
Lootens en Feys, Chants pop. flamands, nr. 38, bl. 66. Het lied behoort tot de tellingen, onder het opdreunen waarvan de kantwerksters de maliën telden van het ‘annouwsel’, een kantwerk, dat voor een honderd jaar zeer in de mode was. Het maken van eene malie, die onmiddellijk op het kussen werd vastgespeet met eene speld, duurde den tijd om een vers op te zeggen. Vandaar ook de benaming van steeklied door Snellaert insgelijks aan het ‘Halewijnslied’ gegeven. In eene bij het hier besproken lied gevoegde noot leest men: ‘Cette pièce est chantée par trois dentelières, qui se distribuent les rôles de la manière suivante. L'une d'elles élève trois fuseaux; celle qui choisit le mieux garni parle au nom de
hir Alewijn; le fuseau moyen a le rôle de mi Adel; le moins garni commence, c'est le rôle de la mère’. Beurtelings spreken Mi Adel, Hir Alewijn en de moeder. De rolveranderingen worden aangeduid door een B. (bruid), Z. (zoon) en M. (moeder). Het komt Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 95, voor, dat wij in dit stuk de weinige overblijfselen hebben van het deel der Gudrun-sage, waarin de geschiedenis van Gudrun wordt verhaald en dat vroeger een afzonderlijk deel is geweest uit verscheidene liederen ontstaan. Ook daar zien wij twee koningskinderen: Hartmuot en Gudrun, die samen op een burg vertoeven, ook daar is de koningszoon de minnaar, al wordt zijne liefde niet beantwoord, ook daar vertrekt hij uit het land en stelt zijne geliefde onder de hoede zijner moeder en ook daar mishandelt deze de haer toevertrouwde. Ook daar wordt het mishandelde meisje na zeven jaren door haren minnaar (echter niet denzelfden) verlost en ook daar ontgaat de booze moeder de straf niet. Niet alleen stemt de gang van beide verhalen overeen, maar ook sommige bijzonderheden blijven dezelfde, terwijl aan den anderen kant van eenige afwijkingen eene natuurlijke verklaring kan worden gegeven. Dr. Kalff onderzoekt de punten van verschil en overeenkomst, en besluit dat dit lied van de XIIIe, misschien van de XIVe eeuw, zou kunnen eene bewerking zijn van een der kortere liederen, welke nog onder het volk voortleefden nadat het epos reeds was samengesteld.
Eerst op onzen tijd werd het lied opgeschreven, nadat het gedurende eeuwen in den mond des volks had voortgeleefd. De rijmparen, zooals Dr. Kalff, t.a.p., bl. 551, zegt, zijn nog in grooten getale aanwezig; ook de vier accenten ontbreken niet. Laatstgenoemde schrijver meent, dat het stuk in zijn oorspronkelijken vorm evenals het ‘Halewijnslied’ tweeregelige strophe had. De melodie door L. en F. bekend gemaakt, diende nog voor twee andere insgelijks door hen medegedeelde liederen: (nrs. 40, bl. 74 en 56 bl. 110, ‘Het was op een zondag na den noen’ en ‘Er was een heer, hij had eenen zoon’), die, ofschoon zij mede van den tijd hadden te lijden, als uit vierregelige strophen bestaande moeten aangezien worden. Misschien wordt ons de vroegere vorm van ons lied aangetoond in een geestelijk lied voorkomende o.a. in Veelderhande liedekens, Amst. 1593, ‘nae de wijse: van Adelken ende Alewijn’(1). Wij zeggen misschien, want in het lied: ‘Daar was er een oolijken schachelaar’(2), vindt men ook een ‘Adeltje’ en een ‘Alewijn’.
Ziehier nu de eerste strophe van het bedoelde geestelijk lied:
Wat er ook van den strophenbouw zij, de aan den kerkzang ontleende melodie strekt zich slechts tot de eerste twee verzen uit. L. en F. geven de zangwijs aldus:

Het stuk werd eigenlijk niet gezongen, maar gepsalmodieerd; d.i. voorgedragen in ongemeten rhythmus. Deze spruit voort uit de herhaling der muzikale zinsnede en hare cadens op het einde van ieder vers. Aldus werden op dezelfde muzikale phrase voorgedragen de verzen:
en,
en met de niet in gewone, maar in vrije maat weer te geven muziek:

De melodie of liever de melodische formule behoort, zeiden wij, tot den kerkzang. Zooals wij het reeds elders(1) hebben aangetoond, herinnert zij aan den derden psalmtoon en eene zekere lezing der hymne ‘Te lucis’, te vinden o.a. bij J. Mohr, Manuel contenant l'ordinaire de la messe, enz. Paris, enz., 7e édit., 1888, bl. 315:
