terug  begin  verder
[p. 73]

1940-1970 Oorlogsjaren en periode van herstel



illustratie
Illustratie uit: De wond'ren werden woord en dreven verder (Deventer, 1989, blz. 231). Jan Blokker

Na de turbulenties van de eerste oorlogsdagen, mei 1940, herneemt het leven al gauw zijn gewone loop. Blokker schrijft in De wond'ren werden woord en dreven verder: ‘We bleven arbeidzaam, ondernemend en religieus van inslag. De Kaagweek werd gezeild, de Nijmeegse Vierdaagse gelopen, de Elfstedentocht geschaatst, de competitie gevoetbald; zelfs de padvinderij hield het nog een aardig poosje vol...’ Departementen, gemeentebesturen, bedrijven, kantoren, scholen en het uitgangsleven gaan zo gewoon mogelijk door.

Lezend Nederland laaft zich aan de heldendaden in Hollands Glorie van Jan de Hartog en versterkt zijn nationaal besef met historische verhalen die de uitgevers volijverig herdrukken. Een Bataafs Driemanschap van A.M. de Jong over de ridderdaden van onze verre voorouders is daar een voorbeeld van.

Tot aan de instelling van de Nederlandsche Kultuurkamer op 30 mei 1942, is de nood in de uitgeverij niet al te groot. Het optreden van de Duitsers is gematigd en van toezicht op de drukpers is nog nauwelijks sprake. Wel zijn er praktische bezwaren en lastige omstandigheden en worden met name joden uit hun leidinggevende posities verdreven.

Omdat M.E.H. Warendorf - sinds 1925 met A.B. van Holkema directeur van uitgeverij Van Holkema & Warendorf - vreest dat zijn joodse achtergrond hem in de moeilijkheden zal brengen, vertrekt hij eind mei 1940 naar de Verenigde Staten. In zijn plaats komt R. van der Velde. Beide directeuren voeren een beleid van compromissen om hun bedrijf, dat ondanks het vertrek van Warendorf als een joodse zaak wordt beschouwd, door de bezettingsjaren heen te loodsen.

A.B. van Holkema draagt samen met Alice von Eugen bovendien verantwoordelijkheid voor Em. Querido Uitgeverij. Want ook Emanuel Querido heeft ontslag moeten nemen. De betrokkenheid van Van Holkema bij Querido ligt voor de hand. Van Holkema & Warendorf had Querido in 1915 in het zadel geholpen en was sindsdien nauw betrokken geweest bij het wel en wee van uitgeverij Querido.

Later in de oorlog neemt ss'er Reinier van Houten als ‘Verwalter’ het beheer van beide uitgeverijen over. Met name voor Van Holkema & Warendorf heeft hij grote belangstelling omdat zij het literaire tijdschrift Groot Nederland uitgeeft. Van Houten wil het nationaal-socialistisch maken.

Langzaam maar zeker wordt de voorraad boeken geringer. Tijdschriften waaronder Groot Nederland, worden verboden. (Na de oorlog schrijft Vestdijk aan Greshoff dat de uitgevers het blad al veel eerder hadden moeten opheffen.) En vanaf 23 mei 1944 mag A.B. van Holkema niet meer op het kantoor van de uitgeverij verschijnen.

Aan Daalder vertelt Leni Saris (1917) over die tijd: ‘In Mei 1940 zou bij Van Holkema & Warendorf te Amsterdam Kinderhuis De Toekomst verschijnen, maar aangezien in de oorlogsdagen de betreffende drukkerij in Wageningen verwoest werd, gingen het zetsel, papier e.d. met al het andere verloren, zodat de uitgave, naar de firma Van Holkema mij berichtte, niet door ging. En-

[p. 74]

kele maanden later kreeg ik het, voor mij zeer verheugende bericht, dat het toch zou verschijnen; dit gebeurde eind 1940.’ Het boek moet in 1940 inderdaad verschenen zijn, want Het Kind prijst het als ontwikkelingsgeschiedenis van een rijk Indisch meisje dat tijdelijk ontrouw is aan haar kinderideaal: de stichting van een tehuis voor misdeelde kinderen, maar dankzij haar liefde voor een jeugdvriend gered wordt van egoïsme en frivoliteit. Het wordt echter pas aangekondigd in het voorjaar van 1941.

Er zijn in 1941 net als anders drie aanbiedingen (voorjaar, zomer en najaar), maar er verschijnen weinig nieuwe titels. Onder andere De reuzen Belfloor en Bonnevu in het rijk van Koning Kakoeskilewan van A.D. Hildebrand en H. de Wolf, een lievelingsboek van ieder kind, waarvoor Joop Geesink de illustraties maakt.

In 1942 zijn er twee aanbiedingen, waaronder Geurt trekt de wijde wereld in van A.D. Hildebrand met tekeningen van Freddie Langeler. ‘Een verhaal vol amusante gebeurtenissen en dien typische toon voor kinderen, eenvoudig, direct en met veel in details beschreven gebeurtenissen die dit soort lectuur bij onze kinderen zoo geliefd maakt.’



illustratie
Harm legt de schaatsen voor Geurt op de toonbank. De ijzers glanzen en het hout is licht-geel. En de banden zijn zo kleurig. Fijne schaatsen!
Uit: Geurt trekt de wijde wereld in. A.D. Hildebrand, met illustraties van Freddie Langeler


In 1943 is er nog maar één aanbieding. Bij de zes titels zitten twee jeugdboeken, De diefstallen bij ‘De Arend’ en Frouwientje's Levenskansen van Anna Hers. Daarna wordt het stil.

De meeste uitgaven in de eerste oorlogsjaren zijn herdrukken van ouwe getrouwen: Alewijn de Lijfeigene en Een valkenjacht op het Kasteel Brederode van E. Molt of Wij, met ons vijven, in Rome van Tine Cool. Zes meisjesboeken (op een blauw fond) en zes jongensboeken (op een rood fond) worden herdrukt in de Nieuwe Tip Top-serie van 1941. Alleen Marjolijntje van de State

illustratie



illustratie
Koning Kaskoeskilewan en de toversteen. A.D. Hildebrand en H. de Wolf, met illustraties van Frans Mettes

[p. 75]

(1942) van Anna Hers verwijst met het bombardement op Rotterdam rechtstreeks naar de oorlog.

De enige getuigenis van actief beleid valt af te lezen aan Wie doet er mee? van Sjoert Schwitters en Iene Miene Mutte van Tonny Röling, beide in het najaar van 1941. Wie doet er mee? is een boek vol raadsels, knutselwerkjes en verhalen en bevat genoeg materiaal om kinderen een hele winter bezig te houden, vooral als zij meedoen aan de wedstrijd in het vervaardigen van knutsel- en andere werkjes. De prijzenlijst biedt een aardig kijkje op de rolpatronen van 1941. Jongens die meedoen hebben kans op een elektrische trein met alle toebehoren, een veertrein met alles erop en eraan, een meccanodoos met zevenhonderd onderdelen, een grote stoommachine, een modelzeilboot, een figuurzaagdoos, jongensschaatsen, Caran d'Ache kleurpotloden, kleurverf, boeken etc. De meisjes moeten tevreden zijn met een fraai uitgevoerd meisjesbureau gevuld met boeken, een prima ‘Zwitsersch’ meisjeshorloge, een schitterend uitgevoerd tafeltje met drie stoelen, meisjesschaatsen en boeken.

Iene Miene Mutte wordt door de uitgever aangekondigd als de verzameling kinderrijmen waarop tal van ouders gewacht hebben. Niet alleen is dit ‘de meest uitgebreide en volledige uitgave’ welke ooit is verschenen (misschien de uitgave van Van Vloten van 1874 uitgezonderd), maar bovendien vindt men in deze bundel de versjes die ontstaan zijn gedurende de laatste veertig jaar en die nu nog door de kinderen gekend worden. Deze versjes zijn in geen enkele bundel opgenomen. Bovendien zijn talrijke versjes niet voor de zeer jonge kinderen bestemd, maar voor de schoolgaande jeugd, zoals vrijwel alle aftelversjes, springversjes, speel- en dansversjes en de versjes ter gelegen-

illustratie



illustratie
Iene Miene Mutte, 400 baker-, kleuter-, aftel-, speel-, dans-, spring-, geest- en andere rijmen. Verzameld en getekend door Tonny Röling

[p. 76]

heid van verschillende feestdagen. De bundel dankt zijn unieke karakter voor een deel aan de medewerking van meer dan honderd kinderen uit het gehele land, voor een ander deel aan de aardige illustraties van Tonny Röling. Gestileerde prentjes in zwart-wit waar een humoristische zienswijze niet vreemd aan is.

 

Na de oorlog ondervinden alle uitgeverijen hinder van het gebrek aan papier en mankracht. Ook de prijzen van drukkerijen en boekbinders gaan aldoor omhoog. Van Holkema & Warendorf heeft bovendien interne moeilijkheden. Als M.E.H. Warendorf in augustus 1945 terugkeert uit Amerika wil het niet zo boteren tussen de vroegere vennoten. Van Holkema en Van der Velde willen Warendorf niet het recht geven Groot Nederland opnieuw uit te geven. De naam van dat tijdschrift was besmet geraakt en elke verwijzing naar vroegere collaboraties is uit den boze. Een onenigheid over het aandelenpakket moet zelfs door de rechter beslecht worden. Warendorf wordt afgekocht en A.B. van Holkema, ‘een der laatste grote figuren van de oude garde van de Nederlandse uitgeverswereld’, blijft in het zadel (samen met R. van der Velde). In 1950 wordt hij opgevolgd door A.E. Stheeman. Vanaf die tijd ontbreken de naamdragers en gaat Van Holkema & Warendorf een aantal keren in andere handen over. In 1965 doet C.A.J. van Dishoeck zijn intrede als directeur. In 1968 wordt ‘Van Dishoeck, Van Holkema & Warendorf’ opgenomen in Unieboek, dat in 1980 wordt opgekocht door Bührmann en Tetterode, en in 1986 door R.C. Malherbe waarna het in 1991 fuseert met Meulenhoff.

De interne èn externe moeilijkheden leveren een verklaring voor het feit dat een tijdlang, behalve een paar prentenboeken, alleen maar meisjesboeken worden herdrukt die hun verdiensten al zo dikwijls bewezen hadden.

 

De Nederlandse samenleving werkt voorlopig vooral aan het economisch herstel en krijgt pas aan het eind van de jaren veertig ruimte en tijd de opvoeding van de jeugd ter hand te nemen. Dan worden conferenties en studiedagen georganiseerd: over Jeugd en Sport, Jeugd en Film, Jeugd en Politiek, Jeugd en Bedrijf, en in 1951 zelfs een conferentie over Boek en Jeugd. Deze conferentie is een initiatief van het studiecentrum voor Jeugdbibliotheken, dat samen met organisaties op het gebied van opvoeding en het ministerie van OK&W zo'n vijfhonderd mensen bijeen weet te brengen voor een gedachtenwisseling over de waarde van het goede kinderboek als factor in de opvoeding. Het congres levert een aantal aanbevelingen op. Niet alleen de oriëntering over jeugdlectuur in ruimere zin moet worden bevorderd, maar ook die in specifieke zin op kweekscholen, scholen en bij jeugdleiders. Van de samenwerking tussen onderwijs, bibliotheek en jeugdbeweging wordt veel verwacht, vooral als daarbij ook boekhandel en uitgeverij worden betrokken.

In 1961 en 1963 zijn er opnieuw congressen waar gepleit wordt voor betrokkenheid vanuit de universiteiten en de massamedia. Zonder veel succes overigens. De belangstelling van de wetenschap zal pas halverwege de jaren zeventig op gang komen en in de jaren tachtig resulteren in een bijzonder hoogleraar kinder- en jeugdliteratuur in Leiden, Ria Bauer-van Wechem. Een plaats die inmiddels alweer verdwenen is. Maar het algehele klimaat voor schrijvers en uitgevers van kinderboeken begint na 1950 wel te veranderen. Het potentieel aan jonge lezers groeit snel en dankzij de toenemende welvaart komen boeken binnen het bereik van meer mensen. Zo ontstaan mogelijkheden voor massaproduktie met alle voor- en nadelen van dien.

De Bijenkorf start de Jeugdboekenmarkten (1952) waar auteurs elkaar en

[p. 77]



illustratie
Illustratie uit: De geschiedenis van Kris Kras (Den Haag, 1981, blz. 88). Peter van den Hoven

hun publiek ontmoeten, het Bureau Boek en Jeugd wordt opgericht (1952) als centrum voor studie en documentatie, er komt een tijdschrift voor kinderliteratuur Kris Kras (1954) en een Kinderboekenweek met het ‘Kinderboek van het jaar’ (1955, voorloper van de Gouden Griffel). Het affiche voor de eerste Kinderboekenweek is een ontwerp van Piet Worm!

Uitgevers gaan coprodukties aan met het buitenland. Auteurs als Annie M.G. Schmidt, An Rutgers van der Loeff, Miep Diekmann, Han G. Hoekstra, Hans Andreus, Paul Biegel, Jean Dulieu en Jaap ter Haar leveren hun bijdrage aan de emancipatie van het kinderboek. Een emancipatie die bevestigd en versterkt wordt door de instelling van een Staatsprijs voor kinder- en jeugdliteratuur (1964). Annie M.G. Schmidt mag hem in 1965 als eerste in ontvangst nemen.

Schrijven voor kinderen wordt steeds minder een aardigheidje van goedbedoelende volwassenen en steeds meer een kwestie van vakmanschap. Dat geldt voor alle genres, het fantasierijke, het realistische en prentenboeken. De Gouden Boekjes die uitgeverij De Bezige Bij in 1949 vanuit Amerika naar Nederland haalt, zorgen voor een ware revolutie. Tot die tijd waren prentenboeken in meerkleurendruk immers een zeldzaamheid. Iets dergelijks herhaalt zich een paar jaar later met De Drie Paardjes (1955) van Piet Worm die door Van Holkema & Warendorf Nederland wordt binnengevoerd. Deze van oorsprong Nederlandse illustrator/schrijver (1909) ruilt in 1953 zijn architectenbestaan definitief in voor tekenbord, Oostindische inkt en kleurkrijt. Daar had hij al enige tijd mee geëxperimenteerd en waardering mee geoogst. Het Kind noemde de illustraties van deze colorist in 1937 spontaan en fantasierijk, en doelde daarmee op een afbeelding van een circuspaard, een goedig dier, staart en manen met bloemen versierd. Op zijn rug een klein meisje met wapperende linten. ‘Zo tekent men voor kinderen: zo eenvoudig, zo grappig, zo kleurig en feestelijk en zo geschikt om op voort te borduren met een kluchtig verhaal. Maar ook: zo fors en gesloten, zo sterk en direct.’

Piet Worm had de verveling van de onderduikperiode verdreven met het maken van schetsen voor een kinderbijbel en voor De Drie Paardjes. Werk dat de Nederlandse uitgevers aanvankelijk niet durven uit te geven, omdat het te vernieuwend is en een kostbare produktie vereist. Maar als de Amerikaanse uitgeverij Random House hem voor De Drie Paardjes een contract aanbiedt voor 150.000 exemplaren, gaat de wereld er heel anders uitzien.

[p. 78]



illustratie
De drie paardjes. Tekst en illustraties van Piet Worm

[p. 79]

Vanaf dat moment rennen zijn paardjes naar Nederland, Duitsland, Engeland, Zweden, Frankrijk en Italië.

‘Er waren eens drie kleine paardjes. Het eerste heette Witje, omdat het helemaal wit was.

Het tweede heette Zwartje, natuurlijk omdat het helemaal zwart was.

Het derde heette Bruintje, omdat het helemaal bruin was.’

Witje, Bruintje en Zwartje gaan verkleed als prinsessen naar de stad, waar ze door de burgemeester worden ontvangen die juist die dag drie Koninklijke Hoogheden verwacht. Als uitkomt dat hier een vergissing in het spel is, belanden de drie paardjes en hun kamerheer in de gevangenis waar ze na enige verdrietigheden ook weer uit komen natuurlijk.

Het boek valt op door het uitzonderlijk grote formaat - ‘kinderen zullen er de hele dag mee willen sjouwen’ - èn door de felle kleuren. In Het Parool schrijft Annie M.G. Schmidt: ‘Een verhaal om altijd weer opnieuw te willen horen en met tekeningen waar je nooit op uitgekeken raakt.’

Met goed gevoel voor publiciteit weet Piet Worm zijn boek aan beroemde personen aan te bieden, onder anderen aan Josephine Baker en Prinses Gracia van Monaco, en pleit hij waar mogelijk voor het goedkoper maken van kinderboeken. Dat hij over dergelijke capaciteiten beschikte, was al gebleken toen hij zijn gebedenboek voor kinderen, Bid, kindje, bid (1946), afsloot met de beroemd geworden zinsnede ‘En kinderen, bid nu nog eens braafjes, voor Piet Worm en Bertus Aafjes.’

Zijn veulentjes worden zo'n succes dat ze weldra opduiken op kindergordijnen of eetgerei. Het Scapino-ballet viert zijn tienjarig jubileum met Het Ballet van de Drie Paardjes in een decor van Piet Worm en er komt een serie vervolgdelen. Alleen De drie gekroonde paardjes (1959) waarin Witje, Bruintje en Zwartje bij de drie echte prinsessen op het paleis gaan wonen, en De drie paardjes op vakantie (1961) waarin een carrière als draaimolen- en woonwagenpaard uitloopt op een spontane vakantie, verschijnen nog bij Van Holkema & Warendorf. Latere delen elders.

In het licht van dit succes brengt Van Holkema & Warendorf in 1958 bijna tegelijk met de Amerikaanse versie ook De koe die in het water viel van Peter Spier uit. Dit folkloristische, Hollandse prentenboek over een ongedurige koe wordt al net zo populair.

‘Hendrika wilde al die wonderlijke dingen wel eens zien waar Pieter over vertelde. Ze had er genoeg van om altijd naar boer Hofstra's huis te kijken

illustratie
De koe die in het water viel. Phyllis Krasilovski, met illustraties van Peter Spier

[p. 80]



illustratie
Ted en Silvie tekenen een pozzebok. Bouke Jagt, met illustraties van Nanda van Essen



illustratie
Ted en Silvie en het boekebeest. Bouke Jagt, met illustraties van Nanda van Essen



illustratie
Het boekebeest. Bouke Jagt, met illustraties van Peter Vos



illustratie
De pozzebokken. Bouke Jagt, met illustraties van Peter Vos

en naar de schuur en naar de molen. De molen had vier wieken, die steeds maar ronddraaiden in de wind. Hendrika werd er duizelig van.’

En dus gaat Hendrika de koe op pad, met haar strooien hoedje op vaart zij in een wiebelig bootje naar de kaasmarkt van Alkmaar. Door de felle kleurstelling en de rijkdom aan beschilderde toeristische attracties: molens, bruggen, boerderijen, kaas, sloten en weilanden is het boekje voor iedere Amerikaan die zijn kinderen iets over Holland wil vertellen, absoluut onmisbaar. Het komt uit in de Engelse en de Amerikaanse Puffin-edities en is in 1987 aan de twaalfde Nederlandse druk toe.

Opvallend in de naoorlogse produktie, maar dan in zwart-wit techniek, zijn ook Ted en Silvie tekenen een pozzebok (1962), Ted en Silvie helpen de pozzebokken (1962) en Ted en Silvie en het boekebeest (1964) van Bouke Jagt (1929-1982) met illustraties van Nanda van Essen. De avonturen van de twee kinderen met verzonnen schepsels zijn amusant en fantasierijk. Pozzebokken zijn beesten met vier poten en een grote bek die bij het tekenen per ongeluk ontstaan maar ook weer uitgevlakt kunnen worden. Het boekebeest kan zichzelf vermeerderen door zijn of haar spiegelbeeld tot leven te brengen en verdwijnt met een parapluutje.

Deze tot de verbeelding sprekende verzinsels krijgen pas echt aandacht als de eerste twee delen in 1971 herdrukt worden onder de titel De pozzebokken met tekeningen van Peter Vos. Hij krijgt daar prompt een Zilveren Griffel voor. ‘Tekst en illustraties vormen zo'n bijzondere eenheid dat de kinderen erdoor aan het fantaseren gezet kunnen worden,’ zegt het juryrapport. In deze herdruk is het een en ander gemoderniseerd. De kinderen die de Pozzebokken helpen heten eigentijds en modern: Bas en Marjanneke en de boosdoener die ze uitgumt: Kloris Klier. In een nog weer latere uitgave, de Lees je al-serie van 1988, is bovendien gesleuteld aan de lengte van de zinnen en de werkwoordstijden.

De opmars van Pinkeltje

Een jaar voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog publiceerde cineast en jongensboekenauteur Dick Laan zijn eerste boek voor kleuters, De avonturen van Pinkeltje (1939) met illustraties van Dokie van Amstel. Volgens het voorwoord in de eerste druk dankt het kleine mannetje zijn ontstaan aan de verhalenhonger van Laans nichtjes en neefjes.

‘“Vertellen! Oom?”

Elken keer is het dezelfde vraag, en of je nu al bezwaren maakt, het geeft

[p. 81]

niets, ze houden vol tot er een verhaal verteld is. Op iedere knie een kind en één op de leuning van den stoel. Drie paar kinderoogen kijken je vol verwachting en spanning aan. Je pijnigt je hersens om zoo gauw wat te bedenken en je begint alvast maar.

“Er was eens een héél klein mannetje; zoo klein, als jullie pink...”

“Zoo groot als die van mij, Oom?”

“Ja, zoo groot als die van jou.”

“O! wat een klein mannetje!”

“Hoe heet het mannetje, Oom?”

En heel langzaam zeg ik: “Dat - mannetje - heette...” Gauw zoeken naar een naam, Pukkie, Pinkie, Pinkje - Pinkeltje! ha! dat is een goede naam...

Zoo werd een jaar geleden Pinkeltje geboren en telkens moest er een nieuw verhaal over Pinkeltje worden verteld en zoo zijn toen langzamerhand de Pinkeltjeverhalen ontstaan.’

Een herdruk wordt echter pas na de oorlog gemaakt (1948) en ziet er door het dunne grauwe papier dat dan beschikbaar is, niet goed uit. Maar na een tweede bundel, Pinkeltje en zijn vrienden (1949), is de opmars van Pinkeltje niet meer te stuiten. Jaar na jaar volgen nieuwe avonturen van de Pinkel-familie en worden oude delen herdrukt. Pinkeltje komt op radio en televisie en wordt zelfs verfilmd. Zijn ster en die van Dick Laan bereiken grote hoogten. In 1988 bezet Pinkeltje nog altijd de zeventiende plaats in de jeugdboeken Top Honderd Aller Tijden.



illustratie



illustratie
De avonturen van Pinkeltje. Dick Laan, met illustraties van Dokie van Amstel

Het geheim voor dit succes valt moeilijk te achterhalen. Het heeft iets te maken met Laans aansluiting op de kinderlijke verbeeldingswereld en zijn volstrekte neutraliteit. Hij is in zijn opvattingen katholiek noch protestant, links noch rechts, behoudend noch vooruitstrevend. Hij wil kinderen binnen een veilige en prettige situatie alleen maar een spannend en vooral begrijpelijk verhaaltje bieden.

Alle Pinkeltje-verhaaltjes zijn opgebouwd volgens een zelfde stramien waarin het toeval niet geschuwd is. Het oude mannetje Pinkeltje verzeilt steevast in moeilijkheden. Hij valt uit een boom, komt in een sneeuwbal terecht, zakt tot aan zijn armen in een oliebol weg, verdrinkt bijna in de strooppot of in de suiker, maar wordt net op tijd gered door zijn vriendjes. Pinkeltje is op zijn beurt niet te beroerd de helpende hand uit te steken of corrigerende maatregelen te nemen. Hij woont in een muizehol in het huis van een voorbeeldig gezinnetje: vader, moeder, jongetje en meisje.

Het zijn typische voorleesverhalen met een natuurlijke verteltrant. Ze wemelen van de verkleinwoordjes, verzuchtingen en bijwoorden: ‘“O, o, o,” zuchtte Pinkeltje, “wat ben ik akelig nat!... en ik krijg erg honger ook.”’ Omdat Laan merkt dat zijn neefjes en nichtjes nog veel woorden niet begrijpen, waakt hij angstvallig voor moeilijke woorden en wordt de professor een geleerde man. Hij vermijdt verwijswoorden als ‘hij’ en ‘zij’, omdat die verwarrend kunnen zijn en wendt zich als schrijver rechtstreeks tot de kinderen: ‘Maar weet je wat ook aardig was?’ In een latere fase van zijn carrière gaat hij zijn verhalen hardop lezen om te horen of de zinnen lopen en laat hij ze in een klas voorlezen om uit te zoeken of kinderen alles begrijpen.

Het tweede deel Pinkeltje en zijn vrienden begint met een bezoek van Pinkeltje aan mijnheer Dick Laan. Hij vraagt hem waarom hij geen verhaaltjes meer schrijft. ‘“Ik weet niets meer, maar kan jij me niet weer wat vertellen?” vroeg mijnheer Dick Laan.’ De verhaaltjes die Pinkeltje hem vertelt, schrijft Dick Laan vervolgens gehoorzaam op. Dit wordt het standaardbegin voor alle volgende boeken.

Na acht delen met avonturen in Artis, Madurodam en Pinkeltjesland (ergens in Afrika) en tal van ontmoetingen met zijn vriendjes Knabbeltje, Lang-

[p. 82]



illustratie



illustratie
Pinkeltje op reis. Dick Laan, met illustraties van E.M. ten Harmsen van der Beek



illustratie
De avonturen van Pinkeltje (32e druk). Dick Laan, met illustraties van Rein van Looy



illustratie



illustratie
Pinkeltje en het grote huis (7e druk). Dick Laan, met illustraties van Rein van Looy

[p. 83]



illustratie
De avonturen van Pinkeltje en zijn vriendjes. Dick Laan, met illustraties van Rein van Looy



illustratie
De avonturen van Pinkeltje en zijn vriendjes. Dick Laan, met illustraties van van Froukje van der Meer

staartje, Grijshuidje, Kraaloogje, Zilverdraadje, Goudhuidje en Zwartsnoetje vindt Pinkeltje in Pinkeltje en de flonkersteen (1957) een echtgenote. Pinkelotje is het toonbeeld van een volgzaam en zorgzaam vrouwtje. In Pinkeltje ontmoet Wolkewietje (1958) maken Pinkeltje en zijn vrouw een reis met een luchtballon en ontmoeten zij Wolkewietje en Donderkopje. Het grote avontuur van Pinkelotje (1967) brengt de Pinkeltjes naar Sprookjesland.



illustratie
Reclamefolder

In de ruim dertig jaar van hun bestaan groeit de stoet aan Pinkels en spelen de verhalen steeds minder vaak in het grote huis. Uitbreiding van achtergrond en soortgenoten was kennelijk nodig om de verhalenstroom op gang te houden, al beweerde Dick Laan in menig interview dat het schrijven en dan met name op kinderlijk niveau meer tijd vergde dan het bedenken ervan.

De Pinkeltje-verhalen worden aanvankelijk geprezen vanwege de aansluiting bij de kinderlijke verbeeldingswereld en de onuitputtelijke fantasie van Dick Laan. Men vindt de verhalen gezellig, opvoedkundig en leerzaam, maar in 1961 uit De Groene Amsterdammer enig ongenoegen: ‘onder ons gezegd vinden we het nou welletjes en moesten er maar geen Pinkeltjes meer bijkomen, al was het maar omdat de goede indrukken van het begin erdoor uitgewist dreigen te worden.’ In 1963 waarschuwt Miep Diekmann bij het dertiende deeltje Pinkeltje en de Parels voor het gevaar van verstarring: ‘De schrijver concentreert zich kennelijk meer op het vinden van steeds nieuwe situaties dan op het duidelijker omlijnen van de karakteristiek van zijn Pinkeltje-figuur.’ Andere recensenten maken bezwaar tegen de alom aanwezigheid van mijnheer Dick Laan in de verhalen en tegen zijn simpele stijl. Het aardige van het nieuwe is er inmiddels wel af. In 1971, ongeveer een jaar voor de aanval op het rolbevestigende karakter van Jip en Janneke van Annie M.G. Schmidt, verzet Sextant zich tegen de denigrerende behandeling van de ‘vrouwtjes’ door Dick Laan. Die gaan naamloos of als mevrouw door de wereld, ze zijn altijd bezig met het bakken van koekjes, het maken van pudding of borduren. Ze zetten kopjes koffie en verhogen de gezelligheid. Pinkelotje mag weliswaar mee naar de maan en krijgt ook de werking van de raket uitgelegd, maar is onderweg vooral nodig voor het smeren van de boterhammen en het spreiden van de bedjes. Dit protest van Woosje Wasser wordt door Rik Zaal afgedaan met een beroep op het sprookjesachtige karakter van de Pinkeltje-verhalen die juist voorzien in de behoefte aan veiligheid.

[p. 84]

Dick Laan zelf begrijpt geen snars van deze aanval op zijn kleine rijk. Het is nooit bij hem opgekomen dat een schrijver van kinderboeken geëngageerd aan de slag zou moeten gaan. Hij luistert naar deze kritieken als iemand die signalen uit een andere wereld opvangt, maar daar geen touw aan vast kan knopen. ‘Ze wisten zeker niet hoe ze dat blad vol moesten krijgen.’ Hij heeft zijn kleine helden nimmer een rol toebedeeld in de strijd om bestendiging of omverwerping van de gevestigde orde en koestert zich in de aanhoudende zonneschijn van zijn succes. Een mopje dat Carmiggelt ooit gehoord had, is hem daarbij tot troost: ‘“Bij ons op school vertellen ze van de hemel,” zei het ene meisje. Waarop een ander meisje antwoordde: ‘“en bij ons van Pinkeltje.”’

De realiteit is dat Pinkeltje inmiddels een geweldige roem heeft verworven. Kleuter- en peuterscholen worden naar dit pinkhoge mannetje vernoemd en zelfs een kindercircus waaraan Laan vervolgens een boek wijdt: Pinkeltje en het verdwenen kindercircus (1973). Nederland pinkelt met grammofoonplaten en schilderijen. Tot na zijn dood in 1973 verschijnen er negenentwintig bundels in een oplage van bijna drie miljoen exemplaren. Er zijn vertalingen in het Engels, Duits, Frans, Noors, Zweeds, Deens, Fins en IJslands.

Het pseudo-kaboutertje wordt de held of het slachtoffer van de eerste grote merchandising-golf in Nederland met placemats, slabbetjes, glazen, puzzels, prentbriefkaarten, cadeautjes, kleurwedstrijden, chocoladerepen en de eerste Sterreclame van het boekenvak (1968)! Dankzij de verfilming in 1978 door Harrie Geelen met een tekst van Imme Dros groeit Pinkeltje uit tot een nationale figuur.

Pinkeltje heeft verschillende illustratoren gekend. De oudste Pinkel is van Dokie van Amstel die in de tweede druk van 1948 vervangen werd door een creatie van E.M. ten Harmsen van der Beek. Froukje van der Meer tekende de kabouterfiguur in Pinkeltje en zijn vrienden en latere uitgaven hebben een Pinkeltje van Rein van Looy. Dat Laan niet altijd tevreden was over de illustraties van Van Looy blijkt uit een passage in Pinkeltje en het grote huis (1953). Pinkeltje komt mijnheer Dick Laan gedag zeggen. Hij is vrees'lijk boos, zo boos dat hij nooit meer wil vertellen. Hij is ontevreden over zijn portret.

‘“Vertel mij eens, Dick Laan, zie ik er zo uit als op die plaatjes in die boeken? Weet je wat dat zijn? - dat zijn kabouters met korte, dikke lijven en

illustratie
Pinkeltje. Corrie Hafkamp, naar een idee van Dick Laan, met illustraties van Dagmar Stam

[p. 85]

grote, malle hoofden en rare baarden, helemaal om hun hoofden heen. Nu, Dick Laan, zie ik er zo mal uit?”



illustratie
Filmposter voor de ‘Pinkeltje film’



illustratie
Aan de radio gekluisterd voor een hoorspel

Pinkeltje bleef boos, vlak voor mijnheer Dick Laan op de schrijftafel staan.

“Neen Pinkeltje,” zuchtte mijnheer Dick Laan, “neen, jij bent een lang, dun mannetje met een gewoon hoofdje en een net, wit baardje.”

“Maar waarom tekenen die malle tekenaars me dan aldoor verkeerd?” riep Pinkeltje.

“Ik denk,” zei mijnheer Dick Laan, “omdat die tekenaars je nog nooit echt hebben gezien.”

“Maar jij hebt me toch gezien,” zei Pinkeltje, nog aldoor erg boos, “en de eerste keer ben ik toch wel goed uitgetekend.”

“Ja, Pinkeltje,” zei mijnheer Dick Laan weer, “ik vind het ook niet leuk, maar de mijnheer, die de boekjes laat drukken, heeft me de tekeningen niet eerst laten zien.”’

Bijna twintig jaar later kan Dick Laan zich een beetje met zijn illustrator verzoenen. Hij schrijft in 1971 aan zijn uitgever: ‘ Pinkeltje en tien spannende verhalen ziet er veel beter uit dan ik gedacht had; ook de binnentekeningen. Komt ook wel doordat het papier iets beter is dan vroeger. Als ik het zo bekijk dan kan Van Looy het nog wel eens proberen, mits hij er voor zorgt dat zijn tekeningen niet te kriebelig en te onaf zijn, geen halve koppen en zo.’

De populariteit van het eigenwijze ventje is zo groot dat de uitgeverij in 1982 een nieuwe reeks uitgaven begint in een bewerking van Corrie Hafkamp met illustraties van Dagmar Stam. Zij had al originele Pinkeltje-verhalen van Dick Laan geïllustreerd voor de Libelle. Het worden kleine hanteerbare prentenboekjes waarin steeds één hoofdstuk is uitgewerkt. Door het gebruik van kleuren en door de tekentechniek ziet Pinkeltje er opnieuw anders uit. ‘Knus,’ zeggen de recensenten.

Corrie Hafkamp moet zich in haar bewerking uiteraard houden aan de ideeën en namen van Dick Laan, maar ook zij slaagt erin een eigen sfeer te creëren. De critici vinden haar teksten functioneler, natuurlijker, geëmancipeerder en beter voor te lezen dan die van Dick Laan. De stijl is verbeterd, de zinnen zijn korter en afwisselender van opbouw en het moraliserende ondertoontje is minder dominant. En daarmee lijkt Corrie Hafkamp Dick Laan in de schaduw te stellen.

De nieuwe media

Radio, film en stripverhaal hadden zich al voor de oorlog een plaatsje veroverd, maar na de oorlog krijgen ze zoveel invloed dat de samenleving zich zorgen gaat maken over de verderfelijkheid ervan.

Zo is het ‘Comité ter bestrijding van de slechte beeldromans’ (1949) een bezorgde reactie op de beeldromans en stripverhalen die de markt overspoelen. ‘De helden en heldinnen uit deze papierverknoeiingen bedrijven ongestraft de meest roekeloze waaghalzerijen, tellen een mensenleven voor niets en zijn voor de jeugd die deze lectuur verslindt, gewoonweg vergif van het ergste soort. Immers nog afgezien van de sensatie die Dick Bos, Bob Crack, Lex Brand, De Moker, De Kat of hoe de hoofdpersonen nog meer mogen heten, ter tafel brengen, moet de beeldroman of het stripboekje alleen al op grond van de manier waarop het is samengesteld naar de vuilnisbelt worden verwezen,’ schrijft een verontwaardigde onderwijsmedewerker in 1948 in De Volkskrant. Hij wijst op het gevaar dat de jongelui de gewelddadigheden uit de verhalen gaan naäpen. Zelfs als dat niet gebeurt ‘is de beeldroman puur vergif. Zij bederft de smaak en ingesteld als zij is op een verstandelijk peil van

[p. 86]

zeer dom om niet te spreken van min of meer achterlijk, kweekt zij lees-luiheid en oppervlakkigheid, waardoor het genieten van een goed boek wordt belemmerd.’



illustratie
Illustratie uit: De geschiedenis van Kris Kras (Den Haag, 1981, blz. 71). Peter van den Hoven

De geleidelijk toenemende welvaart en hoeveelheid vrije tijd dragen zeker bij tot de ‘boom’ aan stripbladen voor de jeugd: Robbedoes, Kuifje, Sjors van de rebellenclub, Ketelbinkie Krant, Robs Vrienden, Arend en Donald Duck. Annie M.G. Schmidt heeft er in Van schuitje varen tot Van Schendel (1954) zo haar bedenkingen over. ‘In de speeltuin circuleert een kinderblad. Het is een Walt Disney-achtig tijdschrift, dat hoofdzakelijk door strips wordt gevuld. Het is niet onzedelijk, het is niet verderfelijk, het is alleen maar lelijk. Afschuwelijk lelijk, het is smakeloos, en het is lorrig. Maar alle kinderen vliegen erop af, omdat het kleurig is en omdat het gek is. Ze moeten om de dierkarikaturen lachen, ze vinden het allemaal erg lollig. Ze gieren om de banale grapjes, want ze hebben nooit iets beters waar ze om lachen kunnen.

Ik kijk het prul even in en ik moet niet lachen. Ik moet huilen. Huilen omdat dit blaadje in een oplage van meer dan honderdduizend exemplaren verspreid wordt in ons land, terwijl er geen geld is voor een goed kinderblad. Deze kinderen zullen behalve het stripblad ook de strips in de krant bekijken. En de strips in het damesblad van hun moe. En verder niets. Ze gaan later naar de film, of kijken televisie en zien daar ook een soort strips, even smakeloos, even banaal, even harteloos, even cliché. Deze kinderen worden stripkinderen en later worden het stripmensen.’

 

De jaren vijftig zijn ook de bloeitijd voor de radio. De meeste gezinnen hebben nog geen televisie in huis en hoorspelen zijn de ‘talk of the town’. Dat geldt in sterke mate voor De familie Doorsnee (1952-1958) van Annie M.G. Schmidt waarvoor heel Nederland aan het bakelieten toestel gekluisterd zit. Het wordt eens in de veertien dagen uitgezonden en bereikt ondanks het mandement van de bisschoppen een populariteitspeil dat de nationale scheidslijnen doorbreekt. Vergaderingen worden ervoor verzet of onderbroken om samen te kunnen luisteren.

Paul Vlaanderen en Sprong in het heelal genieten grote bekendheid naast programma's met zang, muziek, spelletjes en sketches, de Bonte Avonden van de Vara of de Bonte Dinsdagavondtrein van de Avro. Zo'n zestig procent van de zendtijd wordt besteed aan ontwikkeling en verdieping. Iedere omroepzuil vanuit haar eigen levensovertuiging.

Een luisteronderzoek van 1954 signaleert een groeiend conflict tussen de generaties waarin het gezag van de ouders en de muzikale voorkeur van de kinderen botsen. Al zijn er heel wat speciale kinderprogramma's: Kleutertje Luister, 't Klokje van zeven uur en dus, Ome Keesje, Wigwam, open u of Mignon. Ook voor kinderen komen er hoorspelen. Soms vanuit bestaande boeken, zoals het geval is bij Pinkeltje van Dick Laan. Soms leiden de hoorspelen tot boekpublikaties, zoals de Saskia en Jeroen-verhalen van Jaap ter Haar. Zeker zes van zijn boeken zijn gebaseerd op de scripts voor radiohoorspelen. Ook de flaptekst van De wonderbaarlijke avonturen van Dorus Pikbroek en Arie Hakkepuf van P.H. Fruithof suggereert dat iedereen vast al geluisterd heeft naar de spannende hoorspelen van dit boek op de radio.

Paulus de Boskabouter van Jean Dulieu (Jan van Oort, 1921), dat vanaf 1946 als stripverhaal in Het Vrije Volk staat, is in de jaren vijftig op de radio te beluisteren. De verschillende stemmen die Dulieu allemaal zelf maakt, zijn zo karakteristiek dat ze menigeen nog in de oren klinken. Vrijwel meteen verschijnen zijn verhalen in boekvorm. Eerst bij De Arbeiderspers en later bij Ploegsma. In 1962 mag Dulieu een Edison in ontvangst nemen voor de grammofoonplaat Paulus is jarig en in 1967/1968 is er een marionettenfilm

illustratie
Midden in het grote bos staat een holle boom. Daarin woont Paulus de Boskabouter. 's Morgens als de zon opkomt, gaat hij al wandelen, want kabouters staan altijd heel vroeg op. [...] Vervelen doet Paulus zich nooit; er valt altijd wel wat te zien.
Uit: Paulus de Boskabouter. Tekst en illustraties van Jean Dulieu


[p. 87]



illustratie
Wie verre reizen doet, kan veel verhalen! ... Wel, de oude zeerob Dorus Pikbroek heeft veel gereisd in zijn lange leven. Maar... hij heeft een heel dikke duim, waaruit hij de meest fantastische verhalen weet te zuigen!



illustratie
In doodsangst gooiden de wilden hun speren weg en renden het duister van het oerwoud in.
 
Uit: De wonderbaarlijke avonturen van Dorus Pikbroek en Arie Hakkepuf. P.H. Fruithof, met illustraties van Rein van Looy




illustratie



illustratie
Paulus de Boskabouter. Tekst en illustraties van Jean Dulieu

[p. 88]



illustratie



illustratie
Paulus de Boskabouter. Tekst en foto's van Jean Dulieu

van zijn bosfiguren op de televisie. Van Holkema & Warendorf weet er de boekrechten van te verwerven. Tussen 1970 en 1978 publiceert Van Holkema & Warendorf vervolgens de originele dagstrips in boekvorm. ‘De moeilijkheid voor de auteur bij het samenstellen van deze en volgende deeltjes was, dat er in de loop van de tijd vele oude stripafleveringen verdwenen, dan wel “gebruikt” (verknipt voor illustratieve doeleinden) waren. Bovendien werd van hem verlangd dat het resterende materiaal tot verhalen van precies 100 afleveringen werd samengesteld.’

Sinds 1990 is Paulus in zijn originele vorm te bewonderen op de ‘oorboeken’ van uitgeverij I.C. Over wederzijdse kruisbestuiving gesproken!

 

Ook de bioscoop biedt na de oorlog de mogelijkheid om aan de grauwe alledaagse werkelijkheid te ontsnappen. Bioscoopjournaals brengen de wederopbouw in beeld en Hollywoodfilms presenteren big brother Amerika als een roze droomwereld. Het aantal bioscopen groeit vrij fors. In 1950 zijn er in de grote steden 484 bioscopen (tegenover 350 in 1939) en bereikt de verkoop van entreebiljetten een hoogtepunt. Maar de kinderfilm blijft voorlopig een onderontwikkeld genre. Zo wordt de verfilming van Dik Trom uit oogpunt van emancipatie van kind en kinderboek wel toegejuicht, maar men maakt zich grote zorgen over de vraag of de film wel pedagogisch verantwoord is.

Kinderen krijgen hun beeldmateriaal via het naoorlogse medium bij uitstek: de televisie. Na een korte vooroorlogse experimenteerfase hervat Philips de experimenten in 1948, zodat in 1951 de eerste uitzendingen de lucht in kunnen: tweemaal per week anderhalf uur. Zes jaar later heeft een op de tien Nederlandse gezinnen een televisietoestel; in 1962 een op de drie en in 1965 ruim de helft.

Aanvankelijk beschouwt men de televisie als een goede vorm van ontspanning die de huiselijkheid verhoogt. Men blijft ervoor thuis en kijkt samen. Maar spoedig worden de negatieve kanten gesignaleerd, vooral voor kinderen. De beeldbuis wordt een gevaarlijke indringer en begint het leven van kinderen te beheersen! ‘Wij hadden alles in de hand. Wij, ouderen, bepaalden wat onze kinderen te zien of te horen kregen. Dat is afgelopen. De tv is gekomen en doet maar.’ Op woensdagmiddagen zijn er kinderpartijtjes waar vriendjes, vriendinnetjes en buurtgenootjes naar de televisie mogen komen

[p. 89]



illustratie
Hokus Pokus, dat kan ik ook. Adrie van Oorschot en Han Bentz van den Berg, met een voorwoord van Tante Hannie

kijken. Tante Hannie, de omroepster die bij elke kinderuitzending de jeugdige kijkers met vriendelijke lach toezwaait, wordt het symbool van de nieuwe kindercultuur.

Uiteraard springt de boekenwereld daarop in. De ‘Hokus Pokus’-uitzendingen van Adrie van Oorschot die Tommy Verstoep leert toveren, opgeluisterd door het Koppie, Koppie van Liang verschijnen in boekvorm bij Van Holkema & Warendorf. ‘Tante Hannie’ schrijft er een aanbeveling bij!

Net als bij de radio scoren de televisiespelen van Annie M.G. Schmidt, Pension Hommeles (1957-1959) en Ja zuster, nee zuster (1966-1968) onder regie van Henk Barnard een hoge kijkdichtheid. Het laatste programma is weliswaar voor kinderen bedoeld maar wordt door groot en klein bekeken. ‘Het moet nu maar eens gezegd worden,’ schrijft Nico Scheepmaker in Vrij Nederland. ‘Ja, zuster, Nee zuster, is de beste Nederlandse serie van het ogenblik, ongeacht wie er naar kijkt, kind, kraai of volwassene. Wat is het geheim ervan? Kwaliteit!’



illustratie
Scène uit Ja zuster, nee zuster

Uitgeverij Van Holkema & Warendorf reageert met haar beleid op het aanbod vanuit de nieuwe media, maar profiteert ook van de groeiende belangstelling voor lezen. Een aanwijzing voor dat laatste is de aanwas aan bibliotheken en uitleningen. In 1950 zijn er 153 bibliotheken die 8.396.000 uitleningen per jaar registreren. Twintig jaar later is het aantal vestigingen bijna vijf keer zo groot (724) en worden bijna zeven keer zoveel boeken uitgeleend (58.681.000).

 

Het eerste naoorlogse congres dat zich over kinderen en lezen buigt, Boek en Jeugd 1951, noemt goede jeugdboeken een belangrijk middel in de strijd tegen de vervlakking. De oprichting van een ‘verantwoord’ kindertijdschrift als Kris Kras (1954) is onder andere bedoeld om die vervlakking tegen te gaan. Het tijdschrift wordt alom geprezen en een keur van gewaardeerde kinderauteurs werkt er aan mee. De ‘Kris Kras Keuzezegel’, uitgegeven in samenwerking met de CPNB, is niet alleen een keurmerk voor kwaliteit, maar ook bedoeld om uitgevers te stimuleren en ondersteunen. Als Het paard zonder hoofd van Paul Berna in 1959 met zo'n keuzezegel wordt onderscheiden, dan reageert Van Holkema & Warendorf met een schrijven waarin boekhandelaren de kans geboden wordt boek en zegel voordelig te bestellen.

[p. 90]

Met name het ‘Kinder- en Jeugdboekencongres’ in Delft (1963) houdt zich bezig met de vraag hoe de jeugd bereikt kan worden. Samenwerking tussen alle geledingen: ouders, onderwijzers, leraren en jeugdleiders, bibliotheken, universiteiten en boekhandels is daarvoor absoluut noodzakelijk. ‘Alle middelen die het critisch onderscheidingsvermogen van bij het jeugdboek betrokkenen kunnen scherpen, dienen aangewend te worden. Menings- en smaakvorming door middel van het geschreven woord, de voordracht in een zaal, voor de radio of televisie, het medium film als middel om lezen en leeszaalbezoek te bevorderen.’



illustratie
Illustratie uit: De kwadratuur van de kwattareep (Amsterdam, 1990, blz. 157). Jan Blokker

Op dat congres staat het rapport ‘Kinderen en boeken’ ter discussie, waarin werd aangetoond dat de meeste kinderen - indien zij al lezen - de voorkeur geven aan populair leesvoer. Dat ontlokt aan Marie Schmitz, recensent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, de forse maar nuchtere uitspraak: ‘Dat het kind van nature een afgrijselijk slechte smaak heeft op elk gebied en vaak het klungelig geschreven boek dat hem door 't een of ander geboeid heeft, boven het veel betere prefereert, mag voor een schrijver geen reden zijn aan die smaak toe te geven.’

De aanbevelingen van het ‘Kinder- en Jeugdboekencongres’ geen enkele vorm van menings- of smaakvorming te schuwen zijn voor Van Holkema & Warendorf een stimulans tot het experimenteren met televisiereclame. ‘Als eerste uitgever van boeken in Nederland hebben wij besloten Ster-Televisiereclame te maken voor één van onze grootste merkartikelen, te weten de Pinkeltje-serie van Dick Laan. Deze kinderboeken-serie, die al jaren tot de best verkochte behoort, blijft in verkoop met ongeveer 25% per jaar stijgen. Wij hebben dan ook gemeend, dat juist deze serie bij uitstek voor dit experiment in aanmerking komt. Onze verwachting is hooggespannen! Uw steun in de vorm van extra etaleren en het ophangen van het raambiljet in kleuren dat U binnenkort zult ontvangen zal deze Pinkeltje-actie ongetwijfeld doen slagen...

Marten Toonder Studio maakte hiervoor een tekenfilmpje van 15 seconden. Het ligt zeker in de bedoeling deze “commercial” geregeld te herhalen.

Het grote publiek krijgt steeds meer belangstelling voor boeken, maar kan nog moeilijk zijn keuze bepalen. Het is met het oog op deze keuzebepaling dat wij menen dat bekende series sterker dan voorheen onder de aandacht gebracht moeten worden.

Slaat U de brug tussen Pinkeltje en de nieuwe kopers? Maak hen erop attent dat de Pinkeltjes bij U verkrijgbaar zijn!’ aldus directeur C.A.J van Dishoeck in een persoonlijk schrijven aan de boekhandel.

Blijkbaar is het experiment een commercieel succes, want in 1973 krijgt Pinkeltje in de Sterreclame gezelschap van Lotje van Jaap ter Haar.

 

Zoals te verwachten valt, is niet iedereen enthousiast over de nieuwe technische mogelijkheden. Net zoals minister Ruys de Beerenbrouck voor de oorlog bezorgde geluiden had laten horen over de radio: ‘De radio treedt den huiselijken kring als het ware onverhoeds binnen: voor men het heeft kunnen verhinderen kan reeds veel onheil zijn gesticht,’ ontwikkelen zich nu discussies over het gevaar van de televisie. Mogen kinderen wel kijken? Hoe lang en hoe vaak, en hoe oud moeten ze daarvoor zijn? Is de televisie niet de vijand van het lezen? Vragen die dertig jaar later vanuit een licht gewijzigde invalshoek - het gaat dan meestal over geweld op de televisie - onverminderd fel gesteld worden.

Maar dan is de televisie al volledig ingeburgerd en bedenken uitgevers nieuwe wapens in de strijd om de gunst van de lezers. Pinkeltje bij voorbeeld figureert in een diaserie aan de hand waarvan voorgelezen kan worden. Er ko-

[p. 91]

men fotoboeken van televisie-uitzendingen, videofilms van boeken en cassetteboeken waarop de auteur bij voorkeur zelf voorleest. In de jaren negentig scoort een optreden in een televisiepraatprogramma hoger dan welke advertentie of recensie ook. Met als navrant gevolg dat de public-relationsafdeling van de uitgeverij steeds belangrijker wordt.

Van hoorspel tot boek

Jaap ter Haar (1922) sluit met zijn werk en opvattingen aan op de veranderingen tussen 1950 en 1970, een periode waarin de jeugdliteratuur zich ontwikkelt van randverschijnsel en opvoedkundig middel tot een meer en meer volwaardig literair verschijnsel. Wat begint als een schnabbel, het schrijven van een paar kinderverhalen en een hoorspel voor de NCRV, eindigt in het full time schrijven voor kinderen, een omvangrijk oeuvre en vele bekroningen.



illustratie
Jaap ter Haar

Jarenlang voorziet Jaap ter Haar de radio van hoorspelmateriaal. Inhoudelijk sluiten zijn verhalen aan bij de maatschappelijke tendensen. Zijn op de realiteit gebaseerde verhalen stijgen uit boven de flauwe kabouterfantasieën van vlak na de oorlog en passen bij het ethische elan waarvan An Rutgers van der Loeff de grote voortrekker was. Hij is veelzijdig, schrijft voor kleine èn grote kinderen, voor radio èn televisie, en brengt het historische jeugdboek op een ander plan.

Dat zijn moeder vroeger vaak voorlas ziet Ter Haar indirect als een van de belangrijke bronnen voor zijn schrijverschap. ‘Moeder kon ons avonden lang bezig houden met voorlezen uit haar dagboeken.’ Kruimeltje was een van de mooiste kinderboeken uit zijn jeugd. ‘Daar heb ik bij gejankt en daar heb ik mijn sociaal gevoel aan te danken.’ Maar ook sportbeoefening, creativiteit, cabaretuitvoeringen, muziekrepetities, debatingavonden en vriendschappen staan in zijn jongensjaren hoog genoteerd. Met enige moeite doorloopt hij de middelbare school. In mei 1940 haalt hij zijn HBS-diploma, maar het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog maakt de toekomst onzeker. Net als zijn vrienden duikt Jaap ter Haar onder en probeert hij naar Engeland te gaan. Dat lukt niet. Hij komt in Frankrijk terecht, zwerft een paar maanden in het Bois de Rambouilly rond, helpt neergeschoten piloten, doet nog een beetje mee met de Maquis, maar keert in 1944 terug naar Nederland omdat de bevrijding in zicht is. Na de oorlog meldt hij zich aan bij de mariniers om zijn bijdrage te leveren aan het bevrijden van het Verre Oosten. Na een opleiding in Amerika wordt hij oorlogscorrespondent bij de le mariniersbrigade en komt hij in Indonesië, waar hij wordt geconfronteerd met de waanzin van de oorlog. Om medische redenen - hij rijdt op een mijn en moet een nieroperatie ondergaan - wordt hij afgekeurd en krijgt hij in 1947 een positie bij de Wereldomroep Radio Nederland. Het salaris daar levert hem geen vetpot op, evenmin als de verhalen die hij ‘voor de lol’ schrijft, terwijl de vier kinderen die hij en zijn vrouw in korte tijd hebben gekregen, heel wat nodig hebben. Op advies van zijn baas stuurt hij dan een paar verhalen, over hun bloedeigen tweeling, naar de NCRV. ‘Op de radio hadden ze toen wel elfjes en beren en kabouters, maar gewone kinderen uit een Hollands gezin waren schaars. Het antwoord was: schrijf maar een serie voor een jaar. Dat waren veertig afleveringen!’ Vanaf dat moment (1953) zijn de Saskia en Jeroen-verhalen elke maandag om kwart over vijf te beluisteren. De ondernemende tweeling wordt zo beroemd dat een gewoon schoolleven en gewone vriendschap daaronder dreigen te lijden. Dat gaat vader Ter Haar te ver en dus beëindigt hij na honderdtwintig afleveringen de serie en publiceert ze vervolgens in boekvorm.

[p. 92]



illustratie
Saskia en Jeroen domme dingen (8e druk). Jaap ter Haar, met illustraties van Rein van Looy



illustratie
Saskia en Jeroen domme dingen (15e druk). Jaap ter Haar, met illustraties van Rien Poortvliet



illustratie
Saskia en Jeroen domme dingen (geheel herziene druk). Jaap ter Haar, met illustraties van Charlotte Dematons

[p. 93]



illustratie
Eelke bij de dertien beuken. Jaap ter Haar, met illustraties van John Brinkworth



illustratie
Eelke bij de dertien beuken (3e druk). Jaap ter Haar, met illustraties van Rien Poortvliet



illustratie
Eelke van de boswachter (geheel herziene druk). Jaap ter Haar, met illustraties van Alex de Wolf

[p. 94]

Het geheim van het succes van Saskia en Jeroen schuilt in de herkenbaarheid van de twee kinderen. ‘Hij heeft twee kleutertjes gecreëerd die een plezierig voorkomen en een blijmoedig hart hebben, en die in de onmiddellijke omgeving van hun ouderlijk huis allerlei avontuurtjes beleven die jeugdige lezers - door de treffende analogie met hun eigen bestaantje - moeten boeien... Een tweede gelukkige omstandigheid is dat die verwikkelingen nergens synoniem zijn aan het klassieke “kattekwaad” waardoor al zoveel kinderboeken te geforceerd zijn geworden. De belevenissen van het tweetal komen n.l. bijna alle voort uit hun verschrikkelijk goede wil. Zij willen steeds iedereen helpen, verrassen of een plezier doen, doch door de begrijpelijke discrepantie tussen gedachte en daad ontstaan er tal van moeilijke situaties...’

Jeroen bedenkt doorgaans de plannetjes en Saskia volgt hem vanuit een moederlijke bezorgdheid. Beiden leven in een volstrekt eigen wereldje waarin ze elkaar voortdurend nodig hebben. Hun dialogen zijn uiterst realistisch en dat is logisch, want tijdens het schrijven eraan zit Jaap ter Haar letterlijk tussen zijn hoofdfiguren.

Toch moet Jaap ter Haar elf uitgevers langs voordat Van Holkema & Warendorf ‘ja’ zegt en de eerste Saskia en Jeroen in 1955 gepubliceerd kan worden. Margreet Bruijn noemt in een recensie in het Algemeen Handelsblad de vertellinkjes over twee gezellige kleuters beslist wel aardig maar als boek niet aanvaardbaar. ‘Het mist een intrige. Er loopt geen draad door het verhaal. Mocht deze vader dus door willen gaan met zijn verhaaltjes op te schrijven, dan willen we hem aanraden eens te proberen een echt samenhangend geheel op te bouwen en zich niet alleen met de activiteiten van zijn peuters bezig te houden, doch ook eens wat dieper in hun wezen door te dringen.’

Het publiek denkt daar kennelijk anders over, want er verschijnen maar liefst tien delen. Eerst met illustraties van Rein van Looy, later met tekeningen van Rien Poortvliet. Op beide verbeeldingen is kritiek. ‘De illustraties van Rien Poortvliet bij Saskia en Jeroen betekenen een vooruitgang vergeleken met de tekeningen van eerdere drukken van Rein van Looy. Die heeft kennelijk de tekst niet nauwkeurig gelezen, want zijn “schets” van een vrijwel identieke tweeling is niet in overeenstemming met de beschrijving door Jaap ter Haar in het eerste hoofdstuk. Ook Rien Poortvliet maakt zich schuldig aan onzorgvuldig lezen, zij het dat het details van minder belang zijn. Terwijl Rein van Looy Saskia en Jeroen te weinig persoonlijkheid geeft, heeft Rien Poortvliet iets te veel vastgelegd.’ De herschreven versies uit de jaren tachtig worden van plaatjes voorzien door Charlotte Dematons.

 

Een nieuwe bron voor hoorspelverhalen vindt Jaap ter Haar al gauw in de zoon van hoorspelregisseur Wim Pauw en diens gebabbel met een eend. In de Ernstjan en Snabbeltje-reeks is de innige vriendschap tussen een jongetje en zijn eend het uitgangspunt. Samen beleven ze allerlei avonturen waarbij de eend kwakend antwoordt op alle vragen en onzekerheden van Ernstjan. Ook deze verhaaltjes verschijnen in boekvorm, negen delen!, en eindigen als Ernstjan naar school gaat. Bij een herdruk in 1981 is er veel kritiek op het populaire taalgebruik en de niet overtuigende ‘vermenselijking’ van de eend.

Een derde hoorspelserie is gewijd aan Tuffy, (vijf delen 1961-1962), een minuscuul klein radio- en televisiemannetje dat voor alle uitzendingen moet zorgen. Hij is zo klein dat je hem alleen door een vergrootglas kunt zien en alleen via een apparaatje met hem kan communiceren. Tuffy reist razendsnel over de wereldbol om overal te helpen en lijkt in zijn optreden wel een beetje op Pinkeltje. De kritiek is met de uitgave in boekvorm niet zo gelukkig. ‘De afgeronde hoorspel-scènes zijn achter elkaar gezet, zonder onderling verband. En dat is precies de fout van het boek: wat het als hoorspel doet, bevre-

[p. 95]



illustratie
Ernstjan en Snabbeltje aan de wandel (2e druk). Jaap ter Haar, met illustraties van Rein van Looy

digt lang niet altijd als geschreven verhaal. Het is jammer dat de schrijver het niet wat omgewerkt heeft, want kinderen die het hoorden, zullen het ook wel willen lezen. En zoals het nu is, kan het alleen maar tegenvallen. Ook taal en stijl zijn niet erg geslaagd te noemen. Het boekje kan geen kwaad, maar echt leuk is het niet.’ Men vindt Tuffy in vergelijking met zijn voorgangers van vlees en bloed, niet geslaagd en slaat de realistische vertelcapaciteiten van Jaap ter Haar hoger aan dan zijn fantastische. De Tuffy-verhalen zijn dan ook nooit herdrukt of herzien.



illustratie
Ernstjan en Snabbeltje (geheel herziene druk). Jaap ter Haar, met illustraties van Jaap Nieuwenhuis

Van de hoorspelverhalen rond Eelke wiens vader boswachter is en Lotje die in de dierentuin woont, verschijnen respectievelijk negen delen (1963-1965) en twaalf delen (1966-1968). Als Eelke in 1989 herdrukt wordt met illustraties van Alex de Wolf beveelt het Reformatorische Dagblad ze aan voor lezertjes van zes tot acht jaar, omdat ‘de verhalen afkomstig zijn van de man wiens liefste wens het ooit geweest is dominee te worden’.

Van Lotje worden meer dan een miljoen exemplaren verkocht. De critici

illustratie
Daar komt Tuffy. Jaap ter Haar, met illustraties van Rein van Looy

[p. 96]



illustratie
Lotje krijgt nieuwe vrienden. Jaap ter Haar, met illustraties van Rien Poortvliet

prijzen de frisheid en de herkenbaarheid in deze verhaaltjes. Henk Kneepkens maakt de illustraties in de herdruk van Lotje en wordt geprezen om de onbevangen wijze waarop hij de dieren portretteert. Gertie Evenhuis looft in Trouw (1982) de rijkdom aan informatie over de dierenwereld. Lotje is ten slotte zelfs aanleiding voor een kindermusical en een langspeelplaat.



illustratie
Lotje in de dierentuin (geheel herziene druk). Jaap ter Haar, met illustraties van Henk Kneepkens

Na het succes van Saskia en Jeroen wijdt Jaap ter Haar zich volledig aan het schrijven. Zijn kinderen zijn inmiddels wat ouder en bieden inspiratie voor hoorspelen als Tom Boerhaven en De zes Falken. Beide series, respectievelijk gepubliceerd in twee (1957-1957) en drie delen (1963-1966), worden geprezen èn bekritiseerd om hun avontuurlijke karakter. Men veronderstelt dat jongens de belevenissen van Tom Boerhaven wel aardig en spannend zullen vinden, maar vindt ze tevens een te gevaarlijke prikkel. De krankzinnige dingen die de familie Falken beleeft, worden vooral amusant als er enige afstand is ontstaan tussen jeugdige personen en hun ouders. Noodweer op de Weisshorn! (1957) is het eerste jeugdboek waaraan geen hoorspelscenario ten grondslag ligt. Het wordt in 1959 door de kinderjury van Rotterdam bekroond. Met scenario's voor de televisie, De man met de poppenkast (1963) en Het Raam (1967), heeft Ter Haar minder succes.

 

Een tweede belangrijke bijdrage van Jaap ter Haar aan de jeugdliteratuur betreft zijn historische jeugdverhalen. Indirect zijn deze te danken aan de toenmalige directeur van Van Holkema & Warendorf, Kees van Dishoeck. Hij was het die de auteur aanzette tot een nieuwe aanpak. Voor de serie ‘Geschiedenis en cultuur voor jonge mensen’ had hij behoefte aan een aflevering over Amerika, maar de expert die hij daarvoor had aangezocht, had iets onleesbaars geleverd. En dus moest Jaap ter Haar het maar doen. ‘Jij weet er helemaal niks van, jij moet er over lezen, maar schrijf het dan fris van de lever.’

Om zijn uitgever te bewijzen dat zoiets onmogelijk is, schrijft Ter Haar één hoofdstuk. En raakt daarmee verslingerd aan het genre. ‘Toen bleek me dat wat je niet kan, eigenlijk je kracht is. Omdat het een uitdaging is. Ik wist weinig van economie, politiek en sociale toestanden af, en dan kom je uit op de laatste millimeter van de meter mogelijkheden: ik wist wat van mensen. Ik kan me verplaatsen in mensen die naar Amerika gaan, die de trek naar het Westen beginnen, moeilijkheden met Indianen krijgen enz. Dus vanuit dat

[p. 97]



illustratie
Noodweer op de Weisshorn!. Jaap ter Haar, met illustraties van C. van Wijk



illustratie
Noodweer op de Weisshorn! (herdruk in de serie Juniorpockets). Jaap ter Haar, met illustraties van Rien Poortvliet

menselijke hoekje heb ik de zaak benaderd. Feiten en jaartallen liggen vast, nou en dan kun je best bedenken hoe een boer zich voelt als er bepaalde maatregelen worden genomen door een overheid, of hoe een soldaat zich voelt als er na één veldslag, in één uur 40.000 doden vallen. De roes, de ontzetting, de shock, daar kun je je in verplaatsen.’ En dat is belangrijk, vindt hij, ‘want wie in het heden leeft en het verleden niet kent, zweeft gevaarlijk doelloos naar de toekomst’.

De door Jaap ter Haar gehanteerde werkwijze lijkt enigszins op die van An Rutgers van der Loeff voor boeken als De kinderkaravaan (1949) en Amerika, Pioniers en hun kleinzoons (1952), maar het resultaat is feitelijker. En dat ondanks de ingelaste leesteksten waarin beroemde verhaalfiguren sprekend worden opgevoerd. Na De Geschiedenis van Noord-Amerika (1959), waarvoor hem in 1969 een Amerikaanse reisbeurs èn de Deutscher Jugendbuchpreis worden toegekend, volgen respectievelijk De geschiedenis van de Franse Revolutie (1961), De geschiedenis van het Romeinse Keizerrijk (1961, samen met K. Sprey), De geschiedenis van Koning Arthur en de ridders van de Ronde Tafel (1962) en De geschiedenis van Napoleon (1963). In 1964 krijgt Ter Haar voor deze serie de ‘Boekenmarktprijs’ van De Bijenkorf. De jury prijst zijn ‘vakmanschap, grote activiteit, kennis van en warme liefde voor de jeugd en de natuur, werkelijkheidszin en de gave bekende stof zo te bewerken dat de atmosfeer uit vroeger tijden bewaard blijft en de jonge lezer tegelijkertijd contact krijgt met de mens van alle tijden’.

Het laatste deel, De geschiedenis van Rusland, volgt in 1965 en wordt enigszins bekritiseerd om de doorgaans geapprecieerde maar nu toch te levendige

[p. 98]

verteltrant. Vlak voor het voltooien van het manuscript is hij samen met zijn uitgever naar Rusland gereisd voor een bezoek aan een schrijverscongres. De ervaringen daar zijn als individuele notities en korte adempauzes door de overstelpende hoeveelheid materiaal heen gevlochten. Miep Diekmann is enthousiast over de wijze waarop jonge mensen via dit boek met de Russen en hun geschiedenis worden geconfronteerd; de verdeeldheid onder de volkeren in een zo onvoorstelbaar onmetelijk gebied, de passages over het bewust kiezen van een godsdienst, de achtergronden van Lenins opkomst en invloed in latere jaren, maar ook de informatie over de huidige Russische politiek.

Op de begraafplaats van Peskaryowskoye waar de bijna 700.000 mannen, vrouwen en kinderen rusten die Leningrads beleg niet overleefden, ontmoet Jaap ter Haar Boris Makarenko. De verhalen van deze auteur inspireren hem tot Boris (1966). Daarin beschrijft hij op ontroerende wijze de ervaringen van twee kinderen gedurende het negenhonderd dagen durende beleg van Leningrad. Samen proberen ze de honger en de dood te bestrijden door in het niemandsland tussen de Russische en Duitse linies aardappelen te halen die op een akker waren ingekuild. Boris' vader is omgekomen bij een nachtelijk voedseltransport over het bevroren Ladoga-meer, zijn moeder is ernstig ziek. Nadja, zijn vriendinnetje, woont alleen in het huisje waar haar vader, broer en moeder de dood hebben gevonden. Om haar ellende te bezweren, schrijft zij dagelijks in een blauw schriftje.



illustratie



illustratie
Het zou vreselijk zijn, als wij in het beestachtig bedrijf van de oorlog alle menselijkheid verloren!
 
Uit: Boris (13e druk). Jaap ter Haar, met illustraties van Rien Poortvliet


‘Lief dagboek. Ik ben bang. Van m'n enkels tot mijn haren. Alleen mijn voeten zijn dapper. Die lopen maar voort, overal naar toe. Ik mag jou toch wel vertellen, hoe laf ik ben? Vandaag kwam de grote wagen Iwans moeder en de kleine Ninan halen en ook Vera Polowa, die eergisteren al gestorven is. Ik durfde niet te kijken. Ik moet nog leren dapper te sterven, al zou ik liever prettig willen leven.

Zou iemand wel weten waarvoor hij leeft? Hier in Leningrad weet iedereen wel, waarvoor hij vecht, honger lijdt, sterft; voor de vrijheid. Maar je leeft toch niet voor de vrijheid alleen?

Gek dat je niet weet waarvoor je leeft en wel waarvoor je sterft. Ik zou filmster willen worden om de mensen vrolijk en gelukkig te maken. Ik denk

[p. 99]

niet, dat ik het ooit zal worden. Wie zou willen kijken naar zo'n smal, sprieterig kind als ik?

Het regent al de hele dag. De hemel huilt, maar in Leningrad zijn geen tranen meer. Iedereen is zo verschrikkelijk dapper. Het is ellendig dat ik zo laf ben. De kok van de gaarkeuken was in een klap zijn gezin kwijt. Toch stond hij vanmorgen weer eten uit te delen. Gelukkig zei niemand deze keer, dat de soep te waterig was.’

Een paar weken later vindt Boris zijn vriendinnetje dood achter haar blauwe schriftje. De laatste bladzijde daarin luidt: ‘Lief dagboek. Ik ben te moe om je alles te vertellen. Het is niet moeilijk om te sterven, al was het prettig te leven. Zou het met een “knak” gaan? Ik hoop dat Boris blijft leven. Het wordt lichter, steeds lichter... Er loopt een weg door de dansende sneeuwvlokken. Miljoenen sneeuwvlokken, die allemaal een gezicht hebben... Vader, moeder, Serjozja. Dagboek, ik ben niet bang meer. Ik zou nu willen...’

Het boek wordt door de kritiek zeer positief ontvangen. Samen met Kinderverhalen van Paul Biegel en De Zevensprong van Tonke Dragt dingt het naar de bekroning van de CPNB. Helaas slaagt de jury er niet in overeenstemming te bereiken zodat er in 1967 officieel geen ‘Kinderboek van het Jaar’ is. Dat gaat een aantal critici van kinderboeken te ver. Die steken de hoofden bij elkaar en roepen langs informele weg Boris uit tot ‘Kinderboek van het Jaar’. Als dan ook de schooljeugd van Rotterdam tot een zelfde beslissing komt, voelt Jaap ter Haar zich dubbel vereerd.

 

Het magnum opus van Ter Haar is Geschiedenis van de Lage Landen in vier delen (1970-1971). Bijna vijf jaar lang werkt hij er vierentwintig uur per dag aan. ‘Ik heb die tijd in volstrekte eenzaamheid geleefd. De tandarts zag ik niet meer en de kapper ook niet. De vijfjarige periode van het schrijven vond ik echt een fantastisch avontuur.’

Alhoewel het resultaat niet door iedereen wetenschappelijk en boeiend genoeg gevonden wordt - er is nogal wat kritiek op de vrijheden die hij zich als verteller veroorlooft - ontvangt hij er in 1972 de Nienke van Hichtumprijs voor. De jury is enthousiast over het feit dat zo'n immens breed onderwerp, de geschiedenis der Nederlanden van prehistorie tot provo, binnen vier delen helder en overzichtelijk vorm heeft gekregen en daarbij niet verzandde in mythologieën van nationalistische of negativistische aard. De jury prijst ook de stilistische en vertellende kracht die de aandacht van de lezer voortdurend gevangen houdt.

Maar het vijf jaar intensief werken aan deze geschiedschrijving is Ter Haar niet in de kouwe kleren gaan zitten. Het schrijven wil niet meer zo. Hij stort zich nog op het emotionele verhaal van een visueel gehandicapte jongen Het wereldje van Beer Ligthart (1973), maar krijgt behalve lof ook veel kritiek.



illustratie
‘O, God, ik ben blind geworden,’ fluisterde Beer geschokt en even wist hij niet, waar hij met zichzelf moest blijven. [...] ‘Al zie ik hen niet, hun stemmen gaan dwars door me heen en dan voel ik hoe ze zijn. In iedere stem trilt altijd wel een stukje van de ziel!’
Uit: Het wereldje van Beer Ligthart. Jaap ter Haar, met illustraties van Rien Poortvliet


Het idee voor dit boek ontleent hij deels aan eigen ervaringen dat mensen zich gauwer laten beïnvloeden door wat ze zien dan door rationele afwegingen en deels aan een artikel over de visuele manier van leven in een Amerikaans tijdschrift. De uitgeefster vindt het boek aanvankelijk wat kinderachtig en moraliserend. ‘Ik moest haar eigenlijk wel gelijk geven. Toch kon ik er niets aan veranderen. Zo kinderachtig ben ik. En het is wel ethisch, maar zo ethisch ben ik. En het is wel lullig, maar zo lullig ben ik.’

Juist omdat het zielig en ontroerend, realistisch, spannend, griezelig en komisch is en inzicht biedt in een andere wereld, krijgt het in 1974 de Gouden Griffel. Maar Kees Fens valt in De Volkskrant uit tegen het vlakke taalgebruik vol clichés. Hij vindt het verhaal te rechtlijnig en het verloop voorspelbaar. De personages zijn meer typen dan levende personen en het resultaat is een verschrikkelijke hoop sentiment. Met dit artikel doet hij een aanval op

[p. 100]

het peil van de Nederlandse kinder- en jeugdliteratuur die niet zonder gevolgen zal blijven.

Hoewel Jaap ter Haar altijd ontkend heeft dat hij zich die afbrekende kritiek aantrok, valt ze wel samen met het einde van zijn schrijfcarrière. Hij zelf ziet vooral het wegvallen van het spanningsveld na het beëindigen van de ‘Lage Landen’ als oorzaak. ‘Als je die hele tocht door de geschiedenis hebt gemaakt met alle idealen en hoop maar ook het janken en het leed op de slagvelden en in de concentratiekampen hebt meebeleefd, kun je niet ineens een verhaaltje gaan verzinnen.’ Het lukt domweg niet meer en dan adviseert zijn uitgever hem maar eens een jaar te stoppen.

In dat jaar ontdekt hij hoe heerlijk het is om met je handen te werken. Timmeren, verven en vooral schilderen. ‘Op zekere dag had ik een hoekkastje met een ronde wc-deur uit de Jordaan dat iemand weggeflikkerd had. Toen dat klaar was dacht ik: Daar hoort eigenlijk zo'n paneeltje op, zoals de boeren dat deden met rozen of een stomme bomenrij. Toen ik daarmee bezig was, dacht ik “Wat is dit een heerlijk werk! Daat ga ik mee door.” Nou, daarna volgden acht maanden van ellende. Iedereen lachte me uit en vroeg. Is dat een boot of een kameel. Maar ik heb het echt dag en nacht volgehouden en toen kwam er toch een dag waarop ik dacht “halleluja, ik ben van nul naar 1 gekomen. Er is iets gebeurd. Het is niet niets meer.”’

Die ervaring is uitgegroeid tot een bestaan als schilder van naïeve schilderijtjes, waarin sommige mensen iets van Anton Pieck herkennen. De pen is voorgoed verruild voor het penseel.

terug  begin  verder