God verhoorde Hermingard's bede. -
Toen de lente hare kinderlijke bevalligheden over de Eikenterpen uitspreidde, vertrok Paulinus met Gisela en zijne moeder, door Timotheus vergezeld, naar zijn vaderland. Hermingard rustte in den koelen schoot der aarde. - Op een der eerste lentemorgens, had men haar zacht sluimerende op hare sponde gevonden; - zij sliep - maar de dag der eeuwigheid zou haar eerst wekken.
Ene verhevene rust had hare kalmte op de stille gedaante uitgegoten; Hermingard's ogen waren gesloten; een heldere traan schemerde op hare kaak, rondom haren mond zweefde een zoete lach: het was of de doodsengel het Heilig! Heilig! op hare lippen had doen besterven.
Het plotseling verscheiden der goede en edele gebiedster verwekte algemene verslagenheid en deelneming. In weêrwil van zich zelven, waren de ruwe Heidenen gedwongen, de vrome gelatenheid en Christelijken rouw van Marcella en derzelver betrekkingen te bewonderen.
Gereed om voor immer de Eikenterpen te verlaten, bezochten de Christenen nog eenmaal den wilden terp, Siegbert's en Hermingard's grafheuvel. Op het graf van den jeugdigen held was door Ernhold een gedenksteen geplaatst; Paulinus en Timotheus hadden een dergelijk merkteken voor Hermingard opgericht. Op een der grootste stenen werd beider
naam gegrift, met het onderschrift
God had hen verenigd.
Gisela's hand had roos- en leliestruiken bij het grafteken geplant; een knopje was ontloken; het was de eersteling der lente. Hier dacht het Christengezin nog eenmaal, met diepen weemoed, aan de ontslapenen; beurtelings weidde men in den lof van Hermingard's deugden uit. Marcella herinnerde zich nog levendig, hoe zij hier de herstelde maagd eens bewonderd had, toen derzelver vrome zin aan de schone trekken ene onvergelijkelijke bekoorlijkheid bijzettede; juist die dag was van zo veel beslissenden invloed op hare latere geschiedenis geweest. Timotheus sprak van Hermingard's eerste ontmoeting met Caelestius; het geheugen van den knaap had alles nog getrouwelijk bewaard. Gisela dacht aan den offernacht; Paulinus aan Hermingard's verschijning in zijnen kerker. De zoele lentedag vertederde hen meer en meer; in kalmen weemoed deelden zij elkander menig troostvol en Christelijk denkbeeld over dood en eeuwigheid mede. Eindelijk zwegen allen en weenden. De getrouwe Fides zat treurig aan de voeten van zijnen jeugdigen meester; het dier scheen in hunne smart te delen, want het staarde, met zekere weemoeds-uitdrukking, de bedroefden aan. Langzaam hadden witte wolken zich, als een zilver gaas, over het zonlicht verspreid: er vielen grote droppels die als zo vele reine parelen op het frisse groen en het donker purper der ontluikende roos schitterden. Toen wenkte Paulinus de zijnen op te staan. Een brede regenboog welfde zich over den Rijnstroom en spiegelde in het helder water. Twee Batavische jongelingen waren gereed, om hen met
een vaartuig een eind weegs de rivier af te zetten.
‘Rust zij uwer as, onvergetelijken!’ snikten de vrouwen, en traden wenende in het vaartuig. Zij wisten de ogen af en poogden onafgewend den blik op het grafteken gevestigd te houden, maar telkens schemerde het haar voor het gezicht, en niemand zag het meer. -
Op den vaderlandsen grond wachtten Paulinus rust en geluk. Dagen van aardse zaligheid doorleefde Marcella bij hare kinderen. Gisela was ene uitmuntende dochter; derzelver karakter ontwikkelde zich door zedelijke beschaving en Christelijken godsdienstzin tot een eerbiedwaardig toonbeeld van vrouwelijke deugden.
Paulinus leefde met zijne geliefden eerst te Nicomedië en daarna in het nieuw gesticht Konstantinopolis; als burgerlijk ambtenaar door den Keizer aldaar in gewichtvolle betrekking geplaatst, stichtte hij zeer veel goeds. Onverwachts was een aanzienlijk vermogen zijn eigendom geworden, door het sterven van zijnen aanverwant Candidianus; deszelfs dood had zijnen altijd ontkenden rijkdom en geveinsde deugd aan het licht gebracht. Door wijs gebruik zorgde Paulinus, dat dit overvloedig reisgeld hem op den levenstocht niet lastig werd.
Timotheus had zich, op raad van Macarius, den vriend van Caelestius, onder de leerlingen van Gregorius van Nazianze geschikt. De bisschop van Jeruzalem toonde gedurig hoge belangstelling voor den pleegzoon van den grijzen boeteling te koesteren. Ook Konstantijn de Grote scheen zonderlinge zorg voor hem te dragen, immers door des Keizers uit-
drukkelijken wil werd hem het leraarsambt, in de kerk welke nieuwelings in het dal Mamre opgericht was, opgedragen. Al de deugden, welke Paulus den Christenleraar voorschrijft, betrachtte de jonge man met edele nauwgezetheid. Zijne kleine kudde beminde hem hartelijk, en geen Christen-pelgrim bezocht het gedenkwaardig oord, zonder zijne gastvrijheid en godsdienstzin te bewonderen. Zelfs de rechtschapen Israëliet, die vader Abraham's woonstede kwam bezoeken, had voor den verdraagzamen Timotheus achting, en menig heiden bezocht Mamre's dalen, om als Christen met blijdschap huiswaarts te keren. Zonderling was het echter, dat de geheimzinnige sluier, die zijne geboorte bedekte, nimmer voor het minste gedeelte opgeheven werd. Onzeker is het, of hemzelven dat geheim bekend zij geworden. Hij stierf in den bloei van zijnen leeftijd. Een Egyptische monnik bracht aan Paulinus het kruisbeeld hetwelk Caelestius aan zijnen pleegzoon had achtergelaten; dit geschenk van Timotheus werd door ene welgezegelde parkementen rol en enige regelen schrifts vergezeld, waarin Timotheus zijnen vriend dringend bad, die rol ongelezen te verbranden. Stervende schreef hij die laatste bede en eindigde het geschrift met de levendigste uitdrukkingen der vurige en gelovige hoop, zijne Christen-vrienden in den hemel weder te zien, tot wiens zaligheid Hermingard van de Eikenterpen, aller tederlijk geliefde vriendin, door Gods genadigen wil reeds geroepen was.
‘Dat geve de Heer, edele man!’ zeide Paulinus, diep geroerd. ‘Heil u en heil ons! wanneer ene Hermingard ons ten voorbeeld is. - Voorwaar, dan zullen wij in den groten dag des Heren niet beschaamd staan!’ -