
1, 1. Dien edelen heer van brunsesvick. - 2, 2. vaert.... dalee. - 2, 4. wecht op. - 3, 4. vaers. - 4, 4. in tsherre landen. - 6, 1. des snachts. - 6, 3. bruyniswyck. - 7, 1. bruyniswijck. - 7, 4. bloeden. - 8, 2. papee.
‘Dit liedekyn is van den edelen heer van brunesvick’ (sic); onvolledige (of ten minste bedorven tekst (str. 8 zou moeten vóor str. 6-7 komen) tekst naar het Hs. van Meerman (na 1525) uitgegeven door Dr. M. Priebsch, Deutsche Handschriften in England, Erlangen 1846, bl. 232.
Bäumker, Niederl. geistl. Ldr., nr. 76, Vierteljahrsschr., 1888, bl. 314, met opschrift ‘Die edele heer van Brunenswyc, die heeft een kint gevangen’.

De volgende herhalingen worden aangeduid in den tekst:
1, 2. twaelef jaeren. - 1, 4. konijntjes waren. - 2, 2. diepste kerve. - 2, 4. moestet sterven. - 3, 2. kleyn kint vangen. - 3, 4. hy, etc. - 4, 2. vreemde lande. - 4, 4. is, etc. - 5, 2. huys, etc. - 5, 4. weenende, etc. - 6, 2. dat kint, etc. - 6, 4. ick jou gheven. - 7, 2. hier niet, etc. - 7, 4. mostet laeten. - 8, 2. dat kint. - 8, 4. ic jou gheven. - 9, 2. benne nonne. - 9, 4. tegen de sonne. - 10, 2. dat kint, etc. - 10, 4. ick jou gheven. - 11, 2. benne papen. - 11, 4. keysers, etc. - 12, 2. etc. (sic). - 12, 4. gerede comme. - 13, 2. paert, etc. - 13, 4. waer al, etc. - 14, 2. etc. (sic). - 14, 4. gerede comme. - 15, 2. paert, etc. - 15, 4. waer al, etc. - 16, 2. etc. (sic). - 16, 4. schale sincken. - 17, 2. poorte vaste. - 17, 4. krijgen gasten. - 18, 2. ghinghen open. - 18, 4. halsje, etc. - 19, 2. nou te moede. - 19, 4. so root als bloede. - 20, 2. jou wel seggen. - 20, 4. aerden etc.
Haerlems oudt lb., vroeger in bezit van Dr. C. Ekama te Haarlem, die zoo welwillend was ons den tekst (zonder wijsaanduiding) mede te deelen.
Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 143, de ballade ‘Van 't kindt van twaelf jaren’ naar laatstgenoemde verzameling besprekende, noemt dit stuk ‘eene schilderij van de gruwzame wreedheid waarmede adellijke heeren zich soms in hun jachtrecht handhaafden’. Alhoewel de naam Brunswijk een Duitschen oorsprong zou doen vermoeden, wordt geen aanverwante Duitsche tekst gevonden. Volgens Dr. Kalff ware het niet onmogelijk, dat een zwervend Nederlandsch dichter een lied zou hebben gemaakt op deze geschiedenis, die hem aan de oostgrens of misschien in de omstreken van Brunswijk zou ter oore gekomen zijn.
Het prieel der gheestelicker melodiie, Antw. 1617, bl. 28, voor: ‘Nu weest gegroet’, lied met opschrift ‘Ave Regina, etc., op de wijse: Het was een kint’. De melodie, welke inderdaad aan den kerkzang ‘Ave regina coelorum’ van den zesden modus herinnert, diende ook voor de liederen: ‘Dit is een uytverkoren vat’ en ‘Ghelijck den hert naer 't water snaect’, bl. 21 en bl. 173 derzelfde verzameling, en uitgave Brugge, 1609, bl. 19 en bl. 26.
Vgl. de zangwijze: ‘Den winter comt aen’.
‘Het was een kindt’ wordt aangehaald in Het Paradiis der gheesteliicker vreuchden, Antw. 1617, bl. 179, voor: ‘Heer Jesus een ionghe maecht ontboodt’; zie dit lied onder de geestelijke liederen onzer verzameling.

De Coussemaker, Chants pop. des Flamands de France, 1856, nr. 46, bl. 149, opgeteekend te Belle. In deze bedorven lezing treedt koning Halewijn in de plaats van den Heer van Bruynswijck, zooals er in de volgende teksten - want het volk onthoudt geen eigennamen of verknoeit die - nog andere benamingen binnensluipen.
Lootens en Feys, Chants pop. flamands, nr. 45, bl. 85.
Pol de Mont, Volkskunde, II (1889), bl. 194, Nevele (Oost-Vlaanderen). Uit eene aanteekening van P. de M. blijkt, dat men naast ‘Bruindergesteen’ ook ‘Bruindersteen, Bruinsteen, Bruinkasteel’ zong.

Blyau en Tasseel, Volkskunde, X (1897-1898), bl. 50 en 222- 223 en denzelfden, Iepersch oud-lb., ‘De kasteelheer en het kleine kind’, opgeteekend uit den volksmond te Ieperen. Ofschoon geen Fransch lied van denzelfden aard als het hier besprokene bekend is, brengen B. en T., naar aanleiding van Velly, Histoire de France, 1770, III, 78, het stuk in verband met de geschiedenis van drie Vlaamsche knapen, onder Lodewijk XI, door Enguerrand IV de Coucy opgehangen wegens wildstrooperij van konijnen in het woud van Coucy ten zijnen nadeele begaan (1255).

hebben wij te danken aan den heer Leo Grau, Griffier te Oudenaarde, die beide in 1896 naar mondelinge overlevering opteekende.