|
|
|
| | | | | |
| | | |
19
‘Ben je nu tevreden?’ vraagt de Maan. ‘Is dat wat je wilde
weten?’
‘Ja,’ zegt Annetje Lie.
‘En waarom huil je dan zo allererbarmelijkst?’ vraagt de Maan.
‘Dat moet,’ zegt Annetje Lie.
Ze kan niet meer ophouden, net als toen tante Lydia begraven
werd.
‘Je huilt je nog dood,’ knort de Maan, ‘het is ongezond. Die enge
groenerik zit toch al op je te wachten.’
Annetje Lie weet dat de Maan gelijk heeft, ze kan tussen de
huilkrampen door geen adem krijgen, het verdriet drukt op haar als de appelberg
van de clown die het hele heelal opvult.
‘Waarom huil je, als ik vragen mag?’
‘Om om om om...’ | | | |

‘Omdat je ziek bent?’
‘Nee.’
‘Omdat je scheve tanden hebt?’
‘Nee.’
‘Omdat je pijn hebt?’
‘Nee.’
‘Waarom dan, hier kan ik niet tegen, hoor. Waar huil je om?!’
‘Ik weet het niet, ik weet het niet.’
‘Dat is erg,’ mompelt de Maan, ‘dat is ongeveer het ergste wat er
is.’
‘Waar zijn mijn schoenen?’ zegt de stem van mama.
Ze praat vanaf het witte nachtkastje, daar staat de trouwfoto in het
zilveren lijstje.
‘Mama,’ roept Annetje Lie, ‘waar was je al die tijd?’
Mama stapt uit de lijst in haar trouwjurk met de wijde rokken.
‘De wijde wereld in,’ zegt ze. Ze zwaait met haar bruidsboeket en
springt op de grond. ‘Ik had er genoeg van. Waar zijn mijn trouwschoenen?’
| | | |

‘Die liggen nog op de dijk,’ zegt Annetje Lie.
Mama zet zich af, net zo gemakkelijk als Annetje Lie zelf, en zweeft
boven het bed.
‘Doe het raam open,’ gebiedt ze.
De Maan doet vlug wat ze zegt en mama vliegt met een prachtige
schoolslag weg boven de huizen. Haar sluier en haar kanten rokken fladderen om
haar heen.
‘Kom mee.’ De Maan grijpt Annetje Lie. ‘Erachteraan.’
Weer is de richting westzuidwest.
‘Ze gaat naar de dijk,’ fluistert de Maan, ‘wat moet je daar nu van
denken.’
‘Ze gaat naar oma,’ zegt Annetje Lie, ‘ze gaat naar papa.’
De Maan zucht. ‘We zullen zien wat we zullen zien.’
Mama daalt naast de groene auto. Ze staat een tijdje te kijken naar
het huis van oma en de auto. De Maan blijft stil boven het dorp hangen,
onzichtbaar.
‘Waarom gaan we niet naar haar toe?’
‘Ssst.’ | | | |

De Maan landt achter de huizen en trekt Annetje Lie mee naar oma's
kamer. Annetje Lie wil op het raam tikken met een theesoldaatje. ‘Mama? Kom
je?’
Mama legt het bruidsboeket op de auto en loopt naar de houten trap
op de dijk.
‘Waar wil ze heen?’
‘Ssssst.’
Mama verdwijnt achter de dijk, maar dan ziet Annetje Lie dwars door
de muren van oma's huis en de dikke, massieve dijk hoe mama naar de schoenen
toeloopt en ze aantrekt en hoe ze daarna naar de stenen in het water loopt. De
stenen zijn niet langer van grijs basalt, ze zijn van glas, en het water is
niet langer ondoorzichtig, het is helder tot in de diepte. Mama loopt het water
in en zinkt. Maar de groene hand van Heintjevaar plukt haar uit de zee en smijt
haar op het land. Mama schudt zich als een hond.
Al die tijd is Annetje Lie gewoon door blijven huilen, want wat er
ook gebeurde, het verdriet was eerst. En nu, terwijl alles glashelder is, maken
haar eigen tranen dat ze niets meer kan zien. | | | |

‘Stil toch, mekind.’
Oma is er.
‘Oma, jij gaat niet weg, jij gaat niet de wijde wereld in, hè?’
‘Hoe kom je daar nou bij, natuurlijk niet.’
‘Net als Sneu, bedoel ik.’
‘Ik blijf altijd bij jou,’ zegt oma.
Is het dag, is het nacht? Zingen de vier zangers aan haar bed met
een solo van de Bunzing over Rozen? En lopen de theesoldaatjes aldoor voorbij
over de ziekenhuisvloer, tikkend met hun tachtig voetjes? Ze hoort hun stemmen
ijverig de maat aangeven. Béter béter béter. En een bekende, scherpe stem roept
tevreden: ‘Goed! Goed! Goed vooruit!’
‘Ga weg allemaal,’ denkt Annetje Lie. Ze wil slapen. Haar tranen
zijn op, ze is moe.
‘Ga je mee? Kom je?’ vleien de zangers, de theesoldaatjes, de
Muizenkoning en Heintjevaar.
Maar de Maan legt zijn donkere zeil over haar heen.
‘Ssst, ze slaapt.’
Ja, ze slaapt. Ze slaapt honderd jaar, of waren het | | | |

honderd uren? Ze zit bovenop de dijk in de wind, een
kamertje van hoog gras om haar heen. Ze plukt bloemen. Boterbloemen, zuring,
witte klaver, rode klaver, madeliefjes. Ze zuigt op de witte klavers, die oma
schapenbloemen noemt, en op de rode klavers, die oma suikerbloemen noemt. En ze
maakt een krans van madeliefjes, die oma meierbloempjes noemt. De zee heeft
kleine, steeds verspringende vlakjes, het licht spat eraf.
Ze was vergeten hoe heerlijk het is om op de dijk te zitten in de
wind als het zomer is. Ze vlecht de krans op de manier die oma haar heeft
geleerd en in haar hoofd zingt het zachtjes en dat is niet vervelend, het is
wat ze zelf wil.
Wie zingt er het liedje eene twee
van het meisje een twee drie
ze leeft in een koninklijk aan zee
en haar naam is Annetje Lie.
Ze woont bij oma aan de dijk
| | | |
aan de blauwe zee van het koninkrijk
en haar naam is Annetje Lie.
‘Annetje Lie? Ben je wakker?’
Wat een lief gezicht tussen al die witte wanden en dingen. Kent ze
dat gezicht niet? Tranen rollen als erwten naar beneden. In de as?
‘Ben je... Assepoester?’
Nee het is Assepoester niet.
Is het de Jurkenvrouw?
Nee, het is niet de Jurkenvrouw.
Het is immers mama.
‘Ben je mama?’
Natuurlijk is het mama, wie kan het anders zijn!
‘Blijf je bij me?’ vraagt Annetje Lie slaperig.
‘Ik blijf bij je.’
‘En als ik beter ben? Als ik bij oma ben?’
‘Dan kom ik elke zondag als je wilt.’
Elke zondag. Niet elke dag, maar wel elke zondag.
‘Nu weet je het,’ zegt de Maan.
Hij is nog donker, maar met een vlijmscherp licht- | | | |

randje aan de rechterkant, een komma van licht.
‘Ja, nu weet ik het.’
‘Wel, waar gaan we heen?’ vraagt de Nieuwe Maan.
‘Naar het holst van de nacht? Naar het circus? Naar de zee?’
‘Overal heen,’ roept Annetje Lie, ‘ik wil overal heen.’
‘Dat is het beste,’ zegt de Nieuwe Maan. ‘Dat is altijd het beste.
Zo leer je alle tweeëndertig streken van het kompas. En wie die kent, verdwaalt
niet.’ Hij blaast in het zeil...
|
|
|