1, 1. t: soe schon en man. - 1, 5. Ende E. (?); de overige strophen hebben mede een dergelijk refrein. - In dit vers en in het voorgaande heeft het Hs. in plaats van inne, het woord inee. Verder vindt men: vrouwee, liefgee, duvelinnee, aenschouwee. - 5, 3. t. = die paeus. - 6, 1. t.: vuergicheit, - 7, 2. valsche bijgev.
Zonder wijsaanduiding; Hs. nr. 1042 van Meerman, van de eerste helft der XVIe eeuw, bl. 28, beschreven door Dr. J.G.R. Acquoy, Handelingen en mededeelingen van de Maatsch. der Nederl. letterk. te Leiden, 1888, bl. 56. vlg. Tekst uitgegeven door Dr. Rob. Priebsch, Deutsche Handschriften in England, Erlangen, 1896, bl. 235: ‘Dit is een liedekijn van vrou Venis ende van heer danel. En hoe dat hi van haer stre(e)c ende ghinc te romen.’ Op het slot leest men: ‘Mon (men) seit dat die paus hem gaf eenen dorre stoc ende dat hy die in die aerde sette(n) soude. Ende waert dat hy bloyende wort soe soude(n) sijn sonden vergheven sijn.
Ende die stoc wort bloeyende (vgl. tekst B, str. 12 en 15). Ende men socht heer danel ende men en vantten niet. Men seit dat hi met twee sijnre susteren kynderen wechgestreken was (vgl. tekst B, str. 14). Ist al waer dat men seit, so is(t) dit mee waer. Maer dat heilich evengely geloef ic bet. Dit ende van allen bevele ic god.’ - Zooals Dr. Priebsch doet opmerken, schijnt bovenstaande tekst eene ‘tendentiöse,’ meer christelijke bewerking van het oude volkslied, waarin ‘die moeder gods’ een oogenblik op den voorgrond treedt en over Venus zegepraalt. De strophenbouw is dezelfde als in den tekst die volgt; beide lezingen heeft men dus op dezelfde melodie kunnen zingen.

2, 3. waert bijgev. - 9, 1. t.: Doen quam hi. - 9, 3. t.: geerne. - 13, 3. t.: so menighe siele genomen. - 13, 4. t.: mochten. - 16, 1. t: den berch. - 18, 1. t.: Si sette hem eenen stoel. - 19, 1. niet, bijgev. - 19, 2. versieren, verzinnen = het door H.v.F. hier gebruikte visieren. - 19, 3. camer soude comen.
Antw. lb., nr. 160, bl. 238, ‘van heer Danielken,’ tekst hierboven weergegeven; - Willems, Oude Vl. ldr., nr. 51, bl. 126; - Hoffmann v.F., Höllandische Volksldr., 1833, nr. 10, bl. 131 en Niederl. Volksldr., nr. 4, bl. 26. - Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, nr. 17, bl. 39 vlg., Duitsche teksten.
Grimm, aangeh. door Böhme, Altd. Lb., bl. 84, en door Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 65, beschouwt de sage van Tannhäuser in den Venusberg, als eene der aantrekkelijkste uit de middeleeuwen; daarin worden het verlangen naar het vroegere heidendom en de hardheid der christelijke geestelijken op roerende wijze afgeschilderd. Germaansch-mythische elementen zijn hier met christelijke denkbeelden verbonden. Venus is vrouw Holda (vrouw Holle), die in holle bergen woont en slechts voor de liefde leeft. De grijsaard van wien Tannhäuser afscheid neemt (str. 7) is de trouwe Eckart; misschien is hij een heidensch priester, een van de hovelingen der Godin, haar heraut en begeleider.... Het volk heeft den Venusberg gelijk gesteld met de hel, zooals sage en liederen aantoonen. Met deze mythe nu, werd een historisch persoon verbonden: de ridderlijke zanger Tannhäuser, wiens losbandig, zwervend leven zeer goed bij de oude sage past.
Dr. Grässe (Der Tannhäuser und der ewige Jude) insgelijks aangehaald door Dr. Kalff meent - ‘op goeden grond’, volgens dezen laatste - dat de sage oorspronkelijk betrekking zal gehad hebben op eene ‘Wasserfrau.’ In elk geval, zegt Dr. Grässe, heeft de sage drie tijdperken van ontwikkeling doorleefd: eerst was zij zuiver heidensch, d.w.z. eene elfengeschiedenis, van het verkeer van een sterveling en eene elf; daarna werd zij christelijk gemaakt, en eindelijk bracht men haar over op den dichter, den minnezanger Tannhäuser. Grimm en Grässe zijn het eens, zegt nog Dr. Kalff, dat evenals in de Halewijnsage ook hier een oorspronkelijk mythisch element verbonden is geworden met latere middeneeuwsche verhalen.
De Nederlandsche tekst is eene navolging van den Duitschen; in dezen laatsten vindt men echter str. 14, 18, 19 en 20 van den eersten niet terug. Dr. Kalff is dan ook van meening, dat deze strophen zouden kunnen uit een ander Nederlandsch lied voortkomen, waarvan werkelijk een heer Daniel de held was en dat door den bewerker met het Tannhäuser-lied is samengesmolten.
Willems verklaart de 14e strophe niet te kunnen uitleggen. ‘Misschien,’ schrijft hij, ‘vindt men in de omstreken dezer stad (Ronse, Oost-Vlaanderen) een Venusberg?’
Heremans, (Taelverbond, Antw. 1854, bl. 61), verzekert dat door hem vruchtelooze pogingen werden aangewend om dien berg in de omstreken van Ronse te ontdekken. Hij vond alleenlijk een Hollebeke, dat ‘misschien aen Vrouw Holle of Holda zou doen denken.’ Op zijne beurt gewaagt Dautzenberg, insgelijks in het Taelverbond, t.a.p., bl. 52, van een Venusberg, naar oude oorkonden tusschen ‘Glabbeck en Nieuwcapelle’ gelegen. Daar het stuk eene navolging van het Duitsch
is, kunnen noch Willems', noch Heremans', noch Dautzenberg's veronderstellingen of beweringen tot het bewijs voeren, dat het Tannhäuserlied aan de door hen aangehaalde plaatsen meer dan aan eenige andere eigen was. Er bestaat overigens nog een Hollebeke in de omstreken van Wervik, in West-Vlaanderen.
Volgens Erk u. Böhme, I, 50, kon de Tannhäusersage zich eerst na den dood, o. 1270, van den zwervenden minnezanger ‘Ritter von Danhusen’ ontwikkelen. Het volkslied waarin het Pausdom wordt aangevallen, dagteekent echter van lateren tijd en kan slechts omstreeks het einde der XVe eeuw, kort vóór de Hervorming zijn ontstaan.
Dautzenberg verzekert, dat de tooneelen en personenrollen der sage o. 1854: ‘in Braband, Limburg en elders’ nog getrouw bewaard bleven aan den haard van hut en hoeve.
Heremans bracht reeds den naam van Daniel in verband met dien van ‘Danhuiser’. Dr. W. van Helten, Tijdschrift voor Nederl. taal en letterk., Leiden, 1896, bl. 219, is van gevoelen, dat een onbekenden ‘tradutore - traditore’, allicht het woord ‘danhus'’, dat in een Duitschen tekst te lezen stond, tot de schepping van Daniel heeft kunnen verleiden.
De melodie van tekst A is onbekend.
De eerste melodie van tekst B is te vinden bij Schmeltzel, 1544, Quotlibet 8, tenorstem. Het stuk werd in partituur uitgegeven door R. Eitner, Beilage zu den Monatsschriften für Musikgeschichte, VIII, bl. 49:

Böhme, nr. 21, bl. 82, en Erk u. Böhme, I, 39, doen opmerken, dat de vierde regel, ook voor de melodie, niet meer tot het Tannhäuserlied behoort. Zooals deze zangwijs hierboven voorkomt, werd zij door Böhme voleindigd.
De tweede door ons medegedeelde melodie van tekst B is te vinden in Kretzschmer's Volksldr. I, nr. 83, bl. 149, daarna in Willems' Oude Vl. ldr., t.a.p. waar zij door Snellaert bij den door W. veranderden tekst van het Antw. lb. werd gevoegd; verder komt zij voor bij Böhme, nr. 22, bl. 86, en bij Erk u. Böhme, nr. 18a, bl. 46. Deze zangwijs in 1830 door Prof. Stalder opgeteekend in Zwitserland, ‘Escholdsmatt im Entlibuch’ - Entlibuch maakt een dorp uit van het canton Lüzern - is eene betrekkelijk moderne ‘Tyrolermelodie’.
Naar eene aanteekening van Snellaert op Willems t.a.p., bl. 545, bracht deze laatste het hier besproken lied op ‘het III.liedeken’, met wijsaanduiding ‘Het waren twee ghespeelkens’, van J. Fruytiers' Ecclesiasticus, Antw. 1565, bl. 16:

Deze melodie, nauw verwant met ‘Een ridder enĚ„ een meysken ionck’ (zie dit lied), en integendeel geheel en al verschillend van de zangwijs van ‘Het waren twee ghespeelkens goet’ (zie mede dit lied), zal, met de afschuwelijke scansie ‘Wildý hoorén’, door Willems alleen zijn aangewend bij gebrek aan de oorspronkelijke zangwijs.