Over de taak van de jongeren van ‘rond de twintig jaren’ heeft Drees op 7 October 1950 voor de V.A.R.A. een radiotoespraak gehouden ter beantwoording van de vraag wat hij van deze generatie verwacht.
Beste vrienden,
Jullie vraagt mij aan de ‘Jongeren van rond de 20 jaar’ in het kort te zeggen wat ik van deze generatie verwacht.
Ik zou mij kunnen voorstellen, dat sommigen neiging hebben de vraag om te draaien en te zeggen: ‘Wat kunnen wij van deze maatschappij, wat kunnen wij onder de tegenwoordige omstandigheden van het leven verwachten?’
Er is tot een dergelijke vraag alle reden in deze wereld vol spanningen, tegenstellingen en onzekerheid. Toch zou ik willen waarschuwen tegen de neiging de zaak zo te bezien alsof jullie onder een ongelukkig gesternte en in een onzalige tijd geboren bent. Het is een tijd vol verwarring en vol gevaren, maar ook met wijde perspectieven, en jullie groeit op onder omstandigheden, waarvan, in vergelijking met vroeger, ook veel goeds is te zeggen. Er is geen enkele reden, waarom jullie niet van je jonge leven zoudt kunnen genieten. In deze tijd valt ook bovendien een grote taak te vervullen.
Voor de oorlog leefden wij, achteraf bezien, in een betrekkelijk nog welvarende wereld, al was de welvaart schrijnend ongelijk verdeeld. Nu leven wij in een verarmde wereld en een verarmd land. Maar toen kon de jeugd, als zij het maatschappelijk leven intrad, vrezen geen kans te zullen krijgen op arbeid. Niet alleen menig volwassene maar ook menig jongere stond voor de beangstigende vraag: ‘Waar is werk voor mij,
welk uitzicht is er?’ Nu kan een jeugdige nog wel eens een tijd zonder werk zijn maar in het algemeen is er een ruime arbeidsgelegenheid.
Daarbij tekent zich dan tevens duidelijk af hoe belangrijk het werk is, niet enkel omdat men het zelf nodig heeft om te kunnen bestaan, maar omdat het zo nodig is voor ons volk. Nog roepen herstel en wederopbouw om het werk van jullie handen en jullie geest. En voor de toekomst rust mede op jullie schouders de taak de levensmogelijkheden van ons volk te helpen verruimen.
De moeilijkheden zijn juist de laatste tijd weer sterk vergroot door de toespitsing van de internationale tegenstellingen, die hun terugslag hebben ook op ons economische en sociale leven, maar met des te meer vastbeslotenheid moeten wij die moeilijkheden aanpakken.
Daarbij komt het niet alleen aan op materiële hulpmiddelen, maar ook op een vaste wil en op geestelijke en zedelijke kracht.
Als wij daaraan denken zien wij in het bijzonder naar de jeugd. Laat ik, om misverstand te voorkomen, vooropstellen, dat ik helemaal niet bedoel, dat de jeugd enkel maar zou moeten denken aan het vervullen van een taak terwille van het algemeen welzijn. Het is heel normaal en heel logisch, dat jonge mensen allereerst hun eigen leven opbouwen en dat zij ook genieten van wat de jeugd kan geven aan onbekommerde levensvreugd. Maar men kan het ene doen zonder het andere te laten en jonge mensen zijn dikwijls meer dan ouderen vatbaar voor idealisme, voor onbaatzuchtigheid en bereid tot geestdriftig aanpakken. Zij kunnen vreugde vinden ook in het medebouwen aan de toekomst, een toekomst, waarin wij willen komen tot zuiverder maatschappelijke verhoudingen, een schonere en rechtvaardigere samenleving.
De jongeren kunnen veel doen om ons land weer omhoog te werken. Het is maar een klein land maar het heeft grote dingen gedaan. Het is één van de eerste landen waar een
ruime vrijheid verworven werd. Het is door zijn ligging verbonden met het vasteland van Europa, waarvan het de monding van grote rivieren omvat, evenzeer als met de zee, die tegenover de kleinheid van veel Nederlandse verhoudingen toch een wereldwijde visie doet ontstaan. Zijn handelsvloot vertoont zich met ere op alle zeeën. Op het gebied van wetenschap en kunst heeft ons volk grote figuren aan de wereld geschonken. Nederland heeft belangrijk bijgedragen tot de ontwikkeling van het internationale recht. Onze landbouw en onze industrie hebben een goede reputatie. Tijdens de bezetting heeft het beste deel van ons volk, vooral ook van onze jongeren, de eer van ons land hooggehouden in de strijd voor de vrijheid. Daarna is de wederopbouw met kracht aangepakt.
Het is aan de jonge generatie om dit alles voort te zetten en Nederland ook in de toekomst een eervolle plaats te doen innemen in de rij der volkeren.
Voor socialisten spreekt het vanzelf, dat dat niet moet gebeuren binnen een beperkt nationalisme, maar om des te beter bij te dragen tot een rijke, ruime, vreedzame ontplooiing van de verenigde volkeren, tot de gezamenlijke bescherming ook van vrijheid, recht en menselijkheid.
Een van de moeilijkheden, waarvoor jullie komen te staan, is, dat alles veel ingewikkelder en onzekerder is geworden dan het in vroeger jaren was of scheen. Er staat echter veel tegenover. De levensomstandigheden, vooral van de arbeidende jeugd, zijn in de loop der jaren toch in vele opzichten sterk vooruitgegaan. Dit is verkregen door een strijd, met veel opofferingen gevoerd door een oudere generatie. Besef wel wat b.v. alleen al de verkorting van de arbeidstijd betekent in jullie leven en voor jullie ontwikkelingskansen. Op technisch gebied zijn wonderen verwezenlijkt, die veel gevaren in zich sluiten, maar ook onbegrensde mogelijkheden openen. De jonge generatie zal haar kracht hebben in te zetten om deze dienstbaar te maken aan het geluk der mensheid, aan welvaart en samenwerking.
Wat mogen wij verwachten van de jongeren, die nu om de twintig zijn?
Wel, wij moeten er natuurlijk in de eerste plaats mee rekenen, dat zij even verschillend in aard en belangstelling zullen blijken te zijn als de ouderen, even verschillend ook in wat zij kunnen en willen doen. Maar van socialistische jongeren mogen wij hopen, dat zij het leven met moed en bewustheid zullen aanvaarden. Dat zij de fakkel zullen overnemen, die ouderen hebben ontstoken en hem verder zullen dragen op de steile en moeilijke, maar niet onbegaanbare weg, die voert naar een maatschappij, die waarlijk een gemeenschap mag heten. Een maatschappij met economische orde, sociale rechtvaardigheid en geestelijke vrijheid.
Ik ben er zeker van, dat ieder van de jongeren, als hij of zij wil, alle gelegenheid zal vinden om naar de aard en mate van zijn gaven zich in te zetten voor de strijd van deze grote doeleinden.