Na de Grondwet van 1848 is de Gemeentewet van 1851 voor de ontwikkeling der democratie in ons land van bijzondere betekenis geweest. Voor de Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft dr Drees bij de herdenking van het honderdjarig bestaan dier wet een rede gehouden, die hier geheel volgt.
Toen Thorbecke in Mei 1851 in de Tweede Kamer het ontwerp verdedigde van de Gemeentewet, waarvan thans het eeuwfeest wordt gevierd, getuigde hij, dat het voor hem een heugelijk ogenblik was. Hij voegde daaraan toe:
Nauwlijks is er een deel van ons publiek recht, dat mijne belangstelling, denkende en doende, sedert jaren, zóo sterk heeft getrokken. Ik ben overtuigd dat de herziene Grondwet geen gewichtiger onderwerp kent dan dat dezer wet; ik ben overtuigd, dat er nauwlijks een grooter weldaad aan de natie kan bewezen worden, dan door hetgeen deze wet tracht te bereiken.
Dit waren wel zeer merkwaardige woorden in de mond van een staatsman, die niet gewoon was zich aan sterke uitdrukkingen te buiten te gaan, en die de stoot had gegeven tot een diepgaande wijziging van heel ons staatsbestel, belichaamd in een pas tot stand gekomen grondwetsherziening. Hem is het meer dan enig ander Nederlands staatsman gegeven geweest om wat hij in woord en geschrift heeft bepleit, in korte tijd in de wetgeving tot werkelijkheid te maken.
Dat hij in het geheel van de nieuw getroffen regelingen zo bijzondere waarde hechtte aan de mogelijkheden, die de Gemeentewet ging openen voor de plaatselijke besturen en voor
de ontwikkeling der gemeenten, is een bewijs hoe belangrijk hij het gemeentelijk leven achtte.
De wet zelf getuigde opnieuw van zijn vormgevend vermogen. Hij wist in deze wet vastheid van grondregelen op zo gelukkige wijze te verbinden met ruimte en soepelheid in de uitwerking, dat het algemene kader ondanks velerlei wijzigingen nu reeds een eeuwlang kon worden gehandhaafd. Binnen dit kader is een ongekende ontplooiing van de gemeentelijke werkzaamheden mogelijk gebleken, evenzeer als een uitbreiding van de aanvankelijk tot een betrekkelijk kleine groep beperkte zeggenschap over heel de bevolking.
De openbaarheid van behandeling der publieke zaak, de grote mate van zelfstandigheid aan de gemeenten gegeven, het feit vooral dat niet, zoals wij dat in andere landen wel kennen, de gemeentelijke taak eng omschreven is en toestemming van hoger gezag van de wetgever moet worden verkregen om nieuwe taken op zich te nemen, dat alles heeft een zegenrijke invloed gehad op de activiteit der gemeentelijke organen en op het medeleven der bevolking en is ten goede gekomen aan een doeltreffende behartiging van het algemeen welzijn.
Ik heb het voorrecht gehad zelf lange tijd deel te nemen aan het bestuur van een grote gemeente. Als ik zeg ‘een voorrecht’, dan is dat niet een achteloos uitgesproken woord. Ik heb het werkelijk zo gevoeld. Het medebesturen van een gemeente, vooral van een krachtig levende, zich ontwikkelende gemeente schijnt mij, ook na het opdoen van velerlei ervaring op ander terrein, een van de mooiste werkzaamheden waartoe iemand kan worden geroepen. Men weet tot taak te hebben het behartigen van het algemeen belang en men kan die taak vervullen onder omstandigheden, waarbij men van nabij voeling heeft met de bevolking en haar organen, verhoudingen en toestanden veel nauwkeuriger kan kennen en beoordelen dan dat bij het landsbestuur het geval is, en de gevolgen van genomen beslissingen beter kan afwegen. De gemeenten hebben dan ook in de loop der jaren prachtig werk gedaan, dat
veel in de levensomstandigheden der bevolking ten goede heeft gewijzigd.
De gemeentelijke bemoeiingen hebben een omvang gekregen, die in Thorbecke's tijd stellig niet is verwacht, maar waartoe de wet naar letter en geest de mogelijkheid liet.
Waren de gemeenten er niet toe gerechtigd geweest, dan zouden de bemoeiingen zonder twijfel voor een groot deel door de Staat zijn ter hand genomen en een sterkere centralisatie dan noodzakelijk of wenselijk was zou in de hand zijn gewerkt.
Wel gaat sinds lang de ontwikkeling in deze richting, dat geleidelijk veel van wat eerst op eigen initiatief door een aantal gemeenten werd verricht, door hogere organen wordt overgenomen, of dat althans voor de gemeentelijke werkzaamheden algemene regelen worden gesteld. Daartoe dringen de veranderingen in het verkeer, het daardoor in zekere zin dichter bijeen komen, de toenemende bekendheid met wat in de verschillende gemeenten gebeurt, de wens naar groter gelijkheid in behandeling van noden en behoeften, die zich vrijwel overal doen gevoelen.
De werkloosheidszorg, die begonnen is met zeer bescheiden gemeentelijke initiatieven, wordt thans vrijwel algemeen gezien als in de eerste plaats Rijkstaak. Ook de arbeidsbemiddeling is van de gemeenten naar het Rijk overgegaan. In verschillende bemoeiingen op cultureel gebied, die aanvankelijk vrijwel uitsluitend binnen de gemeentelijke sfeer vielen, is thans ook het Rijk betrokken. De gezondheidszorg is zeker niet eenvoudig Rijkstaak geworden, maar wordt toch steeds meer in algemeen verband gebracht. Gemeentelijke telefoonnetten zijn genaast, electriciteits- en gasbedrijven worden in toenemende mate gezien als schakels in een geheel van behoeftevoorziening over het land.
Zo is er veel meer, ook afgescheiden van de gevallen, waarin als bij de woningbouw de nood van de tijd tot een op zichzelf ongewenste afhankelijkheid van Rijksbeslissingen leidt.
Intussen valt bij deze ontwikkeling tweeërlei te bedenken. In de eerste plaats is het in menig geval van grote betekenis geweest, dat gemeenten de stoot hebben gegeven tot wat tenslotte blijkt uit te groeien tot regelingen over het land, en dat daarbij plaatselijk ervaring is opgedaan voordat beslissingen van algemene aard worden genomen. In de tweede plaats blijft in vele gevallen een belangrijke uitvoerende taak toevertrouwd aan de gemeenten, ook als het Rijk een voorziening aan zich trekt of bindende regelen stelt. Daarbij vervaagt in toenemende mate, zoals meermalen door U, Mijnheer de Voorzitter, in het licht is gesteld, de scherpe scheiding die tussen autonomie en zelfbestuur placht te worden gemaakt. Wat ook precies het karakter van de medewerking der gemeenten is, het blijft van belang, dat plaatselijk geschiedt wat plaatselijk, waar men het dichtst bij de bevolking staat, het best kan worden beoordeeld. En telkens doen zich in onze steeds gecompliceerder wordende maatschappij en onze groeiende bevolking ook weer behoeften gevoelen, die in de verschillende gemeenten van zeer uiteenlopende aard zijn, en waarbij gemeentelijke werkzaamheid ook thans het best voorop kan staan.
De ontwikkeling der verhoudingen heeft er echter ook in ander opzicht toe geleid, dat opvattingen ten aanzien van de taak der gemeenten soms op drift schijnen te komen. Vele gemeenten zijn zo gegroeid, dat men niet meer kan zeggen, dat er in de bevolking nog de samenhang is, die bij velerlei betoog omtrent de waarde der plaatselijke werkzaamheid voorondersteld is. Wij hebben daaruit de behoefte aan decentralisatie binnen de gemeenten zien opkomen, o.a. via in te stellen wijkraden, die beperkte belangen van een duidelijk omlijnd deel der gemeenten zouden hebben te behartigen.
Anderzijds wordt in verband met de regeling der belangen, die over gemeentelijke grenzen heen gaan, zonder dat ze als Rijksbelangen kunnen worden beschouwd, gepleit niet enkel voor meer gemeenschappelijke regelingen, maar ook voor ver-
ruiming van de taak der provinciën. Zelfs wel voor een tussenfiguur tussen provincie en gemeente als streekbestuur. Ik ben geneigd te menen, dat aan het laatste in ons land in wezen slechts bij uitzondering behoefte kan bestaan. Ongetwijfeld echter is alle taakverdeling vloeiend en kunnen wij ons op voortdurende veranderingen voorbereid houden, wat bij levende organismen ook niet anders te verwachten valt. Wat echter ook van deze denkbeelden worde, zeker is de gedachte er aan gemeen, dat bij het groeien van de overheidsbemoeiingen dient te worden gestreefd naar decentralisatie, in elk geval bij de uitvoering, en dat daarvoor de plaatselijke gemeenschappen van uitermate grote betekenis zijn.
Wel staan wij juist op dit ogenblik te dezen aanzien voor grote moeilijkheden. Zoals ons land de gevolgen ondervindt van het internationale gebeuren en verkeert in een noodtoestand, die het grote beperkingen oplegt, zo ondergaan op hun beurt de gemeenten de invloed van de situatie, waarin de Staat zich bevindt. Zij zien zich geremd, niet enkel in wat zij wenselijk, maar vaak ook in wat zij terwille van de bevolking dringend noodzakelijk achten. Hoger toezicht krijgt daardoor ook allicht groter intensiteit dan in normale tijden aanvaardbaar zou zijn.
Ook Thorbecke echter, die zich noemde een van de oudste strijders voor de gemeentelijke vrijheid, deed daarop in een adem volgen, dat steeds rekening moet worden gehouden met de noodzakelijkheid, dat de Staat een geheel zij! Ik houd mij er van overtuigd, dat de gemeentebesturen zullen willen begrijpen, dat de beperkingen, die zij zich in deze tijd zien opgelegd, slechts het gevolg zijn van bittere noodzaak.
Mijnheer de Voorzitter, dit jaar heeft, naar ik uit het jaarverslag zie, Uw Vereniging het verheugende resultaat bereikt, dat geen enkele Nederlandse gemeente meer op haar ledenlijst ontbreekt. Dat er een orgaan is gegroeid, dat alle Nederlandse gemeenten omvat, is ook een verschijnsel, dat getuigt hoeveel nauwer de verbindingen zijn geworden dan zij een
eeuw geleden waren. Maar deze aaneensluiting betekent niet, dat minder gevoeld zou worden voor vrijheid en zelfstandigheid van de gemeente. Integendeel, Uw Vereniging heeft steeds met kracht en met bekwaamheid gewaakt voor het hoge goed der gemeentelijke vrijheid, een vrijheid uiteraard niet zonder de onvermijdelijke begrenzingen.
Bij deze herdenking van het tot stand komen der Gemeentewet wens ik Uw Vereniging gaarne geluk met de verheugende ontwikkeling, die het Nederlandse gemeentelijk leven te zien heeft gegeven, en met hetgeen de Vereniging zelf in de laatste tientallen jaren daartoe heeft bijgedragen.
Moge spoedig een gunstige keer in de verhoudingen, waarin wij geplaatst zijn, verdere verruiming mogelijk maken van de ontplooiing van de gemeentelijke arbeid, die ons volksleven zo zeer heeft verrijkt.