1, 3. in den weghe, bijgevoegd. - 2, 2. sic, H.v.F.; tekst van u wesen. - 2, 3. t.: waen coemt. - 3, 1. t.: O here Mallegem. - 3, 3. lustelijcken, bijgev.; zie 2, 3 - 5, 1. t.: willecom. - 5, 2. t.: willecoom. - 5, 3. dat, bijgev. - 6, 1. er, bijgev. - 7, 1. sic, H.v.F.; tekst: ghemeyt. - 8, 3. vercken hebben so wilden
swijnen. ‘Deze regel’, zegt Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 128, ‘is blijkbaar corrupt; er heeft of “verkens” of “wilde swijnen” gestaan. Ik denk het eerste zal wel voor iets anders in de plaats zijn gekomen’. - 9, 3. ende, bijgev. - 11, 2. aan de galg. Dr. Kalff, t.a.p. - 11, 3-4. ‘Het waar mij leed, dat ik van de terechtstelling zong, want voorwaar het was garstig vleesch. De aardigheid strekt gedeeltelijk hierin, dat het mnl. “ongans” (ongants) de staande uitdrukking is voor: bedorven vleesch of spek’. Dr. Kalff, t.a.p.
Antw. lb., nr. 113, bl. 171, ‘Van mijn here van Mallegem’. Uhland, Volksldr., nr. 164a, en Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., 77, nr. 21, geven slechts de eerste zeven strophen. Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 127, is insgelijks van meening, dat de laatste vier strophen niet tot de zeven andere behooren, al kunnen zij er later bijgemaakt zijn.
Het Antw. lb. heeft Mallegem; terwijl Willems (zie tekst B. hierachter) Maldeghem schrijft, wat overeenstemt met den naam der Oostvlaamsche gemeente. Uit een welwillende mededeeling van den heer Frans de Potter volgt, dat de oorsprong van Maldeghem onbekend is; men heeft weleens Manlinnchem geschreven (1171), Mandenghien (1290), maar anders altijd Maldingem, Maldenghem. De schrijver van Manlinnchem (Latijnsche oorkonde) zal mogelijk een vreemdeling geweest zijn. Het woord Mallegem ontmoette de heer De Potter nergens. Doch reeds in 1607 (zie hierna) vindt men als stemaanduiding ‘Mijnheer van Maldegem’.
In Den nieuwen verbeterden lusthof, Amst. 1607, bl. 87, vindt men de wijsaanduidingen ‘Mijnheer van Maldegem’ voor een lied, naar Ronsard, ‘Is themels velt u vaderland geriev'lick’, en ‘Myn heer van maldegem of van Susanna’ voor ‘Die weten wil al Cupidos nature’. Dit laatste lied is mede te vinden in Den Nederduytschen Helicon, Alckmaer, 1610, bl. 326, bloot met de wijsaanduiding ‘Mijn heer van Maldegem’.
De melodie ‘van Susanna’ (zie het lied ‘Ghy mannen ende vrouwen’), is ontleend aan de 16e-eeuwsche Fransche zangwijs ‘O nuit, jalouse nuit’ (zie onder de wereldlijke liederen onzer verzameling: ‘O nacht, jalourse nacht’). Deze laatste melodie diende insgelijks voor nr. 113 Antw. lb. (tekst A). De door Willems, naar mondelinge overlevering, medegedeelde zangwijs van tekst B, is eene zeer bedorven lezing van die zelfde oude Fransche zangwijs.


Willems, Oude Vl. ldr., nr. 54, bl. 139, met de volgende aanteekening: ‘My voorgezongen in de ommestreken van Maldeghem door den heer Willems van Eecloo en anderen. Men wyst daer nog de kuilen aen, in welke de roovers, zoo men zegt, gekerkerd zyn geweest. Het lied leest men ook, doch met eenigzins andere woorden in Jan Roulans' Liedekensboeck (Antw. Lb.), 1544’, enz.
In 1838 gaf A.A. (J.T. de Hoon 1787-1867), in Belgisch Museum (Gent) II, bl. 17 vlg., een gedicht uit onder den titel van Het Heerken van Maldegem, ‘Eene Vlaemsche overlevering’, met een ‘Voorwoord’ van Ch. Ledeganck, voorwoord waarin men o.a. leest: ‘Het onderwerp behoeft geene breedere ontwikkeling dan in het stukjen zelve. Ieder die langs den grooten steenweg van Gent naar Brugge heeft gereisd, herinnert zich den bouwval dien hy, by het uitgaen van Maldegem ter regter zyde van den weg, heeft gezien. Vóór een twaalftal jaren zag men er nog eenen instortenden vleugel van het oude kasteel, dat weleer aen de prinselyke familie De Croy behoorde, en onlangs eigendom is geworden van den heer baron Pecsteen, te Maldegem. Men heeft er alsdan een teekening van gemaekt, die wy hier gegraveerd mededeelen, en welke men kan vergelyken met de afbeelding in Sanderi Flandria illustrata, II, No. 28’.
‘Thans bestaet er van het oude prachtige slot niets anders meer dan ‘één torentje en twee linden’, die nog ‘de schaemle kruin verheffen’. - Heden bestaan nog alleen de twee linden, sedert 1850 is het torentje mede verdwenen.
J.W. Wolff, Niederländische Sagen, 1843, nr. 102, bl. 153, twaalf strophen, met deze melding: ‘altes Volkslied von dem neunten Verse an fortgesetzt von Prudens van Duyse’; - Uhland, Volksldr., 1844, nr. 164b, ‘Altes Volksliet’, de eerste acht strophen, naar Wollf; - Snellaert, Oude en nieuwe liedjes, 1852 (eerste uitgave) nr. 72, bl. 42, en 1864 (tweede uitgave) nr. 51, bl. 54, naar Wolff en Uhland in
moderne taal gebracht, telkens met de melodie volgens Willems; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 22, bl. 78, dezelfde tekst als Uhland, daarbij deze aanmerking: ‘Ohne Angabe der Quelle, mit alter Schreibung. Bei Wolff noch ein 9-12 str. von Pr. van Duyse hinzugedichtet.’ De waarheid is, dat de gansche tekst, dien men ook vinden kan in Mevr. Courtmans' roman Het geschenk van den jager, is omgewerkt door Pr. van Duyse, naar het oude lied, zooals overigens blijkt uit het Hs. in ons bezit, hierboven weergegeven, en uit een brief van 22 October 1840, aan den dichter door J.T. de Hoon uit Caprijcke gericht, waarin men o.a. leest: ‘hiernevens de copy van uw Heertje van Maldegem’.