Het lied bestaat uit strophen, die op hunne beurt uit een zeker getal verzen zijn samengesteld. In het oude Nederlandsche lied, waardoor wij verstaan het lied van den vroegsten tijd onzer letterkunde tot bij het einde der XVIde eeuw, bestaat
het vers uit heffingen, arses, en slagen, theses(1). De slagen stemmen overeen met het accent, dat gedeelte van het woord waarop de spreker drukt, dat door hem wordt vooruitgezet of beklemtoond. In de Nederlandsche taal ligt de klemtoon in den regel op de eerste lettergreep (bróeder, bróederlijkheid), doorgaans overeenstemmend met het zakelijk gedeelte van het woord, waardoor het hoofddenkbeeld wordt uitgedrukt. Bijsyllaben en syllaben die bijdenkbeelden uitdrukken, blijven daarentegen onbeklemtoond(2).
Die regel steunt op de uitspraak der dagelijksche taal. Op de metriek der gewone spreektaal berust dan ook de metriek van ons oude lied.
Daar de arsis (zwakke tijd, levé) de thesis (zware tijd, frappé) voorafgaat, vangt in onze liederen het vers gewoonlijk aan met den zwakken tijd of voorslag (anacrousis).
Geen slag zonder opslag, geen thesis die niet ten minste door eene arsis wordt gevolgd:
Doch de arses kunnen verdubbeld, verdriedubbeld zijn:
Hetzelfde kan plaats hebben met de anacrousis, de heffing die den eersten slag voorafgaat:
Het voorlaatste vers bevat vierdubbele arsis; hetzelfde heeft plaats in het vers dat volgt:
Van de mogelijkheid om zulk een groot getal arses te laten hooren, komt het ook, dat voor het metrum overtollige woorden in den tekst sluipen:
De woorden fijn en ghecrult zijn hier gansch nutteloos.
Het vers:
wordt in de Souterl., waar het tot wijsaanduiding strekt(4):
was het vers geworden:
dan zou het nog aan de vereischten van het metrum voldoen.
Van den regel dat de klemtoon op de eerste syllabe, gewoonlijk de hoofdsyllabe, valt en de bijsyllaben of syllaben, die bijdenkbeelden uitdrukken, onbeklemtoond blijven, wordt alleen afgeweken metri causa, ter handhaving van de maat, ontstaande uit de met elkander afwisselende arses en theses:
Metri causa ontvangen de syllaben in en o (in overal) den klemtoon, overigens aangeduid door den algemeenen gang van het lied, waarin elk vers drie accenten verkrijgt. Integendeel zal men scandeeren, uit neiging voor den voorslag:
En wederom tot handhaving van arsis en thesis:
of:
Evenals het metrum van het Dietsche vers uit de natuurlijke metriek der gewone spreektaal ontstaat, is dit vers zelf, dat in de meeste gevallen uit drie of vier accenten bestaat, uit de dagelijksche taal geboren:
Volksspreuken liggen dikwijls in een vers besloten, maar ook dan, wanneer zij stellig niet als vers zijn opgevat, laten zij niet zelden het metrum van het Dietsche vers hooren: