terug  begin  verderprepost
[p. 113]

18.
In Oostenrijk daar staat een huis.
(De onschuldige knaap.)



illustratie

 
1.
 
In Oostenrijk daar staat een huis
 
zeer fraai en wel ten toone,
 
van marmer en albastertsteen,
 
en blinkt van goude schoone.
 
2.
 
Daar op zoo leit een jongeling teer
 
op zijnen hals gevangen,
 
wel veertig vademen onder de aard
 
bij adderen en bij slangen.
 
3.
 
Zijn vader quam tot Rosenberg
 
al voor den toorn gegangen:
 
‘och zoone, liefste zoone van mijn,
 
hoe zwaar legt gij gevangen!’
 
4.
 
- ‘Och vader, liefste vader mijn,
 
zeer zwaar leg ik gevangen,
 
wel veertig vademen onder de aard
 
bij adderen en bij slangen.’
 
5.
 
Zijn vader wel tot de heeren sprak:
 
‘wilt mijn den gevangen los geven,
 
drie honderd goudguldens zal ik u strak
 
wel voor den jongeling geven.’
 
6.
 
- ‘Drie honderd goudgulden helpen u niet,
 
die jongeling moet sneven:
 
hij draagt een gouden keten ziet,
 
die brengt hem om zijn leven.’
 
7.
 
- ‘Dat hij een gouden keten draagt,
 
die en heeft hij niet gestolen,
 
die heeft hem vereerd een schoone maagd
 
uit liefden onverholen.’
 
8.
 
Men haalde den jongeling uit den toorn
 
en gaf hem 't sacramente:
 
‘Och rijke God van den hemel hoog,
 
nu gaat het aan mijn ende!’
[p. 114]
 
9.
 
Men voerden hem voort ter poorten uit,
 
die leere moest hij opstijgen:
 
‘och meester, laat mijn een kleine tijd
 
mijn jong leven beschrijen!’
 
10.
 
- ‘Een korten tijd en laat ik u niet,
 
of gij mij mogt ontrinnen.
 
Geeft mij een zijden doekjen ziet,
 
dat ik zijn oogen mogte verbinden?’
 
11.
 
- ‘Och mijn oogen verbind doch niet,
 
ik moet de wereld aanschouwen;
 
ik zie ze nu en nimmermeer,
 
dies leit mijn hert in rouwen.
 
12.
 
‘Ik treur niet om mijn jonge lijf
 
noch om mijn jonge leven,
 
maar om mijn vrou moeder die t' huis
 
zit in droefheid en sneven.’
 
13.
 
Zijn vader onder 't geregte stond,
 
zijn hert dat scheen te breken:
 
‘och zoone, liefste zoone mijn,
 
uwen dood zal ik wel wreken.’
 
14.
 
- ‘Och vader, liefste vader mijn,
 
mijn dood en wilt niet wreken,
 
opdat mijn ziel niet komt in pijn,
 
onschuldig wil ik sterven.’
 
15.
 
Des derden dags met klaren toon
 
zag men een engel blinken:
 
‘neemt af, neemt af den jongeling schoon,
 
of de stad die zal verzinken!’
 
16.
 
Omtrent drie maanden na dien dag
 
zijn dood die was gewroken:
 
daar waren al over de dertig man
 
om den jongeling dood gestoken.

1, 1. Oostenrijk, in den zin van Oriens, Oosten, zooals in het Oudduitsche ‘Östar-rîchi’. Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 364.

Tekst.

Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., 1856, nr. 25, bl. 84, onder den titel Der unschuldige Knabe. Overgenomen uit de verzameling losse bladen aangelegd door Mr. J. Scheltema. Het lied is vertaald uit het Duitsch. De letterlijkheid der vertaling, zegt Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 147, wijst eerder op de eerste helft der XVIe, dan op de XVe eeuw. Tevens doet deze schrijver opmerken, met het oog op de Engelsche ballade Seton's sons, dat dergelijke verhalen niet aan een bijzonder land eigen zijn, maar tegenhangers vinden in het overige beschaafde Europa.

Duitsche tekst, Böhme, Altd. Lb., nr. 27, bl. 98; - Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, 1893, 61a, bl. 205 vlg.

Aangeh. als wijs: Veelderhande Schriftuerlijcke nieuwe liedekens, Utrecht 1593, bl. 228, voor: ‘Het zy u jendt/ seer wel bekendt’; - Den nieuwen verbeterden lust-hof, Amst. 1607, bl. 60, voor het lied: ‘In dees landouw // weet ik een vrou’; - Het Paradiis der gheest. vreuchden, 1617, bl. 196, voor: ‘Och menschen, hoe moocht ghy dus zijn verblijdt’, zesregelige strophe, met herhaling van het eerste gedeelte der melodie.

Melodie.

Stalpaert, Gulde-iaers feest-daghen, 1635, bl. 209, ‘stem: In Oostenrijck daer staet een huys’. Aangeh. daar, bl. 1130, voor: ‘Eerwaerden Vader! spaerd de roe’.

[p. 115]

Stalpaert, bl. 209.



illustratie

 
Die in my / sprack den Heer/ ge - looft/
 
Sal ick voor-sien met won-der-da -den/
 
En voor sijn hand op 't kran-cke hoofd / op 't krancke hoofd/
 
Ge - leyt/den sie - cken doen ge - na - den.

Zoowel als de hierboven aangehaalde 17e-eeuwsche liederen en als de Duitsche door Erk u. Böhme, I, bl. 209, vermelde vergeestelijking, heeft Stalpaert's tekst tot schema: 4 - a, 4 illustratie b, 4 - a, 2 - a (refrein), 4 illustratie b. Daarentegen heeft het lied van den ‘Onschuldigen knaap’ in den tweeden en vierden versregel, slechts drie accenten. Denzelfden strophenbouw en nagenoeg denzelfden aanvang als dit laatste, heeft het lied ‘Daer staet een clooster in Oostenrijc’ (zie hierna). Beide liederen kunnen dus ook op dezelfde melodie van Ps. 6 Souterl. worden gezongen.

prepostterug  begin  verder