

10, 4. schoon, bijgev.
Oudt Amst. lb., bl. 26; - Haerlems oudt lb., 27e druk, 1716, bl. 61, ‘Stem: Van myn Heer van Valkenstein’, hierboven weergegeven; - Hoffmann v.F. Holländische volksldr., 1833, nr. 13, bl. 139, naar het Oudt Amst. lb., bl. 26, waar het lied dezelfde zangwijs heeft. Willems, Oude Vl. ldr., 1848, nr. 109, bl. 260, nam Hoffmann's tekst over.
In zijne Niederl. Volksldr., 1852, Nr. 52, bl. 82, geeft Hoffmann den door hem vroeger uitgegeven tekst, met dezelfde bronaanduidingen en, naar Oudt Amst. ld., deze variante van 9, 4:
‘Geest en taal van het lied’, zegt Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 131, ‘wijzen misschien niet op de 15e, maar op het eerst der 16e eeuw; 't is echter moeilijk uit te maken.’ De laatste vier strophen van onzen tekst schijnen ons niet tot dit lied te behooren; vgl. str. 4-7 van ‘Daer staet een clooster in Oostenrijc’.
Zie in onze verzameling: ‘Ick sach minen here van Valkenstein’.
Kretzschmer, D. Volksldr., vervolgd door v. Zuccalmaglio, II, 1840, nr. 38, bl. 88, naar mondelinge overlevering uit Westfalen, voor eene variante van den ‘here van Valkenstein’. - Böhme, Altd. Lb., nr. 29, bl. 101; - Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, I, nr. 62b, bl. 217, zelfde melodie. Deze werd insgelijks, doch niet zonder
veranderingen, overgenomen door Willems, t.a.p.; - J. Stalpaert, Extractum catholicum, Loven, 1631, bl. 587, ‘stem: Op de drie ghesellen van Rosendael’, bevat de volgende zangwijze waarvan de tonaliteit moeielijk te verklaren is. Onder den geestelijken tekst brengen wij de eerste strophe van ons lied:
