
Str. 10, v. 3. kroon. Door een krans of kroon beduidde men de eer eener maagd (W.). - 15, 1. keirle. Kerle, karele, Kil.: vestis suprema; vgl. str. 25, ‘opperst kleed’. - 22, 1. galgenveld. De plaats waar volgens de oude overlevering tooveressen (heksen) vergaderden. - 27, 2. horen. ‘Die letzte Bitte, und die Rettung aus dem Tod durch blasen und spielen, kommt häufig vor, von Arion bis auf Gunnar, der durch Harfenschlag die Schlangen abhält’ (W. Grimm, aangeh. door Dr. J. Bolte, Das Märchen vom Tanze des Mönches im Dornbusch, Festschrift zum 5. Neuphilologentage. Berlin, 1892). - 29. pot met zalve, zalf was vroeger, ook bij de Romeinen, de grond der uitwendige: geneeskunst. Zie Dr. Deneffe, Etude sur la trousse d'un chirurgien Gallo-Romain du IIIe siècle, Anv. 1892; vandaar het nog levende spreekwoord: Er is geen zalf aan te strijken. In tekst C, str. 49, wordt door Roland (Halewijn) ook maagdezeem (maagdenhonig) als redmiddel aangeduid.

Variante. Zelfde lezing in 6/4-maat, met dit slot:


Naar mondelinge overlevering door Willems in Brabant opgeteekend en door hem medegedeeld in Mone's Anzeiger, V, 1836, kol. 448-450; - overgenomen door Uhland, Volksldr., 1844, nr. 74d. In zijne Oude Vl. ldr. 1848, nr. 49, bl. 116, gaf W. aan dien tekst een oudere kleur en duidde daarbij als varianten aan:
Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., 1856, nr. 9, bl. 39, die bij vergissing beweert, dat W. zich in zijne Oude Vl. ldr. hier en daar bediende van den Van Paemelschen tekst, waarover nader, nam Willems' eerste lezing over, buiten str. 19 en 20, die hij door de hierboven aangeduide varianten verving. Hoffmann's tekst werd aldus, met gewijzigde spelling:
Het overige zooals in Willems' eerste lezing; zoodat Hoffmanns tekst in het geheel veertig strophen beslaat.
Verder werd Willems' tweede lezing in meer moderne taal en spelling herdrukt door De Coussemaker, Chants pop. des Flamands de France, 1856, nr. 45, bl. 142; - door Snellaert, Oude en nieuwe liedjes, eerste uitg. Gent, 1852, nr. 76, bl. 46; tweede uitg. Gent, 1864, nr. 55, bl. 58, en, met Duitsche vertaling, door Böhme, Altd. Lb. 1877, nr. 15, bl. 64.
‘Een liedeken van den heere van Haelewyn, op de wyze van den Credo’, los blad nr. 25, in de eerste helft onzer eeuw gedrukt hij Van Paemel (1817-1845) te Gent, met de eigen spelling weergegeven. Ofschoon Willems verzekert, dat ‘de varianten van dit stuk in de gedrukte blaedjes welke men daervan op onze markten aentreft’ menigvuldig zijn, stemt Van Paemel's uitgave heel en al overeen met het los blad bij J. Thys (1783-1854) te Antwerpen gedrukt en opnieuw uitgegeven, met verbeterde spelling, door Hoffmann, t.a.p., nr. 10, bl. 43. Had men zich vroeger vergenoegd, zegt H., het tweede vers te herhalen, in later tijd werd bij elke strophe een derde regel bijgevoegd. H. achtte het dan ook nuttig dezen tekst mede te deelen als een bewijs van het diep verval der Nederlandsche volkspoëzie.
Lootens en Feys, Chants pop. flamands, 1879, nr. 37, bl. 60. De naam van Halewijn is door dien van Roland vervangen, en van het tooverlied is geen spraak meer. Elders zien wij integendeel Halewijn in de plaats treden van den Heer van Brunswijck (zie het lied ‘Een kind, en een kind’). De tekst C moge tot bewijs strekken, indien dit bewijs na den Van Paemelschen tekst nog wel noodig is, hoe oude liederen in den mond des volks kunnen verwateren en ontaarden.
Prudens van Duyse, Nagelaten gedichten, V, 1883, eerste stuk, bl. 39. In deze bewerking begroet Pol de Mont, Volkskunde, Gent IV, 1891, bl. 103 vlg., ‘een bewonderenswaardig symmetriek geheel; niet enkel een des dichters meesterlijkste navolgingen, maar eene der volmaaktste balladen die in eenige taal bestaan.’
Het Halewijnslied behoort tot onze oudste liederen. Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 53, zou het stuk in de XIVe, misschien in de XVe eeuw willen plaatsen. Misschien ook zou men mogen zeggen; op grond van de zeer oude melodie, dat dit lied in zijn oorspronkelijken, th