|
|
|
| | | | | |
| | | |
5
‘Zijn er muizen met rode snorren, oma?’
‘Nee, mekind, dat denk ik niet.’
‘Er zat er eentje in de Muizenkast.’
‘O, in de Muizenkast,’ zegt oma.
‘Wat breit u daar?’
‘Een warme trui voor als het winter wordt.’
‘Maar het wordt toch nog geen winter?’
‘Nu nog niet, maar over een tijdje wel.’
Daar is niets tegen in te brengen.
‘Gaan we straks boodschappen doen, oma?’
Boodschappen doen is tenminste leuk. Oma draagt een grote tas en
Annetje Lie een kleine. In elke winkel krijgt ze iets lekkers. Een plakje
worst, een snoepje, een appel. De winkels liggen aan de dijk, net als oma's
huisje.
‘Als het winter wordt en het sneeuwt dan kun je met een slee van de
dijk afglijden,’ zegt oma. | | | |

‘Maar als het winter wordt ben ik allang thuis.’
‘En daar is de school,’ zegt oma zonder op Annetje Lie te letten,
‘zie je wat een groot speelplein?’
‘Ons speelplein is veel en veel groter,’ zegt Annetje Lie.
‘Help je me met koken, mekind?’
Oma kan lekker koken en Annetje Lie leert het. Bewegen de vleugels
van de duiven van Assepoester?
‘Wat sta je te dromen, mekind? Ben je moe?’
Nee, ze is niet moe, maar ze wil deze keer wel naar bed.
‘Oma, ik weet waar het holst van de nacht is.’
‘Dat is fijn hoor, mekind,’ zegt oma, ‘slaap maar lekker.’
Door het raam schijnt de Maan, hij is dikker dan gister.
‘Dag Maan,’ zegt Annetje Lie.
Onder de donsdeken is het lekker warm. Zou het holst van de nacht er
nog liggen? Of is het soms weg, net als het spiegeltje met de clown op de
achterkant? Zomaar weg, nooit teruggevonden? | | | |

‘Truien voor de winter. Mooie truien voor de winter. Warme wollen
wintertruien.’
‘Maar het wordt nog geen winter,’ zegt Annetje Lie.
Bij de ingang van het holst van de nacht staat een egel. Zijn rug
zit vol pennen, breipennen zoals oma ze in haar breitas heeft.
‘Dus geen trui?’ vraagt de egel. ‘Dan niet. Wil je een prikslee
huren? De slee is gratis bij de thee, maar de prikkers kosten een zoen.’
Hij trekt twee breinaalden nummer zeven uit zijn rug en houdt
Annetje Lie een grijze wang voor.
De zoen smaakt vies en de wang prikt, precies als bij oom Henk.
‘Zet hem op, hop hop hop!’ roept de egel.
De slee glijdt heel gemakkelijk door de wolkengang. Annetje Lie zet
zich flink af met de prikkers.
‘Ach, daar was je,’ zegt een bekende scherpe stem naast haar.
Het is de muis met de rode snor op schaatsen. ‘Jij bent toch dat
domme kind met die satijnen schoenen?’ | | | |

‘Waar zijn mijn schoenen?’ vraagt Annetje Lie. ‘Waar zijn ze nu?
‘Onder de tafel in mijn huisje. Dat spreekt vanzelf. Kom maar
mee.’
De muis zwenkt een zijgang in en ze komen bij een ronde deur. Hij
klopt aan en roept: ‘Is er iemand thuis?’
‘Nee, er is niemand thuis,’ roept hij er zelf achteraan.
‘We kunnen naar binnen gaan,’ zegt hij tegen Annetje Lie, ‘er is
niemand thuis. De satijnen schoenen liggen echt onder de muizentafel.’
‘Is de Jurkenvrouw weg?’ vraagt Annetje Lie.
‘Dat weet je maar nooit,’ zegt de muis, ‘en als zij er niet is dan
heb je kans dat de Man met de Kattenbek rondkruipt. Het was nogal dom van je om
die kast in te gaan.’
‘Ik wist niet dat er een Jurkenvrouw in zat,’ zegt Annetje Lie.
‘Je kunt beter uit mijn kast wegblijven,’ zegt de muis.
‘Het is jouw kast niet, het is onze Rommelkast.’ | | | |

‘Ik heet Donkere Kamer!’ schreeuwt de kast.
‘Alsjeblieft, nu heb je hem beledigd.’
‘Kan een kast praten?’ vraagt Annetje Lie.
‘Kan een kast niet praten soms?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Jij kunt een boek volschrijven met wat je niet weet,
Suffeling.’
‘Als je niet beleefd tegen me bent, dan ga ik,’ zegt Annetje Lie.
‘Je bent een vervelende muis en je snor is ook nog rood.’
‘Nee toch!’ De muis grijpt naar zijn snuit. ‘Nee toch? Niet rood
toch.’
‘Wel rood.’
‘Echt rood? Niet bijvoorbeeld zalmroze, of lila of pimpelpaars?’
‘Rood rood rood.’
‘Dan kan ik het wel vergeten,’ zegt de muis en begint te huilen.
‘Rood! Erger kon het niet. Nee, ik kan het wel schudden.’
‘Wat dan?’
‘Alles,’ snikt de muis, ‘alles waar ik op hoopte, alles waar ik voor
leefde, alles waarnaar ik verlangde | | | |

en wat mijn hartje begeerde.’
‘Alleen omdat je snor rood is?’
‘Natuurlijk daarom, stakker die je bent! Jij weet echt helemaal
niets. Een rode snor, dat is voor een muis het ergste van alle erge dingen. En
erge dingen genoeg. De Man met de Kattenbek, de kat zelf, de vleer, de vampier.
Allemaal vreselijk erg, maar niets vergeleken bij een rode snor. Een rode snor,
dat is erger dan helemaal geen snor.’
‘Dat wist ik niet.’
‘Nee. Jij kon een boek volschrijven met wat je niet wist,
Sukkelstra.’
‘Als je me blijft uitschelden help ik je niet.’
‘Jij mij helpen? Mij, een muis met een rode snor. Niemand kan mij
helpen. O o o. Rood is mijn snor.’
‘Ik kan hem verven,’ zegt Annetje Lie. ‘Er staat verf in onze
Muizenkast.’
‘Ik heet Donkere Kamer,’ brult de kast.
‘Je hebt hem weer beledigd, maar geeft niks, ga door. Verf? Soms bij
geval per ongeluk misschien groene verf?’
‘Groene verf van de schutting.’ | | | |

‘Jij kunt mij een groene snor bezorgen?’
‘Als je dat wilt.’
‘Als ik dat wil? Welke muis zou dat niet willen? Wie een groene snor
heeft is koning. Muizenkoning!’
‘En wil je dat? Muizenkoning zijn?’
‘Wie wil er geen muizenkoning zijn dan?’
‘Ik niet!’
‘Hahaha, je zou niet eens kunnen. Jij bent te kaal, nergens vacht en
nergens een snor. Uitgesloten.’
‘Ik kan je snor verven maar ik durf niet terug in de Rommelk...’
‘Pas op! Ik zeg het niet nog een keer!’ loeit de kast.
‘Ik durf niet in de Donkere Kamer.’
‘Dat is beter,’ zegt de kast, ‘en je kunt veilig binnenkomen. De
Jurkenvrouw is weg. Ze zit op de Schommel.’
Annetje Lie gaat zoeken in de Donkere Kamer en komt terug met twee
blikken groene verf. Donker en licht.
De muis is sprakeloos van geluk. Hij laat zich | | | |

door Annetje Lie verven. Links donkergroen en rechts
lichtgroen.
‘Nu ben ik Koning,’ zegt hij.
Annetje Lie buigt voor hem.
‘Opzij iedereen, weg daar. Ik ben de Koning,’ roept de muis met de
Geverfde Snor.
‘Maar er is hier niemand,’ zegt Annetje Lie.
‘Dat dacht je maar,’ zegt de Koning.
|
|
|