terug  begin  verderprepost

II. De metriek van het vers(3).

Het lied bestaat uit strophen, die op hunne beurt uit een zeker getal verzen zijn samengesteld. In het oude Nederlandsche lied, waardoor wij verstaan het lied van den vroegsten tijd onzer letterkunde tot bij het einde der XVIde eeuw, bestaat

[p. XVII]

het vers uit heffingen, arses, en slagen, theses(1). De slagen stemmen overeen met het accent, dat gedeelte van het woord waarop de spreker drukt, dat door hem wordt vooruitgezet of beklemtoond. In de Nederlandsche taal ligt de klemtoon in den regel op de eerste lettergreep (bróeder, bróederlijkheid), doorgaans overeenstemmend met het zakelijk gedeelte van het woord, waardoor het hoofddenkbeeld wordt uitgedrukt. Bijsyllaben en syllaben die bijdenkbeelden uitdrukken, blijven daarentegen onbeklemtoond(2).

Die regel steunt op de uitspraak der dagelijksche taal. Op de metriek der gewone spreektaal berust dan ook de metriek van ons oude lied.

Daar de arsis (zwakke tijd, levé) de thesis (zware tijd, frappé) voorafgaat, vangt in onze liederen het vers gewoonlijk aan met den zwakken tijd of voorslag (anacrousis).

Geen slag zonder opslag, geen thesis die niet ten minste door eene arsis wordt gevolgd:

 
Mer, lácen hóort hier náer;
 
al héeftse mí gheléken,
 
een ánder sách ic dáer
 
staen spréken tégen háer;
 
dat schóuwen víel mi swáer(3).

Doch de arses kunnen verdubbeld, verdriedubbeld zijn:

 
Bedríjft soláes genóechte ĕndĕ vrúecht(4).
 
Den lústĕlĭjckĕn méy ĭs nŭ índen tíjt(5).

Hetzelfde kan plaats hebben met de anacrousis, de heffing die den eersten slag voorafgaat:

 
Sĭjnĕn sánck is sóet om hóoren(6).
 
Néemt desen méy in dánckĕ sĕer cŏrăgíeus,
 
ĕndĕ bewáert hem na réynder séde(7).

Het voorlaatste vers bevat vierdubbele arsis; hetzelfde heeft plaats in het vers dat volgt:

 
Hi ís ghebórĕn văn ĕendĕr mághet réyne(8).
[p. XVIII]

Van de mogelijkheid om zulk een groot getal arses te laten hooren, komt het ook, dat voor het metrum overtollige woorden in den tekst sluipen:

 
Daer síet een fijn máecht ter véynster wt(1).
 
Mi róut so séer haer ghélu ghecrult háer(2).

De woorden fijn en ghecrult zijn hier gansch nutteloos.

Het vers:

 
Een íonghe máecht heeft mi gedáecht(3),

wordt in de Souterl., waar het tot wijsaanduiding strekt(4):

 
Een schóon ĭonghĕ máecht heeft mý ghedáecht;

was het vers geworden:

 
Een schóone ionghe máecht die héeft my ghedáecht,

dan zou het nog aan de vereischten van het metrum voldoen.

Van den regel dat de klemtoon op de eerste syllabe, gewoonlijk de hoofdsyllabe, valt en de bijsyllaben of syllaben, die bijdenkbeelden uitdrukken, onbeklemtoond blijven, wordt alleen afgeweken metri causa, ter handhaving van de maat, ontstaande uit de met elkander afwisselende arses en theses:

 
Het dághet índen óosten,
 
het líchtet óverál(5).

Metri causa ontvangen de syllaben in en o (in overal) den klemtoon, overigens aangeduid door den algemeenen gang van het lied, waarin elk vers drie accenten verkrijgt. Integendeel zal men scandeeren, uit neiging voor den voorslag:

 
In énen bóomgaert quám ic ghegáen(6).
 
Schoon líef, hoe lígt gy híer en sláept(7).

En wederom tot handhaving van arsis en thesis:

 
Om háren wílle so wíl ick wághen(8),

of:

 
Om háren wílle wil íck gaen wághen.

Evenals het metrum van het Dietsche vers uit de natuurlijke metriek der gewone spreektaal ontstaat, is dit vers zelf, dat in de meeste gevallen uit drie of vier accenten bestaat, uit de dagelijksche taal geboren:

[p. XIX]
 
We zijn gístren achternóen gaen wándelen,
 
we wílden onzen bróeder gaen bezóeken,
 
en áls we aan de hóogstraat kwámen,
 
vónden we dáar de brúgge gedráaid.

Volksspreuken liggen dikwijls in een vers besloten, maar ook dan, wanneer zij stellig niet als vers zijn opgevat, laten zij niet zelden het metrum van het Dietsche vers hooren:

 
't Zal úitkomen, al zóuden de vógelen 't úitbrengen.
 
't Is door 't óog van een náald gekrópen.
 
Níemand volmáakt dan Gód alléen.
 
De pótschrepers kómen in den hémel níet.
 
Hij heeft léelijk op den róoster gelégen.
 
Als het Góde níet en belíeft,
 
zijne heíligen en kúnnen het níet gebéteren(1).

(3)De algemeene hierna uiteengezette begrippen zijn ontleend aan onze verhandeling: De melodie van het Nederlandsche lied en hare rhythmische vormen, 's-Grav. 1902.
(1)De prosodisten noemen, omgekeerd, den zwaren tijd (frappé), arsis of heffing en den zwakken (levé), thesis of daling. Die verwarring bestond reeds bij de Grieken (Ambros, Gesch, der Musik, I, 406; Gevaert, Hist. et théor. de la mus. de l'antiq., II, 19).
(2)Zie J. Vercoullie, Nederl. spraakkunst, Gent 1894, bl. 11, en de daar vermelde uitzonderingen, die allen betrekking hebben op achtervoegsels of samenstellingen: rampzálig, koningín, ellénde, enz.
(3)Antw. lb., nr. 2, bl. 3, str. 2 (zie bl. 403 hierna).
(4)Ib., nr. 27, bl. 39, str. 2 (zie bl. 356 hierna).
(5)Ib., zelfde nr., str. I. Ook wel te scandeeren: Den lústelijcken méy is nú inden tíjt.
(6)Ib., zelfde nr., str. 1.
(7)Ib., zelfde nr. str. 6; kan ook gescandeerd worden: ‘Neemt désen’, enz.
(8)Bäumker, Niederl. geistl. Ldr., nr. 65, bl. 304.
(1)Antw. lb., nr. 84, bl. 127, str. 2 (zie bl. 988 hierna).
(2)Ib., nr. 138, bl. 206, str. 3 (zie bl. 696 hierna).
(3)Ib., nr. 40, bl. 57, str. 1 (zie bl. 560 hierna).
(4)Voor Ps. 98.
(5)Antw. lb., nr. 73, bl. 108, str. 1 (zie bl. 119 hierna).
(6)Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 6, bl. 32, str. 1.
(7)Id., nr. 85, bl. 186, str. 1 (zie bl. 352 hierna).
(8)Antw. lb., nr. 88, bl. 133, str. 1 (zie bl. 456 hierna).
(1)Prudens van Duyse, Spreekwoorden aen geestelyke zaken ontleend; Belg. museum, Gent, V (1841), bl. 192 vlg..
prepostterug  begin  verder