eens andere werelddelen ontdekte en exploreerde, dat het eerst het wereldbeeld tot klaarheid bracht, dat technisch, organisatorisch en cultureel voorging, heeft zichzelf zo verscheurd en verzwakt, dat het achterop is gekomen en van hulp van anderen afhankelijk is geworden.
De gedachte komt bij mij op aan de tragische ontwikkeling, die in de oudheid de geschiedenis van Griekenland nam door de eeuwige strijd van de kleine stad-staten om de hegemonie. Ook Griekenland, dat in de gezamenlijke strijd voor de vrijheid het machtige Perzische Rijk had weten te weerstaan, en dat een ongeëvenaard hoogtepunt van cultuur bereikte, ver-
zwakte zichzelf in onderlinge strijd totdat tenslotte zijn macht en zijn cultuur beide ten gronde gingen en de eens op hun vrijheid trotse Grieken aan anderen onderworpen werden. Hun ondergang was een verlies, niet enkel voor henzelf maar voor de mensheid.
Zo zou het ook zijn, indien Europa niet zijn kracht en zijn zelfbewustzijn herwon. Wij konden niet verwachten en mogen niet verlangen, dat het permanent zou heersen over verre gebieden, die hun recht op een eigen ontwikkeling in toenemende mate doen gelden, al sticht het gewelddadig versnelde tempo van de ontwikkeling, dat door de beide wereldoorlogen is ingetreden, ook schade aan beide zijden. Maar wel is het ons recht en onze plicht om te waken voor de zelfhand-having van Europa, dat met zijn oude, maar voortdurend zo krachtig vernieuwde cultuur ook voor de wereld nog veel kan betekenen.
Die zelfhandhaving is onder de tegenwoordige wereldverhoudingen niet meer mogelijk voor een versnipperd en gespleten Europa. Ook niet voor een Europa, tot eenheid gebracht onder een dictatuur, die de geestelijke vrijheid en het eigen nationaal karakter der volkeren aantast. Groeien moet een Europa met vrije, maar nauw samenwerkende volkeren. Een Europa, waarin de talloze barrières, die het onderling verkeer tussen de Europese staten tot nog toe belemmerden, geleidelijk worden geslecht, en waarin de grenzen cultuureenheden omsluiten, maar minder dan te voren volkeren van elkaar afsluiten. Een Europa, waarin de basis-industrieën, de zeehavens, de belangrijke rivieren en kanalen, de spoorwegnetten als één geheel worden gezien, en waarin het makkelijker wordt arbeid en productiemiddelen in te zetten waar zij het meest nodig zijn. Een Europa kortom, dat zonder vijandschap tegenover andere werelddelen en zonder zich af te sluiten voor overzeese verbindingen, steeds meer tot een eenheid groeit, waarin de staten gezamenlijk de daartoe nodige organen scheppen.
Helaas kunnen wij voorlopig niet verwachten, dat dit mogelijk zal zijn voor ons hele werelddeel. Het kan echter reeds veel waard zijn, indien om te beginnen West-Europa gezond wordt, sterk, eendrachtig en welvarend.
De scheidingslijn tussen Oost en West loopt dwars door Duitsland, dat dus niet meer als een eenheid kan handelen. Moet dit voor het ogenblik als feit aanvaard worden, dan gaat het om de verhouding van West-Duitsland tot West-Europa. In Nederland leeft sterk het besef, dat in beider belang een nauwe samenwerking geboden is.
Ik zou onwaarachtig zijn, als ik zwijgend voorbijging aan het feit, dat de herinnering aan oorlog en bezetting, aan het nationaal-socialistisch régime, aan de talloze landgenoten, die het leven lieten als slachtoffers van hun afkomst of van hun weigering zich te laten gelijkschakelen, nog diepe littekens laat in de Nederlandse gevoelens. Ge zult begrijpen welke persoonlijke herinneringen bij bij opkwamen toen ik zag, dat in het kader van deze Holland-week over literatuur straks tot U zal spreken Dr. Ritter, met wie ik in één barak samen was in Buchenwald, en met wie ik, toen wij daarheen werden gebracht, van Duitsland de gevangenis van Essen en het tuchthuis in Kassel heb leren kennen. Wij hebben in Buchenwald echter ook vele Duitsers ontmoet, evenals wij opgesloten om hun overtuiging, en wij zijn ons door alles heen ervan bewust gebleven, dat Duitsland een essentieel deel is van Europa, en dat in het bijzonder de samenhang tussen Nederland en Duitsland, naar ligging en geschiedenis, uitermate nauw is. De welvaartsmogelijkheden voor Nederland zijn sterk verbonden met de ontwikkeling van Duitsland. Er is grote verwantschap vooral tussen de Nederlandse en de neder-Duitse cultuur, evenzeer als tussen de Nederlandse havensteden en Bremen, dat zo lang tot de vrije Hanzesteden heeft behoord, en dat evenals Nederland de blik niet enkel op het vasteland, maar ook op de zee heeft gericht. De Noordduitse en de Neder-
landse havensteden zijn onvermijdelijk concurrenten maar kunnen ook juist daardoor begrip hebben voor de noodzakelijkheid van samenwerking en taakverdeling.
Moge een vrij en democratisch Duitsland zijn plaats gaan innemen binnen een in vrijheid samenwerkend Europa!