
8, 2. Hoffm. v.F. stelt voor: zouden ze u bekend wel zijn, wat aan het rijm voldoet, maar toch eene niet gewone inversie blijft. - De tekst is bedorven het geheele stuk door. - 13, 1. en 14, 1. al bijgev. - 17, 3. t.: hoeren.
Door Grimm ontdekt in Hollandsche volksliederboekjes. Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 90, duidde het eerst een der boekjes aan waarin het stuk te vinden is, namelijk ‘De Oost-Indische theeboom’, 1818, bl. 69. - Willems, Oude Vl. ldr., nr. 50, bl. 123, ‘De jager uit Grieken’; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 13, bl. 55, hierboven weergegeven. Het lied verhaalt van een jager, die in het woud, ondanks de waarschuwingen van een gebonden grijsaard, door eene reuzin gevangen wordt genomen. - Grimm, Altdeutsche Wälder, I, 161-164, verklaart dat dit oude schoone met de Oudduitsche poëzie in verband staande lied, te oordeelen naar den vorm, vroeger ook in Duitschland moet zijn in zwang geweest, en dat de geheele toon die der Duitsche en Deensche heldenliederen is. Grimm wees dan ook op de Wolfdietrich-sage uit het ‘Heldenbuch’.
Dr. Kalff is van meening, dat de samenhang niet te miskennen is, ofschoon het verhaal van het volkslied veel hooger staat, vollediger is en meer mythische trekken vertoont. Hem schijnt het waarschijnlijk, dat het lied uit Duitschland tot ons gekomen is, hoewel geen Duitsche vormen of woorden daarop wijzen, en de stof ten minste in de XIVe eeuw, misschien nog vroeger, thuis behoort. Dat de Nederlandsche tekst
door den tijd veel geleden heeft, hoeft nauwelijks melding. De Duitsche tekst is verloren. Het lied werd in het Nederlandsch met Duitsche vertaling opgenomen door Böhme, Altd. Lb., nr. 3a, bl. 17, en door Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, I, nr. 24, bl. 78, als vroeger tot den Duitschen liederenschat behoord hebbende.
In eene vroegere uitgave van De Oost-Indische thee-boom, Amst. B. Koene, z.j. (c. 1795) vindt men, bl. 54, als wijsaanduiding voor ons lied: ‘Ik ging in den bogaert om met etc.’. Heeft deze wijsaanduiding iets gemeen met het oude ‘Si ghinc den bogaert omme / met een so droevighen sanc?’. Dit lied, waarvan de zangwijze van de Hildebrandsmelodie afstamt, heeft zevenregeligen strophenbouw, terwijl het Hildebrandslied achtregelige strophen heeft. Zie nochtans het op bl. 43 aangehaalde lied: ‘De heele werelt seere’.
Het lied ‘Ick drage dat liden verborgen’, te vinden in Een dev. en̄ prof. boecxken, Antw. 1539, nr. 209 (uitg. D.F. Scheurleer, bl. 240), dat denzelfden strophenbouw heeft als het hier besprokene, werd gezongen ‘op de selve wise’ als het lied ‘Ic sie die morgen sterre’, of op de wijs ‘Het reedt een ridder wt iaghen’. Bij gebrek aan eene andere gebruiken wij de melodie van Een dev. en̄ prof. boecxken.
Eene wijs ‘Het reet een ridder jaghen uit // aan gheenre heiden groene’ wordt vermeld door Hoffmann, Niederl. Volksldr., bl. XXVI, naar een der hem vroeger toebehoorende, thans te Berlijn berustende 15e-eeuwsche Hss.
Aanverwanten aanvang hebben verschillende liederen, waarvan de strophenbouw echter verschilt.
Drieregelige strophe (verzen met drie accenten): ‘Dat reed er een ridder wt jaghen // drie uertjens voor den dagen’; zie in onze verzameling: Nu wil ick een liedeken singhen; zie mede, Veelderhande schriftuerlijcke nieuwe liedekens, Utrecht, 1593, bl. 782: Het reedt een ruyter wt jaghen’, voor: ‘Troost die moet u doch wesen’.
Vierregelige strophe (verzen met vier en drie accenten): ‘Het voer een ruyter iaghen’, Een nieu Geusenliedenboecxken, 1588, bl. 9, tekst herdrukt door Wackernagel, Lieder der niederl. Reformierten, bl. 150, voor het lied van J. Wybo (zie Dr. Wieder, Schriftuurlijke liedekens, 's Grav. 1900, bl. 134, nr. XXVI), met aanvangstrophe:
‘Het reder een riddertje uit jaghen,’ aanvang van een lied uit het Oudt Amst. lb. waarvan Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 92, bl. 196, de laatste drie strophen mededeelt. De eerste van deze drie vangt aan:
Vijfregelige strophe. ‘Het voer een ridder iagen / iagen aan dat wout’. Zie dit lied onder de wereldlijke liederen onzer verzameling.
Willems gebruikte eene 17e-eeuwsche zangwijs, die hij vond in de bij het zoogenaamd Hs. van gedichten van Anna Bijns, gevoegde melodieën, nr. 19547 der K. Bibl. te Brussel, en in Den geestelycken leeuwercker, van Bolognino, Antw. 1645, bl. 430. Ziehier deze zangwijs:

Deze melodie is geen andere dan degene, welke diende voor het tijdens de XVIIe eeuw populaire, schoon tamelijk onbeduidende lied: ‘Corydon sucht nacht ende dach’, te vinden o.a. in Het Brabandts nachtegaelken, Brussel, 1656, bl. 142, ‘stem: soo 't begint’. Ten einde het lied van den Jager van Grieken op de 17e-eeuwsche melodie te kunnen wringen, bracht Willems het in achtregelige strophen over, buiten de laatste strophe, die hij vierregelig liet. Nu werd de 17e-eeuwsche zangwijze, met bijvoeging van den door Willems zelf op muziek gebrachten derden regel van de strophe, op den tekst gepast.