|
|
|
| |
| | | |
Hoofts Henrik de Gróte: een neostoïsche
vorstenspiegel
H. Duits
Midden onder alzulcke triomphen stondt de koning vry van
schulden, ryck van schatten, zyne schuuren vol geschuts ende allerlei voorraads
van óórlógh, in volle kraft zyner moghenheidt, met dat
geweldighe heir reedt om te treffen daar hy dreighde, gevreest van vijanden,
ontsien van oproerighen, geviert van vrienden en bondtghenóten, ende
niet alleen geducht door Christendom, maar van den ondergang tót den
opgang der zonne; in voeghe dat Turck ende Persiaan nae zyn' geliefte [wensen]
luisterden, ende alle vórsten der wereldt in tucht gehóuden
werden door den schrick van zynen naam, ende achtbaarheidt zyner wapenen. Hy
blanck van glori strydender handt verovert, ende gehaalt uyt den brandt der
gevaarlyckheden, voorspoedigh van verstandt, van gezontheidt, van huwelyck,
ende twaalf levendighe kinderen, zó wettighe als natuurlycke, daar hy
nóit ramp óft steurnis onder ontstaan zagh, nócht tusschen
henlieden, nócht teghens zynen persoon [229].
1
Zo luidt Hoofts beschrijving van Hendrik IV op het toppunt van
zijn macht, in het voorjaar van 1610, na de kroning van de koningin, Maria de
Medici, en aan de vooravond van zijn vertrek naar het leger, waarmee hij een
militaire oplossing van de Gulikse crisis wilde afdwingen.
2
Hooft, die graag werkt met scherpe
contrasten in het lopend verhaal, gebruikt deze compacte descriptie om de
omslag in het verhaal in te leiden:
In deze geluckzaligheidt van welgestelt ryck ende bloeijendt
huis, scheen 't dat schielyck het lót begost te walghen door de
zaadzaamheidt [verzadiging] van zó veel opghehóópte
genaden: óft veel eer, dat de gódtlycke voorzienigheidt hem, met
eenen veegh, hebbe willen lichten van onder de handen der fortuine, om met geen
weersmaack van haar omghekeerde gunste zó gróte zegheningen te
bezoedelen [229].
Met deze passage luidt de auteur echter niet alleen de omslag in
Hendriks leven in, hij laat daarin ook zijn eigen opvattingen doorschemeren die
hem doen | | | | kennen als een aanhanger van het neostoïcisme. Hij
suggereert dat God, op het moment dat de fortuin zich van Hendrik begon af te
wenden, persoonlijk ingreep om Hendrik aan het noodlot te onttrekken en
daardoor een smadelijke neergang te besparen. Ook aan het begin van Hendriks
levensbeschrijving had zijn biograaf al duidelijk gemaakt dat de goddelijke
providentia over het prinsje uit Béarn waakte, omdat het was
voorbestemd om later als koning Frankrijk tot vrede te brengen. Om opgewassen
te zijn tegen het harde soldatenbestaan dat hij jaren lang zou leiden, moest
hij als kind al wennen aan het harde leven van het volk:
De godlycke voorzienigheidt dezen prinsse toeleggende den arbeidt
dien 't in had Vranckriick te bevredighen [pacificeren], vlyde alle
geleghenheden zich dat pas vertónende, in zulcker voege, datse zynen
ouderen [ouders] ingaven den raadt van hem ten platten lande te doen
opbrenghen, om by tyds te leren harden [3].
Uit beide voorbeelden blijkt dat
Hooft ervan overtuigd was, dat het leven
van Hendrik IV onder de bijzondere hoede had gestaan van de goddelijke
voorzienigheid. Daarmee plaatst hij Hendriks leven en werk in een
neostoïsch kader.
Hooft heeft niet alleen laten zien welk aanzien Hendrik IV in
binnen- en buitenland genoot op het toppunt van zijn macht, maar hij had ook al
op een eerder moment in de biografie gewezen op het oordeel van de tijdgenoten
over de grootheid van deze Franse koning, die zowel door zijn persoonlijkheid
als door zijn beleid in velerlei opzichten respect afdwong.
3 Hij
geeft een opsomming van de eretitels en bloemrijke epitheta waarmee de sultan
van het Ottomaanse rijk de koning vereert, gevolgd door zijn auteurscommentaar
waarin zowel appreciatie als scepsis doorklinkt: ‘Getróuwe
waardeerwóórden, ende niet boven de zake: al hoewel de
Oóstersche vórsten, van hunne eighene ydelheidt andere niet vry
hóudende, in lófspraack garen overmaat geven, en vol op van
tytels’ [157]. Om te demonstreren dat ook Hendriks vijanden moesten
erkennen dat hij hen in beleid de loef afstak, refereert
Hooft vervolgens aan een uitspraak van
iemand uit de directe omgeving van de Brusselse aartshertogen, die gezegd zou
hebben: ‘Ce roy de Françe nous brouille toutes les cartes’
[157]. Hij vertelt ook dat men Hendrik IV onmiddellijk na zijn dood officieel
de eretitel ‘Henrik de Gróte’ verleende, een koning
‘zonder gelyck in gróótmoedigheidt ende genade’
[241], daarmee de vorstelijke deugden magnanimitas en clementia
accentuerend. Hooft schrijft niets over de van officiële zijde
aangemoedigde legendevorming,
4 waardoor Hendrik IV kon
uitgroeien tot ‘le roi bien-aimé et bienfaisant, [...] le grand
Roi, le roi parfait, le roi pieux, le roi modèle’
5 en onder het volk bleef voortleven als
‘le bon roi Henri’, die ervoor had gezorgd dat elk Frans gezin 's
zondags zijn poule au pot op tafel had.
6
Ook in de Republiek had Hendrik IV veel bewonderaars, getuige de
uit- | | | | spraak van de Zutphense predikant
Baudartius: ‘Het is nu eenen
geruymen tijt datmen schier nergens van gesproken heeft dan vanden Coninck van
Vranckrijc, van syne groote schatten, van sijn machtige heyrlegers, ende van
syn cloeckmoedicheyt.’
7 Hoezeer de Nederlandse tijdgenoten de Franse vorst ook
bewonderden, toch zal die bewondering niet algemeen zijn geweest. Vooral veel
gereformeerden zullen wat moeite met Hendrik hebben gehad, omdat hij een
afvallige was. Toen de koning in 1593 zijn calvinisme afzwoer en openlijk
terugkeerde in de rooms-katholieke kerk hadden de Staten van Holland nog een
resolutie aangenomen waarin zij verklaarden dat deze verandering van confessie
‘seer bedroeflick ende beswaerlick [was] voor den Bestandt der
Christelijcke Gereformeerde Kercken int Generael.’
8 Zij hadden daar echter wel aan toegevoegd dat de stadsbesturen
er voor moesten zorgen dat
van de voorsz saecke niet anders, als met alle modestie ende
discretie en worde ghesproocken, ende dat oversulcks mede aen de
Kercken-Dienaers inde Steden vermaen sal gedaen worden, soo vande voorsz
swaericheyden, als om daer van in hare Predicatien geen vermaen te doen, maer
den Coninck ende Staet van Vranckrijck in hare ghebeden te continueren nae
behoren.
9
Daarmee hadden de Staten de Hollandse predikanten grotendeels de
mond gesnoerd, al zullen er genoeg dominees zijn geweest die toch wel hun zegje
hebben gedaan. Buiten Holland was men in elk geval minder gemuilkorfd, zoals
bleek toen in augustus de speciale Franse afgezant, de heer van Morlans, die
naar de Republiek was gezonden om de geloofsovergang van zijn vorst te
excuseren, bij zijn aankomst in Zeeland werd verwelkomd met ‘een seer
heftige predicatie jegens deselve conversie.’
10 Hendriks geloofswisseling bleef binnen de calvinistische wereld wel
enigszins omstreden.
Baudartius suggereert in zijn
Iaer-clachte (1611) tenminste dat Hendrik IV in wezen altijd
gereformeerd is gebleven, ook na zijn overgang, en zelfs als protestant is
gestorven.
11
Hooft heeft het dilemma van Hendriks
wisseling van geloof goed gezien. In zijn karakterschets van hem oordeelt hij
tamelijk genuanceerd over het feit dat Hendrik twee keer in de rooms-katholieke
kerk is getreden, één keer gedwongen, na de Bartholomeusnacht, en
één keer uit vrije wil. Hij betoogt dat de koning daarvoor
slechts verantwoording schuldig is aan God en dat niemand er nadeel van heeft
ondervonden:
't Geen op zyn'lóf te zeggen valt, is, dat hy eens door
dwang, andermaals willens der Gerefórmeerden belydenis verzaackt heeft:
daar hy Gode alleene rekening van schuldigh was; ende geene menschen zich
qualyck by bevonden hebben [239].
| | | |
We weten niet wanneer
Hooft het plan heeft opgevat om zich in
plaats van aan het treurspel, voortaan te wijden aan de geschiedschrijving en
te beginnen aan een levensbeschrijving van Hendrik IV. Als we er voor het eerst
van vernemen - in de brief van 19 mei 1618 aan
Hugo de Groot - is hij al volop bezig
zijn plannen te verwezenlijken. Zijn keus voor het schrijven van een biografie
maakt hem tot een pionier, want er bestonden nog geen ‘moderne’
biografieën van personae publicae in het Nederlands. Wel kon hij
teruggrijpen op de bloeiende traditie van de humanistische biografie die al
twee eeuwen eerder in Italië was ontstaan. Daar had het nieuwe genre
moeiteloos aansluiting gevonden aan het klassieke vita zoals dat vorm
had gekregen bij
Suetonius,
Tacitus en
Plutarchus. Dat had geleid tot een
literair model dat er op was gericht het leven van een mens zodanig te
presenteren dat het een politiek, moreel of religieus exemplum bood. Dit
model zou tot diep in de achttiende eeuw worden nagevolgd.
12
Toen
Hooft met de uitwerking van zijn plan
begon, stuitte hij blijkbaar op verschillende problemen waarvoor hij
oplossingen moest zoeken. Hij wendde zich daarom tot
Hugo de Groot om deze niet alleen op de
hoogte te brengen van zijn literaire plannen, maar ook om advies te vragen. In
de reeds genoemde brief berichtte hij De Groot dat hij begonnen was aan de
biografie van Hendrik IV. Dit werk moest dienen als ‘meditamentum
stili et characteris historici’, een middel om zich de stijl en de
aard van de geschiedschrijving eigen te maken, zodat hij zich op een later
tijdstip zou kunnen wijden aan de geschiedenis van het vaderland.
13 Hij was ervan overtuigd dat hij op
deze wijze zijn land het meest adequaat kon dienen. Hij richtte zich tot De
Groot om raad inzake verschillende inhoudelijke en structurele problemen waar
hij mee worstelde. De brief maakt een weloverwogen indruk. Uit het feit dat hij
al begonnen was met het schrijven, kunnen we afleiden dat Hooft al langere tijd
bezig moet zijn geweest met het verzamelen van materiaal. Niets wijst op een
overhaast besluit, omdat hij door zijn treurspel
Baeto in politieke problemen zou zijn gekomen.
14 Helaas weten we niet of De Groot ooit op deze brief heeft
gereageerd.
Zijn wisseling van literair genre impliceerde dat zijn aandacht
van het middeleeuwse (
Geeraerdt van Velsen) en het mythische nationale
verleden (
Baeto) verschoof naar de geschiedenis van zijn
eigen tijd. Blijkbaar was hij in de jaren van het Bestand tot het inzicht
gekomen dat de effectiviteit van de geschiedenis voor het geven van politieke
en morele instructie aan een bepaald publiek groter was dan die van de
dichtkunst, zeker als het ging om de geschiedenis van de eigen tijd.
15 Dit blijkt uit de opdracht van
Henrik de Gróte, waarin hij betoogt dat
goede geschiedschrijvers intensief moeten worden bestudeerd, want zij nemen
‘geenen lust [...] in platte schilderij’, maar ‘diepen [hun
werk] met schaduwen, quansuis leeghbaarlijck aanroerende geheimenissen, die zij
in de óren bijten den geenen die der hebben om te hóren.’
16
Zulke schrijvers bieden de intelligente lezer het nodige inzicht in
achtergronden van politiek beleid en histo- | | | | rische gebeurtenissen.
Hooft stelt, dat die schrijvers het meest
aanbevelenswaardig zijn die schrijven over
't geen zich naest aen onzen tijdt heeft toeghedraghen. De waarom
is, dat de gelijckaardigheidt tusschen die ende de daghelijcksche handelingen
behendighst onderwijst, hoe deze op 't gevoeghlijckst te slijten staan.
17
Hij geeft ook antwoord op de vraag welk soort publiek de
geschiedenis zo zorgvuldig moet bestuderen: het gaat hem om ‘den man van
state’. Daarmee bedoelt hij de dragers van politieke en bestuurlijke
verantwoordelijkheden, de regenten.
18 Hij richt
zich dus voortaan op een beperkt, maar specifiek publiek dat historisch
geschoold moet zijn, want van ‘eene middelbare belezenheidt in 't
gemeen’. Zo'n geschoold lezer doet er goed aan ‘met zekeren eenen
óft anderen schrijver zulx zijne verkeering te maken, dat de stóf
aan hem beklijve, als óft hij daar zelf door heen gegaan waar.’
19
Hooft geeft een reeks illustere
voorbeelden van staatslieden die zich diepgaand met één bepaalde
geschiedschrijver hebben bezig gehouden. Zo'n intensieve omgang met
één historieschrijver voorziet een gezagsdrager van ‘het
voedtsel der voorzienigheidt’, dat wil zeggen dat hij bijdraagt aan de
prudentia, naast de virtus de belangrijkste deugd, waarover een
regeerder moet beschikken.
Over het antwoord op de vraag waarom zijn keus viel op leven en
werk van Hendrik IV zijn de historici het wel eens, evenals over het feit dat
er een direct verband bestaat tussen
Baeto en
Henrik de Gróte. In het genoemde treurspel
schildert Hooft een fictieve mythische vorst met een vredelievend en verzoenend
karakter die, om burgeroorlog te vermijden, met zijn aanhangers het vaderland
verlaat om elders een nieuwe staat op een geordende grondslag te vestigen. In
Henrik de Gróte demonstreert hij het handelen van een reële
vorst in de recente historische werkelijkheid.
Toen Hendrik IV koning werd, werd Frankrijk verscheurd door
religieuze tegenstellingen en woedde er een vernietigende burgeroorlog. Eenmaal
aan de macht gekomen zag hij na verloop van tijd kans zijn land te pacificeren,
de twee godsdiensten met elkaar in vrede te doen leven en het volk welvaart te
brengen.
20 In zekere zin was Hendrik IV een Franse Baeto. Hij stelde
het belang van zijn door burgeroorlog verwoeste land boven de godsdienstkwestie
en wist de rooms-katholieken en de calvinisten een plaats naast elkaar te
geven, zodat het land tot rust kon komen en zich herstellen.
21 Groenveld heeft er op gewezen dat in
Henrik de Gróte het vorstelijk ingrijpen
nogal centraal staat, zelfs zozeer, dat de rol van het volk sterk naar de
achtergrond wordt gedrongen.
22 Men kan zich echter afvragen of het genre
biografie niet met zich meebrengt dat alles draait om het handelen van de
‘held’?
Hendrik IV is voor
Hooft evident dè ideale vorst:
daadkrachtig en vredelievend met een scherp oog voor de nood van land en volk.
Dat beeld roept hij op | | | | in zijn biografie. Maar daarmee volstaat
hij niet, want hij kleurt de Franse koning ook ideologisch nogal sterk in. Hij
presenteert Hendrik IV namelijk als een neostoïsch-christelijk vorst in
Lipsiaanse zin. Heel
Henrik de Gróte is als het ware
doordrenkt van het Lipsiaanse gedachtengoed. In de treurspelen
Geeraerdt van Velsen en
Baeto klonken
Lipsius' opvattingen al door,
23 maar in Henrik de
Gróte is de schrijver veel verder gedaan. In dit werk demonstreert
hij namelijk het door Justus Lipsius gepropageerde neostoïcisme aan
‘leven en bedryf’ van zijn hoofdpersoon. Daarmee maakt hij van
Hendrik IV een exemplarisch vorst die in veel opzichten voldoet aan de hoogste
politieke en ethische normen van Hoofts tijd. Daarmee ook schrijft hij een
humanistische biografie waaraan de beoogde lezer zijn eigen politieke en
ethische normen kan ijken. Tot nu toe is deze neostoïsche achtergrond van
Henrik de Gróte nauwelijks geëxploreerd, al heeft Haitsma
Mulier, refererend aan wat Veenstra opmerkte over Lipsius' invloed op Hoofts
drama's en poëzie, wel suggesties in die richting gedaan.
24
Voor ons inzicht in de Lipsiaanse achtergronden van
Henrik de Gróte zijn vooral twee werken van
belang, namelijk de door de Leidse hoogleraar in 1584 gepubliceerde dialoog
De constantia in publicis malis (
Over standvastigheid bij algemene rampspoed) en de
in 1589 verschenen
Politica, een handboek voor de praktische
politiek.
25 Beide werken kenden een groot succes en werden in
heel Europa verspreid.
26 In
De constantia maakte
Lipsius de neostoïsche levenshouding
bij een breed publiek bekend. De dialoog is een poging tot systematische
verzoening van christendom en antieke stoa in een synthese waarbij het antieke
fatum ondergeschikt wordt gemaakt aan Gods goedheid en voorzienigheid.
27 De bedoeling van het boekje is op te roepen tot een
levenshouding die wordt gedragen door constantia, onwankelbare
geestkracht die zich niet laat meeslepen of terneerdrukken door toevallige
omstandigheden,
28 in de woorden van Lipsius:
die oprechte ende onwanckelbare cracht des ghemoets, die welcke
haer niet en verheft in uuterlijcke dinghen der fortuynen, oft oock om die
selve niet en beswijckt.
29
Om tot die geestkracht te komen moet de mens zich laten leiden
door de recta ratio en niet door de opinio.
De constantia was bedoeld als een troostschrift
naar aanleiding van de rampzalige gebeurtenissen in de Nederlanden,
30 maar
werd zo geliefd dat het neostoïcisme kon uitgroeien tot de modefilosofie
van de laatste decennia van de zestiende en de eerste helft van de zeventiende
eeuw. In de tijd van de Europese godsdienstoorlogen kon het voor veel mensen
dienen als een soort crisis-filosofie,
31 te meer omdat
Lipsius zich bewust buiten de
godsdienststrijd had gehouden en zich had bewogen binnen een kader van een
boven-confessioneel christelijk denken. Daardoor is misschien te verklaren dat
allerlei intellectuelen van diverse confessie met Lipsius' neostoïsche
opvattingen | | | | uit de voeten konden.
32 Het neostoïcisme vormde ook de grondslag
voor een actieve houding in de politiek, want ook daarin moest de mens de
constantia betrachten, die ertoe moest leiden, dat de politicus niet bij
de pakken ging neerzitten, maar zich inspande om een oplossing te vinden voor
politieke problemen.
33 Ook in de kring rond
Hooft stond deze filosofia practica
in hoog aanzien. Hooft zelf was, zoals we al hebben gezien, een overtuigd
aanhanger van het neostoïcisme, al had hij in zijn leven de beperkingen
ervan ondervonden.
34
Als we
Henrik de Gróte lezen kunnen we constateren
dat
Hooft zijn held beschrijft als iemand die
bij allerlei gebeurtenissen volstrekt gelijkmoedig blijft, ook als men het
tegendeel zou verwachten. Ik geef enkele voorbeelden. Als één van
de hoogtepunten in Hendriks leven kan de overgang van Parijs worden beschouwd
op 22 maart 1594. Ruim vier en een half jaar had de koning moeten wachten voor
hij zijn opstandige hoofdstad, die de poorten voor hem gesloten hield, in bezit
kon nemen. Hooft beschrijft uitvoerig hoe zijn troepen 's nachts Parijs
binnentrekken en alle strategische punten bezetten. De operatie verloopt in
alle rust en orde en 's morgens om vijf uur arriveert Hendrik op het Louvre.
Als de koning zich in de loop van de dag op straat begeeft om naar de Notre
Dame te rijden waar een dankdienst wordt gehouden, wordt hij luid toegejuicht
door de samengestroomde Parijzenaars. Het moet voor hem een groot moment van
triomf zijn geweest. Hooft vertelt hoe de vorst deze gebeurtenissen uiterlijk
onbewogen onderging:
In het toewaaijen van zó meelopend een geluck, daar hy
aller oghen op het lyf had, en konmen niet zeggen, dat eenigh teken van
uytgelate blydtschap oft ontroert gemoedt aan den koning vernomen zy. Zyn mondt
vermelde de glori Góds, ende was heusch in 't gewaghen van hem zelven.
Geen verandering in aanschyn óft gelaat: als óft hy de grootheidt
meer maghtigh te draghen, dan 'er om begaan waar [131].
Een ander voorbeeld van Hendriks constantia biedt de
passage waarin
Hooft vertelt hoe de koning plotseling
werd overvallen door zulke zware pijnaanvallen, dat hij dacht de avond niet
levend te zullen halen. Ook onder deze omstandigheden bleef hij volstrekt
gelijkmoedig en zag hij de dood in alle rust tegemoet:
In deze werckelyckheidt van hóóghziende
zórghen, werdt hy betraapt van een' kraftighe quale, die hem bynae
t'onbruick gemaackt had de verdiensten zyner glorie, ende zó vloeijend'
een' voorspoedt. Want zeker vleesselyck aanwas in zyn gemaght [schaamdeel],
leverde hem zó swaar een stórm, dat hy, neerghesmeten door de
wackerheidt des weedoms, den artzen afvraaghde, óft hy 't, teghens de
móórdtsteken van zó woedende pynen, dien dagh wel zoude
moghen uytharden, om te verzien in de meeste nóódtzake- | | | | lyckheden.
't Gemoedt, daarentusschen, wist van geen flaauwen; maar zagh,
met onverschrickte rustigheidt, der dóódt onder de óghen:
ende stondt niettemin de middelen van genezing, die nauw genadigher waren dan
de zieckte zelf, met onghelóóffelycke hartvochtigheidt ende
geduldt, uyt [157-158].
Deze twee voorbeelden van Hendriks standvastigheid mogen volstaan.
Toch betekent constantia voor
Hooft niet dat een vorst geen emoties
mag tonen, zoals blijkt uit de reactie van de koning op de dood van zijn
favoriete geliefde, Gabriëlle d'Estrée, die onverwacht ziek werd en
stierf. De koning, die nergens van wist, werd onderweg overvallen met het
bericht van haar dood dat hem deed bezwijmen:
Deze slagh trof het gemoedt in zulcker wyze, dat dat hart,
onbesweken in zó vele gevaarlyckheden van den
óórlógh, hem begaf, ende hy besweem in zyn'
carósse, tusschen de armen van zynen gróten stalmeester. [...]
niemandt van haar' [zijn] dienaren óft gezin [hofhouding] quam hem, in
lang, onder zyn' óghen, óft men bespeurde aan hem 't vernieuwen
der smarten, die zyn geest, op heter daadt, had moeten smaken [160-161].
Zoals
De constantia een handboekje voor ethiek was, zo
was de
Politica een handboek voor de praktijk van de
politiek, dat beoogde een bijdrage te leveren aan de politieke opvoeding van de
vorsten.
35 Het werk, dat uit zes boeken bestaat, is geheel gericht op de
praktijk van het regeren. In de eerste twee boeken behandelt
Lipsius de meest gewenste regeringsvorm en
de deugden waarover een goed vorst moet beschikken. In het eerste boek geeft
hij een definitie van de begrippen prudentia en virtus, de
fundamenten van het burgerlijk leven
36 waarop hij in het tweede uitvoerig zal terugkomen. Maar eerst
behandelt hij de noodzakelijkheid van het gezag, waarbij hij kiest voor de
monarchie als de oudste en meest voorkomende regeringsvorm. Hij doet dat op
basis van nuttigheid, want alleen de monarchie kan pax en
concordia garanderen.
37 Het doel van de monarchie is immers niet anders dan ‘profijt,
versekertheyt ende welvaert vanden ondersaten’.
38 Alle handelingen van de vorst moeten daarom gericht zijn op het
bonum publicum met opzijzetting van het eigen belang, hij moet ‘de
gemeyne welvaert [...] soecken, ende zyn eyghen aan deen syde [...]
stellen.’
39
Vervolgens behandelt
Lipsius de deugden die een vorst moet
bezitten om het bonum publicum optimaal te kunnen bevorderen.
Prudentia en virtus staan bovenaan, zij maken samen ‘eenen
wettigen ende volmaeckten Vorst. [...] D'eerste om dat zy in zijn wercken
schynet, d'ander in zyn leven.’
40 Prudentia leert de mens wat hij wel en niet moet doen en is
gebaseerd op de componenten usus, ervaring, en memoria rerum,
kennis van de geschiedenis: ‘Voorsinnicheyt heeft twee ouders,
'tGhebruyck ende Ghedenckenisse van saken.’
41 Door | | | | middel van kennis van de geschiedenis, de
‘vorstengeleertheidt’, kan men profijt trekken van de lessen van
het verleden. Daarnaast omvat prudentia zulke elementen als inzicht,
gezond verstand en vooruitziende blik. Dit alles wordt gevoed door een
volhardende geestkracht, wat deze deugd een sterk neostoïsche inslag
geeft.
42 De virtus, de deugd, moet zodanig van de vorst uitstralen dat
de onderdanen er door worden beïnvloed, zij moet ‘in aldermanieren
van een Coninck [...] aenghenomen worden, ende deur hem van de ghene die
gheregeert worden: Vanden Coninck, omdat also betaemt, dat in eerbaerheyt
uytsteke die in hooghen staet is.’
43 Virtus berust op twee aspecten: pietas,
‘godvruchticheyt’, en probitas, ‘eerbaerheyd’.
Onder het laatste begrip verstaat Lipsius het leven volgens zedelijke normen:
‘Ic en versta hier ooc niet anders d'Eerbaerheyt, dan een rechte maniere
van leven, in zeden ende alle wercken, achtervolghende den reghel van het
eerlicke.’
44
De rest van het tweede boek besteedt
Lipsius aan de overige deugden waarover
een vorst moet beschikken. Hij bespreekt achtereenvolgens justitia,
‘rechtveerdicheydt’, clementia, ‘ghenade’,
fides, ‘trouwe’ en modestia,
‘manierlicheyt’. Justitia staat bovenaan. In het kader van
justitia betoogt Lipsius dat een vorst zelf ook onderworpen is aan zijn
eigen wetten. Die wetten moeten voor iedereen ‘gelijckformich’ en
gematigd worden toegepast. De vorst moet er voor waken met te veel nieuwe
wetten te komen, want dat kan alleen maar tot onrust leiden.
45 Clementia is belangrijk omdat ze wordt beloond met de liefde
van het volk, wat weer een waarborg is voor de zekerheid van een regering. Het
is het beste voor een vorst als hij de juiste combinatie van justitia en
clementia demonstreert in zijn beleid:
Dat hy hebbe dit exempel oft ghebodt van genadige
Rechtveerdicheyt. Alle dinghen te weten, niet alle dingen te straffen, de
cleyne misdaden te vergeven, de groote te straffen, ende niet altijts met
straffinghe, maer dickwijler met leetwesen te vreden wesen.
46
Over fides is
Lipsius zeer uitgesproken. Hij vindt dat
een vorst te allen tijde zijn gegeven woord moet houden en ook tegenover
ongelovigen en vijanden zijn beloften onverkort moet nakomen, want
‘Trouwe is 'tfondament vande Rechtveerdicheyt.’
47 Met deze uitspraak distantiëert Lipsius zich duidelijk van de
opvattingen van Machiavelli in dit opzicht.
48 Met clementia verbonden is de deugd van de modestia,
die eist dat een vorst in allerlei opzichten gematigd is en ingetogen, want
‘de persoone vanden Vorst en moet niet alleene den herten, maer oock den
ooghen vanden Borghers dienen.’
49 Modestia houdt ook in dat een vorst niet hoogmoedig mag zijn.
De laatste deugd, verbonden met de modestia, die de vorst moet bezitten
is die van de majestas of ‘majesteyt’. Deze houdt in dat de
vorst op een natuurlijke manier ontzag moet inboezemen zowel door zijn
uiterlijk als door zijn manier van optreden; de majestas ‘is een
cloeck ge- | | | | weer totter Heerschappye.’
50 Hierna behandelt Lipsius nog kort een aantal andere eigenschappen
die voor een vorst vereist zijn. Zo moet hij goedgevig zijn en kuis,
‘want niet eerlicx en is in een herte dat deur oncuysheden bedorven
is.’
51 Ook moet hij toorn en spot vermijden en oog hebben voor zijn
reputatie bij het nageslacht.
52
Bij het bestuderen van
Henrik de Gróte kunnen we constateren dat
Hooft zijn held ruimschoots met deze
vorstelijke deugden heeft toegerust. Hij demonstreert dat uitvoerig in het
lopende levensverhaal, dat allerlei aspecten van Hendriks optreden laat zien
waarin zijn deugden naar voren komen. Hooft volstaat daar echter niet mee, maar
geeft soms ook specifieke exempla van voorbeeldig gedrag. Daarnaast legt
hij nog eens extra accenten in zijn auteurscommentaar. Tenslotte wijst hij in
de karakterschets van Hendrik aan het slot van de biografie nog eens expliciet
op verschillende deugden en eigenschappen. Hij laat daarbij ook zien hoe
Hendrik van jongs af aan werd getraind in het aanleren van bepaalde deugden.
Hieronder volgt een aantal sprekende voorbeelden.
De gebeurtenissen van de Bartholomeusnacht krijgen veel aandacht
van
Hooft. Hij vertelt dat, als de
slachtpartij eenmaal begonnen is, koning Karel IX zowel Hendrik van Navarre als
de prins van Condé, die beiden op het Louvre verblijven, bij zich
ontbiedt. Karel geeft hun zijn verklaring van de gebeurtenissen en eist dat
zij, als leiders van de Hugenoten, hun calvinisme afzweren en rooms-katholiek
worden. Beide vorsten reageren verschillend. Hendrik geeft onmiddellijk toe,
maar Condé zegt tegen Karel dat hij zich niet kan voorstellen dat deze
op een dergelijke manier zijn beloften aan de Hugenoten heeft gebroken en dat
het geloof niet iets is dat men kan dwingen. Alvorens de reactie van de koning
hierop weer te geven, geeft Hooft zijn eigen commentaar dat impliceert dat
Hendriks gedrag van prudentia getuigt: ‘Terstondt bleeck wat een
zaack scheelt in 't beleiden: ende dat het een weet is, oppervórsten
voeghlyck te bejegenen’[26]. Dan vertelt hij hoe de koning uitvaart tegen
Condé en hem met de dood dreigt als hij niet snel van mening verandert.
Hooft accentueert dat de kwestie van
Hendriks definitieve overgang naar de rooms-katholieke kerk, in zijn ogen, een
zaak van prudentia is geweest en niet van opportunisme. Hij maakt
duidelijk dat als Hendrik de steun van de meerderheid van de Franse bevolking,
die rooms-katholiek was, blijvend wilde verwerven, hij zelf definitief
rooms-katholiek moest worden. Alleen dan zou hij koning van alle Fransen kunnen
worden en bij machte zijn als pacificator op te treden en de rechten van het
calvinistische volksdeel vast te leggen en veilig te stellen. Hooft beschrijft
de innerlijke worsteling van de koning:
In zulck een' zee van zórghen, dewyl hy, zyn' gedachten
omendom voerende, allerlei raadt overrekende, en heeft geenen anderen uytkoomst
konnen afsien, als den ingang ter Roomsche kercke [120].
| | | |
Hij wijst er vervolgens op dat ook Hendriks
gereformeerde strijdmakker, de heer van la Noue, de koning had voorgehouden dat
deze ‘zonder oeffening van gódsdienst te keren, nemmermeer
d'onstuimigheden van den staat te boven ende op hechten tróón
zoude geraken’ [120].
In de karakterschets van Hendrik IV geeft hij ook nog een tweetal
voorbeelden van Hendriks prudentia. Hij vertelt dat de koning in
grensplaatsen altijd troepen legerde die niet verwant waren aan de buurvolken
en dat, als hij een plakkaat wilde uitvaardigen, hij daarvan van te voren
zoveel liet uitlekken dat de mensen zich er al op ingesteld hadden voor het
echt afgekondigd werd:
Onder ander bezonderheden zyner voorzightigheidt is aangetekent;
dat hy de grensplaatsen des ryx bezette met luiden die van aardt minst met de
gebuurvólcken over een quamen. Ende, voor hebbende eenigh placcaat uyt
te geven, 't gerucht daar van zó lang te voren verbreiden deed, dat de
gemoeden zich gezet hadden ter gehóórzaamheidt, eer 't
verkundight werdt: by wylen zó zeer, dat de betering voor 't
verbódt ging [237-238].
Een goed exempel van Hendriks godsvrucht geeft
Hooft in de spannende episode waarin de
koning op de hoogte is gekomen van het verraad van Biron. Hendrik wordt heen en
weer geslingerd tussen zijn gevoelens van vriendschap en genegenheid voor Biron
en die van zijn teleurstelling en boosheid over diens verraad. Alleen God kan
de koning uitkomst bieden:
Derhalven, hakende nae een eindt van zó moeilyck een'
onrust, begaf zich in 't cabinet, ende ter aanroepinge Góds, om de
bystandt zynes heilighen Geests, het stillen van de strydt zyns gemoedts, ende
stercking in een opset dat gedijen moght tót heil des vólx, daar
hem, van zyn' loutere genade, de zórgh over bevolen was [186].
Hendriks vroomheid blijkt ook aan het eind van zijn leven als hij
wordt gewaarschuwd op zijn hoede te zijn voor een aanslag. Hij reageert
volstrekt afwijzend met op te merken, dat hij zich bij het slapen gaan
‘Gode beval, ende in 't opstaan den zelven om geleide aanriep: in wiens
handen het alles stondt; wezende, dien hy bewaarde, wel bewaart’ [230].
53 Een antwoord waaruit vroomheid en
godsvertrouwen blijken. Na nog meer onheilspellende verschijnselen en Hendriks
reacties daarop te hebben vermeld, commentarieert
Hooft: ‘Zeker zy [de koning] was
gewoon zich over te geven in de wille Góds, vast stellende dat zulcke
zaken van hem besloten, ende onvermydelyck waren’[230].
Blijkbaar zijn er ook tijdgenoten geweest die Hendrik
onverschilligheid in religiosis hebben verweten. Hooft verdedigt hem
tegen die beschuldiging door er op te wijzen dat de koning niet van uiterlijke
schijn hield en het liefst in de binnenkamer de knieën voor zijn Schepper
boog: | | | |
Daar is 'er geweest die hem naegaven, dat hy nóit den
gódsdienst zeer ter harte nam. Zeker, zyne Majesteit, nócht uyt
den aardt, nócht door leer veel op veinzen gestelt, en stondt
nóit nae uytwendighen schyn van heiligheidt, pleghende, tót
verschóning van 't verzuim haarder kerkgang, by wylen te zeggen, dat het
bearbeiden van den gemeenen welstandt bidden streckte, ende viel liefst in 't
verbórghen zynen schepper te voet, zich alom wel zórghvuldelyck
hoedende den heilighen naam der Gódtheidt te verreuckelózen
[239].
Veelvuldig beoefende de koning de clementia, door hem
aangeprezen in het aforisme: ‘De gheneught van de wraack duurt een' korte
stondt; maar die van de genade, ten eeuwighen daghen’[110]. Een goed
voorbeeld is Hendriks optreden na zijn overwinning in de slag bij Coutras.
Hooft wijst er op dat een militaire zege
bij de overwinnaar gemakkelijk tot overmoed leidt, echter zo niet bij Hendrik.
Zijn hele optreden demonstreert het ‘rechte sieraadt van een gezegendt
vórst, [namelijk] zyn moedt ende beleidt in den strydt, ende zyn'
genadigheidt in d'overwinninge’[73]:
Nóchtans en beving de hóvaardy niet het harte van
Henrik, ófte deed het swellen van ydele verwaantheidt boven zyn'
natuurlycke gróótte. Maar van zó goedertier een inborst
was hy, dat hem de tranen ende zuchten uytbraken, in 't overpeinzen van den
afbreck die 't vaderlandt leed, by 't omkomen zó veler treffelycke van
adel wegh genomen door die nederlaagh. [...] Hy deed barmhertelyck begraven
zyn' verslaghe vijanden, ende zórghvuldelyck genezen de gequetste:
schonck velen gevangenen vryheidt, jae (zó veel in hem was) hunne eer
weder, door dien hy hen vereerde met de vendelen die hun waren ontjaaght,
verpletterende de prickelen der wraackgierigheidt, doen hy de wraack in der
handt had [73].
De modestia krijgt bij
Hooft ook ruimschoots aandacht. Hij laat
zien dat de basis daarvoor al was gelegd in Hendriks vroegste opvoeding. Die
had, zoals we hebben gezien, niet aan het hof plaatsgevonden, maar op het
platteland van Béarn, waar hij was opgegroeid met de kinderen der
‘huyslieden’ en ontberingen had leren kennen. Dat had ertoe geleid
dat hij zich als volwassene tevreden stelde met een eenvoudige manier van leven
en dat hij een groot uithoudingsvermogen had:
Des gewende zyn gemoedt met luttel, ende 'tgheen' gereedst was te
vrede te zyn; van çerimonien óóck ende andere hoofsche
uytwendigheden het niet nauw nemende; zyn lichaam tot lyden van hitte ende
koude, ende allen arbeidt des óórlóghs. Waer door men hem
t'zyner tydt hebbelyck heeft gezien, om eenen soldaat te helpen schanssen met
d'eene handt, ende uyt | | | | d'ander' een stuck dróógh
bróódts te eten tot zyn middaghmaal; ende genoeghen aan een' uur
sluymerens op het schócken van een paardt, om drie etmaal achter
elckander te rennen zonder rust: óóck ghezeidt, dat hy meer
laarzen als schoenen sleet [3].
In zijn karakterschets accentueert
Hooft Hendriks modestia nog eens
als hij beschrijft dat Hendrik gewoonlijk kleding droeg die
‘onkóstelyck’ was, in het bijzonder tijdens de lange jaren
van burgeroorlog. Dit had ook tot doel ‘de zuinigheidt te doen achten
onder den adel.’ Hetzelfde gold voor zijn tafel die ‘meer met
redeneering van begaafde vernuften, dan met overdaadt van leckernije [was]
gestóffeert’[238]. De koning had een hekel aan uitbundige pump
and circumstance, die hij niet nodig vond voor iemand die zich door zijn
virtus aanzien had verworven:
De overdaadt der praalstaatsien ende triomphen plagh hy af te
slaan, op reden datze den behoeftighen van achtbaarheidt nódigh waren;
niet den geenen die door deughd hunner daden zich in aanzien gestelt hadden
[238].
De majestas van een vorst drukt zich, in de humanistische
visie, vaak uit op het gezicht in die zin dat het voor de vijanden
afschrikwekkend is en voor de onderdanen liefde uitdrukt.
54
Hooft is die opvatting blijkbaar ook
toegedaan als hij suggereert dat de moordenaar waarschijnlijk niet tot zijn
daad zou zijn gekomen als hij het gezicht van de koning had gezien ‘dat
hem met vruntlyckheidt óft ontsichlyckheidt had moghen beteutert
maken’ [236].
Een deugd die niet expliciet door
Lipsius wordt genoemd, maar wel past in
het kader van het neostoïcisme, is de magnanimitas of
‘grootmoedigheidt’, die verbonden is aan de majestas. Deze
deugd houdt een gerichtheid in op grote daden in combinatie met zelfvertrouwen
en standvastigheid.
55
Hendrik beschikt over deze eigenschap zoals blijkt als hij verneemt dat zijn
aartsvijand, de hertog De Guise, op het kasteel van Blois is vermoord. Hij
ontving het bericht ‘met een medógendt gelaat, ende, nae sommige
zeggen, niet zonder tranen te laten.’
Hooft geeft als commentaar:
‘zó waardt staat den gróótmoedighen de dapperheidt
voor, dat zy daar den ondergang af betreuren, óóck in de geene,
daar zyze geenssins zouden wenschen opgeweckt’ [79]. Elders betoogt Hooft
dat Hendrik ‘in gróótmoedigheidt niemandt [...]
weeck’ [237].
We hebben gezien dat
Lipsius behalve aan de vorstelijke
deugden ook kort aandacht besteedt aan verschillende andere eigenschappen zoals
kuisheid en mildheid.
Hooft maakt duidelijk dat Hendrik IV
niet uitblonk in mildheid en volledig te kort schoot in kuisheid. Hij vertelt
dat Hendrik de naam had traag te zijn in het belonen van diensten en dat hij
zelden gunsten bewees, zeker als hij daar onder uit kon komen.
| | | |
Vooral onder de hoge adel waren er velen die daar
‘weenigh smaax’ in hadden en soms problemen veroorzaakten.
56
Hendriks sexuele gedrag becommentarieert Hooft kort, maar
vernietigend in het zinnetje ‘In 't minnen ging hy de maat te
buiten’ [239]. Dat is niet verbazingwekkend als we weten dat de Franse
koning bekend stond als een erotomaan, die het bed had gedeeld met talloze
vrouwen. Zijn vele liefdesaffaires waren zowel aan het hof als op straat
onderwerp van gesprek en zelfs de buitenlandse ambassadeurs rapporteerden
erover.
57 Het is een facet van
Hendriks persoonlijkheid dat zijn eigen plaats heeft gekregen in de
legendevorming, zodat voor veel Fransen Hendrik IV ook bekend is gebleven als
de ‘vert-galant’, de rokkenjager.
58 Bij
Hooft lezen we dat zijn lusten Hendrik
‘zeker te maghtigh waren’[196]. Hij geeft een aantal voorbeelden
van Hendriks sexuele bandeloosheid, die demonstreren dat diens ongeremd
toegeven aan zijn sexuele driften niet altijd zonder risico's was voor hemzelf
en voor het land. Deze voorbeelden dienen dan ook als negatieve exempla.
59 Hooft
demonstreert daarmee dat Hendrik IV in erotisch opzicht niet heeft beantwoord
aan de eisen van de, niet expliciet door
Lipsius genoemde, temperantia en
dus moreel tekort schoot.
Recapitulerend kunnen we vaststellen dat
Hooft in zijn biografie een beeld van
Hendrik IV heeft gegeven dat in velerlei opzichten beantwoordt aan de eisen die
Lipsius in zijn
Politica stelt aan een goed vorst en aan de
neostoïsche ethiek zoals hij die heeft neergelegd in
De constantia. Niet alleen beschikt Hendrik IV
over constantia, maar hij geeft ook blijk van prudentia en
virtus. Bij virtus legt de biograaf specifiek het accent op
Hendriks pietas, waarvan hij enkele sprekende voorbeelden geeft. Dit kan
samenhangen met het feit dat men, zeker in de Republiek, de nodige twijfels had
aan Hendriks vroomheid.
Hoewel Hooft in de biografie tal van voorbeelden laat zien van
Hendriks justitia, accentueert hij deze deugd niet nog eens extra door
middel van bijzondere exempla. Wel geeft hij in het lopende verhaal veel
aandacht aan Hendriks clementia. Hij legt ook de nadruk op het feit dat
Hendrik door zijn harde opvoeding in Béarn de modestia als het
ware ingegoten had gekregen en daar in zijn latere actieve leven veel profijt
van heeft gehad. Tenslotte wijst hij op Hendriks majestas, die maakte
dat hij een natuurlijk gezag uitstraalde.
Tegelijkertijd laat de auteur ons Hendrik zien als een mens met
menselijke emoties. Hij bezwijmt bij de dood van Gabriëlle d'Estrée
en worstelt met zichzelf tijdens de problemen met Biron. Hooft benadrukt dat
Hendrik onder vrijwel alle omstandigheden zijn tegenwoordigheid van geest
behoudt en zich geen details laat ontglippen: ‘Zyn' alles waarnemende
wackerheidt bespiede tót de geringste gheleghenheden toe’ [147].
Talloos zijn de verwijzingen naar Hendriks kwinkslagen en gevatte antwoorden
die blijk geven van zijn onverstoorbaarheid en scherpzinnigheid. Slechts in
één belangrijk opzicht schiet hij moreel tekort, doordat hij
‘van minzuchtigher aart [was], ende uytnemende | | | | onderhevigh
[...] van de bekoringen der vróuwelycke schóónheden’
[118]. Maar de biograaf weet ook deze morele tekortkoming positief om te buigen
tot exempla die de lezer tot waarschuwing moeten dienen.
Zo heeft
Hooft zijn schildering van Hendriks
‘leven en bedryf’ vorm gegeven, accentuerend dat dit vorstenleven
onder de machtige bescherming stond van de goddelijke providentia. Meer
dan de helft van de biografie is gewijd aan de verschrikkingen van de Franse
burgeroorlogen, de onverzoenbare religieuze tegenstellingen en de machinaties
van het hof van de Valois-vorsten waartegen Hendrik zich moet verweren. Het
absolute dieptepunt van de ellende biedt de gedetailleerde beschrijving van de
gebeurtenissen in de Bartholomeusnacht. In dit deel van de biografie zien we
Hendrik opgroeien en rijpen, waarbij het accent valt op zijn militaire
activiteiten en we getuige zijn van allerlei staaltjes van prudentia
militaris. In het resterende deel van het werk, vanaf het moment dat
Hendrik in het bezit komt van zijn hoofdstad Parijs, zien we Hendrik al zijn
activiteiten ontplooien als de pacificator die zijn tijd en aandacht besteedt
aan niets anders dan het bonum publicum en kans ziet door tal van
maatregelen een volledig verscheurd land op te bouwen tot een geordende
samenleving waarin pax en concordia heersen.
De idealistische Hooft geeft in zijn biografie het portret van een
exemplarisch vorst, die in velerlei opzichten beantwoordt aan de hoogste
ethische en politieke normen van het neostoïcisme. Als
Henrik de Gróte in 1626 van de pers komt,
is de nieuwe stadhouder Frederik Hendrik juist aangetreden. Dankzij Hoofts
‘klassieke’ biografie kan de nieuwe ambtsdrager zich nu spiegelen
aan het voorbeeld van zijn eminente Franse tijdgenoot. Ook hem wacht, in de
ogen van Hooft, een taak als pacificator, want in de Republiek zijn op
godsdienstig gebied de tegenstellingen groot en de wonden nog vers. Maar niet
alleen Frederik Hendrik kan zich spiegelen aan leven en werk van Hoofts Hendrik
IV, ook de Hollandse gezagsdragers, de regenten, kunnen veel van het boek
leren. Ook zij moeten immers beschikken over de nodige ethische en politieke
kwaliteiten en ook hun beleid moet zijn gebaseerd op prudentia en
virtus om optimaal het bonum publicum te kunnen dienen.
|
1Citaat ontleend aan P.C. Hooft,
Henrik de Gróte. Zyn leven en bedryf.
Amsterdam, Willem Iansz. Blaeuw, 1626. Het getal tussen vierkante haken geeft
de pagina aan waarop het citaat is te vinden. Aangezien ik veel uit Henrik
de Gróte zal citeren, leek het mij verkieslijker het paginanummer
bij de citaten te geven, dan talloze malen via een noot naar de vindplaats van
de citaten te moeten verwijzen.
2Over de Gulikse crisis: Jean-Pierre Babelon,
Henri IV (Paris 1982) 954-958, 970-975; J. den
Tex,
Oldenbarnevelt III Bestand 1609-1619 (Haarlem
1966) 82-122.
3Onder historici is Hendriks historische
grootheid tot aan de dag van vandaag onomstreden. Als bewijs daarvan moge een
citaat van Van Deursen dienen. In een artikel over
Jacob Cats als staatsman refereert Van
Deursen aan
Leopold von Ranke, die het zevende
boek van zijn
Französische Geschichte afsloot met een
relaas over de dood van Hendrik IV en het achtste vervolgens opende met de
beroemde woorden: ‘ein Mann weniger war in der Welt’. Van Deursen
laat daarop volgen: ‘Dat is de maatstaf van historische grootheid.
Slechts één man minder en toch een enorm verschil.’ Vgl.
A.Th.van Deursen,
‘De raadpensionaris Jacob Cats’, in:
Tijdschrift voor geschiedenis 92 (1979) 149-161, m.n. 161.
4Vgl. M. Reinhard,
La légende de Henri IV (Paris 1935);
Jacques Hennequin,
Henri IV dans ses oraisons funèbres ou la naissance
d'une légende (Paris 1977).
5J.D.M. Cornelissen,
Hooft en Tacitus. Bijdrage tot de kennis van de
vaderlandsche geschiedenis in de eerste helft der 17de eeuw
(Nijmegen/Utrecht 1938) 52.
6Deze ‘herinnering’ wordt tot op
de dag van vandaag levend gehouden. In een hedendaags Frans kinderboekje over
Hendrik IV wordt zijn uitspraak geciteerd: ‘Je ferai qu'il n'y aura point
de laboureur en mon royaume qui n'ai le moyen d'avoir une poule dans son
pot.’ Bij de bijgevoegde afbeelding van een vrouw die een kip zit te
plukken, staat als commentaar: ‘Aujourd'hui encore la poule au pot est
associée au souvenir d'Henri IV.’ Vgl. Laura Jaffé,
Henri IV roi de France et de Navarre (Paris
1994) 43.
7W. Baudartius,
Iaer-clachte over den schreckelijcken moort begaen aen
Henricvm IIII. [...]. (Arnhem, Jan Janszen 1611) 22. Knuttel
1824.
8Geciteerd naar J.den Tex,
Oldenbarnevelt II Oorlog 1588-1609 (Haarlem
1962) 89.
9Den Tex, Oldenbarnevelt II,
88.
10Den Tex, Oldenbarnevelt II,
89.
11H. Duits,
‘Een curieus pamflet: Baudartius' Iaer-clachte
over den schreckelijcken moort begaen aan Henricvm IIII.’ In:
H. Duits e.a. (red.), Eer is het lof des deuchts. Opstellen over renaissance
en classicisme aangeboden aan dr. Fokke Veenstra (Amsterdam 1986) 119-134,
m.n. 125.
12Vgl. Daniel Madelénat,
La biographie (Paris 1984) 36.
13
De briefwisseling van Pieter Corneliszoon
Hooft. Uitgegeven door H.W.van Tricht. [...]. Dl. I. 1599-1630
(Culemborg 1976) brief 127, 330-332.
14Zulks wordt gesuggereerd door G.C. Zieleman in
zijn artikel
‘Vondels dichtbrief “Aen myn heer den drost van
Muyden”’, in: Spiegel der Letteren 36 (1994)
19-44.
15S. Groenveld,
‘Pieter Corneliszoon Hooft en de geschiedenis van zijn
eigen tijd’. In: Id., Hooft als historieschrijver. Twee
studies (Weesp 1981) 7-46; m.n. 23. Eerder verschenen in: Bijdragen en
mededelingen betreffende de geschiedenis van de Nederlanden 93 (1978) 1,
43-68.
16Hooft,
Briefwisseling, I, brief 226a, 538-539.
17Hooft, Briefwisseling, I, 539. Vgl.
eveneens: Groenveld,
‘Hooft en de geschiedenis’,
23.
18Hooft, Briefwisseling, I, brief 226a,
538; Groenveld, ‘Hooft en de geschiedenis’, 24.
19Hooft, Briefwisseling, I, brief 226a,
538.
20Cornelissen,
Hooft en Tacitus, passim. Eeveneens
H.W. van Tricht,
Het leven van P.C. Hooft ('s-Gravenhage 1980)
92; Groenveld,
‘Hooft en de geschiedenis’, 25-29;
E.O.G. Haitsma Mulier,
‘Grotius, Hooft and the Writing of History in the
Dutch Republic’. In: A.C. Duke and C.A. Tamse (eds.), Clio's
Mirror. Historiography in Britain and the Netherlands (Zutphen 1985) 55-72,
m.n. 65-66.
21Groenveld, ‘Hooft en de
geschiedenis’, 27.
22Groenveld, ‘Hooft en de
geschiedenis’, 28.
23F. Veenstra,
Bijdrage tot de kennis van de invloeden op
Hooft (Assen 1946) 185-229. Vgl. eveneens J van den Vondel,
Twee zeevaartgedichten. [...]. Uitgegeven
met inleiding en commentaar door Marijke Spies. 2 dln. (Amsterdam etc. 1987).
Monumenta literaria neerlandica 3, I, 139.
24E.O.G. Haitsma Mulier,
‘Pieter Corneliszoon Hooft en de
geschiedschrijving’. In: Theoretische geschiedenis 9
(1982) 263-270, m.n. 268-269 en 270 noot 15 en 16.
25
Ivsti Lipsi De constantia libri dvo. Qui alloquium
praecipuè continent in publicis malis. Lvgdvni batavorvm, Ex
officina Christophori Plantini, 1584.
Iusti Lipsi Politicorum sive civilis doctrinae libri sex.
Qui ad principatum maxime spectant. Lugduni batavorum, Ex officina
Plantiniana, apud F. Raphelengium, 1589. Ik heb gebruik gemaakt van de
Nederlandse vertaling door Martin Everaert (van Brugge):
Iusti Lipsy Politica dat is regeringe van landen en
steden. Waerin alle vorsten ofte andere inde regering synde claerlyck worden
onderwesen hoe de gemeene sake behoorlick sal bedient worden.
Verduytscht door M.E.B. Delft, Adriaen Gerritsz, 1623. Alle citaten zijn aan
dit werk ontleend.
26Gerhard Oestreich,
Geist und Gestalt des frühmodernen Staates.
Ausgewählte Aufsätze (Berlin 1969) 51. Eveneens: E.O.G.
Haitsma Mulier,
‘Neostoïcisme en het vroegmoderne
Europa.’ In: Theoretische geschiedenis 9 (1982) 69-82.
Over de populariteit van het neostoïcisme in het Frankrijk van Hendrik IV
en over de betrekkingen tussen allerlei personen uit de omgeving van de koning
en Lipsius handelt Ernst Hinrichs
Fürstenlehre und politisches Handeln im Frankreich
Heinrichs IV. Untersuchungen über die politischen Denk- und
Handlungsformen im Späthumanismus (Göttingen
1969).
27Vgl. M.B. Smits-Veldt,
Samuel Coster ethicus-didacticus. Een onderzoek naar
dramatische opzet en morele instructie van Ithys, Polyxena en
Iphigenia (Groningen 1986) 298-299; H. Wansink,
Politieke wetenschappen aan de Leidse Universiteit
1575-±1650 (Utrecht 1981) 67-70. Een algemene inleiding op
De constantia geeft de vertaler in Justus Lipsius,
Over standvastigheid bij algemene rampspoed.
Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door P.H. Schrijvers (Baarn
1983) 11-27.
28Wansink, Politieke wetenschappen,
69.
29Justus Lipsius,
Twee boecken vande stantvasticheyt.
Vertaald door J. Mourentorf. Met inleiding en aantekeningen door H. van
Combruggen (Antwerpen 1948) 15.
30M.E.H.N. Mout,
‘Heilige Lipsius, bid voor ons’. In:
Tijdschrift voor geschiedenis 97 (1984) 195-206, m.n. 201.
31Vgl. de inleiding van Schrijvers bij Lipsius,
Over standvastigheid, 12.
32Wansink, Politieke wetenschappen, 70.
Overigens verscheen van de Leidse arts
Petrus Geesteranus in 1679 diens
De constantia christiana, waarin de schrijver in
plaats van, zoals Lipsius had gedaan, naar de antieken te verwijzen, verwijst
naar de Evangeliën, de brieven van Paulus
en het boek Job. Vgl. Schrijvers in Lipsius, Over
standvastigheid, 18.
33Wansink, Politieke wetenschappen,
70.
34Vgl. Hoofts bekende brief aan
Maria Tesselschade na de dood van
Christina van Erp.
Briefwisseling, I, brief 207, 494-495.
35Wansink, Politieke wetenschappen,
70.
36Wansink, Politieke wetenschappen,
71.
37Wansink, Politieke wetenschappen,
72.
38Lipsius, Politica, Lib. 2, Cap. 6,
31.
39Lipsius, Politica, Lib. 2, Cap. 6,
31.
40Lipsius, Politica, Lib. 2, Cap. 7,
33.
41Lipsius, Politica, Lib. 1, Cap. 8,
17.
42Wansink, Politieke wetenschappen,
72.
43Lipsius, Politica, Lib. 2, Cap. 7,
33.
44Lipsius, Politica, Lib. 1, Cap. 6,
14.
45Lipsius, Politica, Lib. 2, Cap. 11,
39.
46Lipsius, Politica, Lib. 2, Cap. 13,
44.
47Lipsius, Politica, Lib. 2, Cap. 14,
46.
48Wansink, Politieke wetenschappen,
73.
49Lipsius, Politica, Lib. 2, Cap. 15,
49.
50Lipsius, Politica, Lib. 2, Cap. 16,
51.
51Lipsius, Politica, Lib. 2, Cap. 16,
52.
52Lipsius, Politica, Lib. 2, Cap. 17,
53.
53Vgl. in dit verband ook: H. Duits,
‘Onheilspellende voortekenen in Hoofts “Henrik
de Gróte” (1626)’, in: H. van Dijk e.a. (red.),
In de zevende hemel. Opstellen voor P.E.L. Verkuyl over literatuur en
kosmos (Groningen 1993) 75-81.
54Vgl. H.H. Verstegen,
Het phoenix-motief. Bijdrage tot de studie van de
humanistische visie op de vorst (Nijmegen 1950) 16-17.
55Fokke Veenstra,
‘Aristocratische moraal’. In:
Id., Ethiek en moraal bij P.C. Hooft. Twee studies in
renaissancistische levensidealen (Zwolle 1968) 11-101, m.n. 45-47.
56Hooft, Henrik de Gróte,
239.
57Babelon,
Henri IV, 875.
58Ook in het hiervoor al geciteerde
kinderboekje over Hendrik IV wordt op dit facet gewezen: ‘Henri, le roi
autoritaire, est aussi Henri-Le-Vert-Galant, l'éternel amoureux. Sa
passion pour les femmes est légendaire.’ Vgl. Jaffé,
Henri IV, 48.
59Vgl. mijn artikel
‘“In 't minnen ging hij de maat te
buiten”: Rabus, Hooft en anderen over het liefdeleven van Henri
IV.’ In: Thieme van Dijk & Roel Zemel (red.), Het is
kermis hier. Lezingen ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van Nederlands
aan de Vrije Universiteit (Amsterdam 1994) 29-38; m.n. 33-35.
|
|