
3, 1. H.v.F. sic.; t.: mi int aenranden. - 3, 7. t.: zijn. - 4, 1. t.: doen. - 8, 8. God, bijgev. - 9, 3. t.: noyet mijn dagen. - 9, 7. ende, bijgev. - 10, 2. t.: een so. - 10, 5. dat, bijgev. - 10, 7. t.; sloecht. - 11, 2. t.: schande. - 11, 4. t.: lande. - 11, 7. t.: heb. - 13, 5. t.: spreect. - 17, 1. t.: neemt.
Antw. lb., 1544, nr. 83, bl. 122, ‘vanden ouden Hillebrant’, hierboven weergegeven; - Een Aemstelredams amoreus lietboeck, 1589 (beschreven door Dr. J. Bolte, Tijdschrift voor Nederl. taal- en letterkunde, Leiden 1891, bl. 175 vlg.) bl. 104a; - Oudt Amst. lb., bl. 6; - Oudt Haerl. lb., 16en druk, bl. 62; de laatste twee aangehaald door Hoffmann v.F. hierna vermeld; - Hs. van den rederijker Boeckx, 1570-1620, K. Bibliotheek te Brussel, nr. 14175.
Dit lied sluit zich aan bij het aloude Hildebrandslied, het oudste Germaansch gedicht, en bij de jongere Hoogduitsche en Nederduitsche Hildebrandsliederen. Van het oude gedicht bleef alleen over het dikwijls besproken fragment, uit de VIIIe of IXe eeuw, in allitereerende verzen, in Hoogduitschen sterk tot den Nederduitschen nijgenden tongval geschreven. Het jongere Hoogduitsche lied behoort dan toch nog ten minste in de XIVe eeuw thuis, zooals uit een handschriftelijk fragment van 1359 blijkt. De inhoud is de volgende: Diederik van Bern is voor Odoacer naar den Hunnenkoning Attila gevlucht met zijn dienstknecht Hildebrand. Deze laatste heeft zijn onmondigen zoon te Bern (Verona) achtergelaten en ontmoet, als hij na vele jaren terugkeert, dien zoon, Hadubrand geheeten. Zij geraken in strijd; door den vader overwonnen, wordt de zoon gedwongen zijn naam te noemen, waaruit de herkenning volgt. Samen trekken zij nu naar Bern, waar zij door de echtgenoote en moeder, vrouw Goedele (Ute in den Hoogduitschen, Güde in den Nederduitschen tekst) met vreugde ontvangen worden.
Het Nederlandsch Hildebrands- of Hillebrantslied - ‘Hollebrant’ heet het ook weer in de Nederduitsche lezing - werd voor het eerst uitgegeven door Willems, Belgisch museum, 1844, bl. 461 vlg., naar het voornoemde Hs. van Boeckx, en wederom herdrukt door Willems in zijne Oude Vl. ldr., 1848, nr. 52, bl. 129, naar dezelfde bron doch ditmaal niet zonder veranderingen. In 1855 verscheen Hoffmann's uitgave van het Antwerpsch lb. en daarin het lied ‘Vanden ouden Hillebrant’, waarvan Hoffmann, in zijne Niederl. Volksldr., 1856, nr. I, bl. 1, eene nieuwe uitgave bezorgde, met enkele verbeteringen aan het Oudt Amst. lb. ontleend. Hoffmann komt tot het besluit: ‘das niederländische Lied ist ganz nachgebildet dem deutschen, wie es sich noch in fliegenden Blättern seit dem Anf. des 16. Jahrh. erhalten hat.’
Naar Dr. Kalff's oordeel, Het lied in de M.E., bl. 78, heeft Hoffmann bij deze uitspraak geene rekening gehouden (en kon dat misschien ook niet) met de Nederduitsche bewerking van het lied, uitgegeven door Karel Bartsch, Germania, VII, 284. Uit de vergelijking van den Nederduitschen met den Nederlandschen tekst - Dr. Kalff plaatst de teksten naast elkander - blijkt, ‘dat de Nederlandsche meer trekken van gelijkheid met het Nederduitsch heeft dan met het Hoogduitsch; dat de Nederlandsche vertaler hier eene strophe verwaterd, daar een forschen trek verzacht heeft, in het algemeen het lied tammer en huisbakkener heeft gemaakt.’
De schrijver van Het lied in de M.E. zou niet ongeneigd zijn dien vertaler voor een geestelijke te houden; dat een liedjeszanger de bewerker zou geweest zijn, kan hij echter niet aannemen.
Over de Duitsche bronnen, zie Böhme, Altd. Lb., nr. I, bl. 4 vlg, die ook de Deensche bronnen vermeldt, en Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, I, nr. 21-22, bl. 62-72.
De melodie, waarvan, ter onzer kennis, geen oorspronkelijke Nederlandsche lezing bestaat, komt voor met tweestemmige bewerking door Joannes Stahl, in Bicinia, Vitebergae, apud G. Rhaw, 1545, I, nr. 94. Zij werd herdrukt door Böhme, t.a.p., nr. I, bl. 1, doch getrouwer teruggegeven door Erk u. Böhme,
t.a.p., I, nr. 22, bl. 67. Dr. J. Bolte had de goedheid ons eene copie van die tweestemmige bewerking te bezorgen. Rekening houdende met den versbouw, brengen wij de melodie in moderne notatie op den Nederlandschen tekst, het in dezen niet aangeduide refrein ‘Ey ia’ achterwege latende. De gevoelige noot op het slot der gemelde bewerking, die wij laten volgen, behoort tot de meerstemmige muziek, en zal in den volkszang, zoowel als de noot die onmiddellijk voorafgaat, niet hebben bestaan.

Al de strophen van het Hildebrandslied zijn samengesteld uit verzen met drie accenten:
in de 13de strophe met driedubbelen voorslag:
en met de melodie:

Wil men schrijven en zingen:

dat kan ookal zijn, maar het komt ons voor, dat de rhythmus op die wijze te scherp is afgeteekend.
De melodie, zegt Böhme, Altd. Lb., bl. 7, is met haren tekst in de XIIIe eeuw geboren of diende als ‘Heldenton’ voor de ‘Nibelungen-Rhapsodien’. Naar des schrijvers meening, werden op deze melodie enkele zangen der Nibelungen voorgedragen, vooraleer die zangen hetzij door eene, hetzij door meer dichterhanden tot een geheel epos mochten gedijen. In Deutscher Liederhort, bl. 66 en 71, schijnt Böhme echter van deze meening te zijn afgeweken, daar hij op dit punt niet terugkomt en bovenstaande zangwijze mededeelt als behoorende tot ‘Das jüngere Hildebrandlied’.
Dat deze zangwijze in den aanvang der XVIe eeuw in de Nederlanden populair was, blijkt uit de liederen ‘Van liefden coemt groot lijden’ en ‘Si ghinc den bogaert omme’ (zie deze liederen in onze verzameling), ook aan het tooneelstuk Eneas en Dido (aangehaald door Snellaert, Verhandeling over de Nederlandsche dichtkunst, 1838, bl. 12) in het jaar 1551 te Antwerpen vertoond en waarin een lied: ‘Ontwect ghij amoröse // ontwect, 't is meer dan tijt’, gezongen werd ‘up die voys van den ouden Hillebrandt.’
Het lied ‘Ick wil te landt wt rijden // sprack daer den ouden Grijs’, een ‘Oorlof liedeken van Duckdalve’ (1573), werd insgelijks op dezelfde wijs gezongen. Het stuk, voor het eerst aangehaald door Mone, Übersicht, 1838, § 344, bl. 245, werd herdrukt door Wackernagel, Lieder der Niederländischen Reformierten, bl. 172, naar Een nieu Geusen lieden-boecxken, 1588, bl. 35. Het komt ook voor in H.J. van Lummel's, Nieuw-Geuzenlb., nr. 78, bl. 179. - Naar Een nieu liedenboeck, 1562,
vermeldt W. nog, t.a.p., bl. 17, eene wijs ‘vanden ouden Hillebrant, (4 + 3) zeil. Strophe’, voor: ‘De heele werelt seere’ (ook aangeh. door Dr. Wieder, Schriftuurlijke liedekens, 's Grav 1900, Reg. nr. 127), een lied dat inderdaad zevenregelige strophe heeft. Nog wordt die wijs opgegeven voor een lied: ‘O radt van avontueren’, een dialoog tusschen de stad Enchuysen, die in 1572 de eerste in Noord-Holland het Spaansche juk afwierp, en de stad Amsterdam. Alva treedt hier nogmaals te voorschijn; zie Wackernagel, t.a.p., bl. 155, en Van Lummel, t.a.p., bl. 173. De wijs ‘van den ouden Ghyn’ ‘Grijn’ (Grys?) wordt insgelijks onder de Geuzenliederen en elders aangegeven. In de XVIIe eeuw wordt het Hildebrandslied opgenomen in het Oudt Haerlemsch lb. en aangehaald als wijs, door Stalpaert, Gulde-iaers feest-dagen, Antw. 1635, bl. 507 en 581, voor de liederen: ‘Gregoorjus die voor henen’ en ‘Dat grooten ende kleynen’. - De melodie van het geestelijk lied ‘Het stont een moeder reine’ (zie dit lied in onze verzameling), stamt van de Hildebrandsmelodie af. - Dr. Kalff, bl. 89, leert ons, dat de tekst van het ‘Hildebrandslied’ nog in den aanvang der XVIIIe eeuw voor het volk op losse blaadjes werd gedrukt (o.a. voorkomende in Scheltema's verzameling, bl. 1100) en misschien nog op het laatst der eeuw bekend was. In het lied: ‘Een maegd van twintig jaren’, voorkomende in een volksboekje, De vrolyke openhartige minnaar, Amst. 1795, vindt men: ‘'k Ben Hillebrand geheeten,’ enz.
Dr. A.D. Loman, Twaalf Geuzeliedjes, 1872, nr. 7, gaf het hierboven gemelde ‘Oorlof liedeken van Duckdalve’ uit, met eene eenigszins van de bovenstaande afwijkende melodie, naar Kretzschmer, Volksldr., I, nr. 60, bl. 101, en naar Deutsche Volkslieder aus alter u. neuer Zeit, bewerkt door F.W. Arnold.