



1, 3. De valsche klemtoon van dén, die in de eerste melodie gevonden wordt, schijnt ook wel door de tweede vereischt. - 12, 2. de Leverzee, de fabelachtige zee, ook vermeld in het oude gedicht bekend als De reis van Sinte Brandane. - 33, 7. den vyand = de duivel. - 36, 2. en 4. H.v.F. stelt vernam, onbekwam. - 46, 3. al bijgev. - 63, 7. spaede bijgev. naar de losse bladen.
Van Paemel, los blad, nr. 28, ‘Schoon historie-liedeken van den Hertog van Bronswyk, hoe hy verzeylde op de wilde zee, zeer wonderlyk om te lezen of te zingen. ‘Stemme: van Helena’; -J. de Cort, Antw., los bl. nr. 13. - Willems, Oude Vl. ld., nr. 107, bl. 251, bracht het lied op 38 strophen. - De Coussemaker, Chants pop. des Flam. de France, nr. 47, bl. 152, geeft, met enkele varianten, den tekst van Van Paemel. - Hoffmann, Niederl. Volksldr., nr. 2, bl. 6, naar Van Paemel. Hier overgenomen met de verbeteringen door H.v.F. aan het stuk toegebracht en door hem aangeduid. - Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, I, nr. 27, 86, leeren, dat het lied vroeger werd medegedeeld door F. von der Hagen in ‘Neues Jahrbuch der Berlinischen Gesellschaft für deutsche Sprache’, 8, bl. 359, en geven eene Duitsche vertaling van de eerste vijf strophen. - Over dit lied, waarin men ‘herinneringen aantreft aan het verhaal van Hilde, dat als 't ware de inleiding tot het eigenlijke verhaal van Gudrun vormt’, zie Dr. G. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 105 vlg..
H.v.F. doet opmerken, dat het blijkt uit verschillende uitdrukkingen van den verjongden tekst, zooals we dien thans bezitten en die van de Rederijkers afstamt, dat het lied oorspronkelijk tot de XVe eeuw behoort. Dr. Kalff was vroeger van dezelfde meening, en dacht, dat het misschien door het toedoen van eenig liedjeszanger in den tegenwoordigen toestand werd gebracht. Op deze meening kwam hij echter terug (Tijdschrift voor Nederl. taal- en letterk., V, 1885, bl. 68 vlg.). Overwegende, dat verschillende liederen, zooals het lied ‘van Grisella’ of ‘Griseldis’, - ‘van den Heer Frederic van Genua en zyn huysvrouwe’, - ‘van de verduldige Helena’, - ‘van Valentyn en Oursson’, aan volksromans van het begin der XVIe eeuw zijn ontleend, en alhoewel dit niet het geval is met het lied ‘van den Hertog van
Brunswyk’, gelooft Dr. Kalff nu ook niet langer aan den hoogen ouderdom van dit laatste stuk. Al deze liederen zijn in denzelfden trant, in dezelfde epische versmaat, die aan de Niebelungenstrophe herinnert.
De naam van Brunenswijc, Bruinswijck wordt meermaals in onze liederen vermeld; zie Hoffmann v.F., Niederl. geist. Ldr., nr. 76, bl. 158, en Bäumker, Niederl. geist. Ldr., nr. 76. bl. 314; Antw. lb., nr. 15, bl. 20, nr. 84, bl. 127, nr. 151, bl. 225, enz.
De Coussemaker, t.a.p.D.C. houdt deze melodie voor een der merkwaardigste zijner verzameling en is overtuigd dat zij in de XVe eeuw thuis behoort. Zij kan ook wel van lateren tijd zijn; immers nog lang na de XVe eeuw doen zich melodieën zonder leidtoon (gevoelige noot) voor. - Overgenomen door Erk u. Böhme, t.a.p.
Praetorius, Musae Sioniae, 1609. De hierboven aangeduide wijs ‘van Helena’ is ontleend aan een lied met denzelfden naam (Van Paemel, los blad, nr. 27) met wijsaanduiding ‘van den Graeve van Roomen’. De Nederlandsche tekst van dit laatste lied schijnt verloren, doch de Duitsche is bewaard gebleven en wordt medegedeeld door Böhme, Altd. Lb., nr. 7, bl. 38 en door Erk u. Böhme, t.a.p. I, nr. 29, bl. 93, waar men mede de melodie volgens Praetorius vindt.
Een dev. enĚ„ prof. boecxken, Ant. 1539, nr. 102, uitg. D.F. Scheurleer, bl. 129, met wijsaanduiding ‘Ick ligghe op die steenpoorte ghevaen’ voor ‘Sal ick sijns langhe ontberen’. De overeenkomst met de voorgaande melodie werd vastgesteld door Böhme. Volgens denzelfde kan de stem ‘Ick ligghe’ enz. bij eene Nederlandsche navolging van ‘Der Graf von Rom’ behoord hebben. Het lied verhaalt van een Graef die naar het Heilig land trekt, gevangen wordt genomen en door den moed en den list zijner vrouw wordt verlost.
Deze nog jongere melodie dan de twee voorgaande wordt insgelijks medegedeeld door Erk u. Böhme, t.a.p., naar ‘Gesänge aus gewissen Psalmen Davids’. Amst. L. Elzwiern, 1646.
Op de melodie ‘van den Graeve van Roomen’ werden de Nederduitsche lezing van het lied van Egmont en Horn (Uhland, Volksldr. nr. 356) ‘Als men schref vöffteinhundert’, en de Duitsche lezing van 't Wilhelmus (Ambraser Lb., 1582, nr. 146) gezongen. Dezelfde wijs diende voor de reeds aangehaalde liederen ‘Aenhoort zonder vermyden (Griseldis), Van Paemel, blad 24; - ‘Gy mans en vrouws personen’ (Helena), id., bl. 27; - ‘Aenhoort dit lied zeer kragtig’ (Frederic van Genua enz.), id. bl. 68, en van de Geuzenliederen: ‘Wy Amsterdammers zijn ghelegen’, en ‘Hoort toe allegelijcke’ (1576), Van Lummel, bl. 216, 279.