|
|
|
| |
| | | |
19.
Ic sach minen here van Valkenstein.

Ic sach minen here van Valkenstein
uit sijnre borch wechriden;
sijn schilt dat voerde hi neven hem,
dat blanke swaert an der siden.
‘God groete di, here van Valkenstein,
sijt ghi des landes een here,
so gheeft mi weder den ghevanghen van mijn
om aller joncfrouwen ere.’
- ‘Den ghevanghene dien ik ghevanghen heb,
en sal gheen ghenade ghebueren,
hi licht in den toren te Valkenstein
daer moet hi die doot besueren.’
- ‘Licht hi in den toren te Valkenstein
ende moet hi die doot besueren,
so wil ic dichte die mueren sijn
ende mijn liefken helpen trueren.’
Ende doen si teghen die mueren trat,
sie hoorde haer liefken daer inne:
‘dat ic u moet helpen ende niet en can
dat benemet mi alle mijn sinnen.’
- ‘Naer huis, naer huis, schoon joncfrou saert,
God late di troost ghebueren,
neemt desen jare enen anderen man
die u can helpen trueren.’
- ‘Neem ic desen jare enen anderen man,
mijn trueren en wil ic niet varen laen,
‘Ic wilde hi hadde een telderkijn
ende alle joncfrouwen mochten riden,
so mocht ic met den here van Valkenstein
om mijn soete liefken striden.’
| | | |
- ‘Och neen, och neen, schoon joncfrou saert,
daer af moest ic draghen schande,
gaet, nemet u liefken bider hant
ende trecket met hem uten lande.’
- ‘Ic en trecke also uit dinen lande niet,
wilt mi eerst een briefken scriven,
op dat als ic come in dat vreemde lant,
ic daerinne mach verbliven.’
Ende doe si opter heiden quam,
begonste si luide te singhen:
‘nu can ic den here van Valkenstein
met minen woorden dwinghen.
‘Ende dat ic nu niet segghen can,
ic mochte den here van Valkenstein
met minen woorden dwinghen.’
8, 1. telderkijn = hakkenei, tel-paard, dat den pasgang gaat, (vgl. str. 7 van: ‘In enen boomgaert quam ic ghegaen’) wordt bij Erk u. Irmer, Die deutscher Volksldr, 1843, sechtes Heft, nr. 36, bl. 42, die mede den Westfaalschen tekst, waarover hierna, geven, verklaart door: ‘ein zum ritterlichen Kampf geübtes und ausgerüstetes Pferd.’ - 8, 2. Wf. un alle jungfrou rieden.
| |
Tekst.
Terwijl de Duitschers verschillende lezingen van dit lied bezitten, die men aantreft o.a. bij Böhme, Altd. Lb., nr. 28-30, bl. 100-103, en bij Erk u. Böhme, Deutsche Liederhort, nr. 62a vlg., bl. 216-221, bleven ons van den Nederlandschen tekst slechts de aanvangsregelen bewaard. Voor drie geestelijke 15e-eeuwsche liederen toch, te vinden bij Hoffmann v.F., Niederl. geistl. Ldr., nr. 45, 46 en 48, bl. 109, 111 en 114, wordt de wijs ‘van Valkenstein’ aangegeven. Nr. 45 namelijk, heeft als stemaanduiding: ‘Ic sach den here van Valkestein// uut sijnre borch’ voor het geestelijk lied: ‘Wel heen, wel heen ende ic wil mi’; - J.C.M. van Riemsdijk, Vier en twintig liederen uit de 15e en 16e eeuw, nr. 23, bl. 40, in modern Nederlandsch overgebracht door Dr. N. Beets. Naar den Westfaalschen tekst hebben wij getracht den ouden Nederlandschen te doen herleven.
Volgens de aangehaalde Duitsche schrijvers behoort ons lied niet tot de geschiedenis, maar moet men het alleen aanzien, zooals Goethe in zijne aanteekeningen op Des Knaben Wunderhorn, voor ‘ein harmloses Lied, von der guten, zarten, innigen Romanzenart.’ ‘Wie weet,’ zegt Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 247, ‘of het lied niet oorspronkelijk Nederlandsch geweest zij? Onze tekst is verreweg de oudste, al telt hij slechts twee regels.’
| |
Melodie.
Een dev. en̄ prof. boecxken, Antw. 1539, nr. 195, (uitg. D.F. Scheurleer, bl. 227) met opschrift: ‘Dit is die wise van: Ic sach myn heere van Valkensteyn’, stemaanduiding voor het geest. lied ‘Met liden swaer ben ick bevaen’. Onze melodie werd ook uitgegeven door J.C.M. van Riemsdijk t.a.p., en door Erk u. Böhme, t.a.p., op den Westfaalschen tekst toegepast.
Deze wijs wordt nog aangehaald in het voormelde Een dev. en̄ pr. b., nr. 28, bl. 49, voor: ‘Coemt ons ter hulpen, lief van minnen’, uitgegeven met de hier besproken melodie door Dr. J.G.R. Acquoy, Middeleeuwsche geest. liederen en leisen, 1888, nr. 6, bl. 12; - in hetzelfde Een dev. en̄ pr. b. voor nrs. 196-203, bl. 228-235:
| | | |
‘Ghi Christenen wilt u toornen niet’; - ‘Ick wil met groter haesticheyt’; - ‘Iesus riep sijn beminde bruyt’; - ‘Als ic met mijn lief spelen gaen’; - ‘Ick wil van hier ende dat moet zijn’; - ‘Sijt vrolijck het is worden dach’ (zie de laatste twee liederen onder de geest. liederen onzer verzameling); - ‘Och dus en heeft mijn herte gheen vruecht’; - ‘Als ic aensie mijn leven al’.
Haerlemsch oudt lb., 27e druk, 1716, bl. 61, voor: ‘Wie wil hooren een nieuw liedt’ (‘van drie gesellen uyt Rosendael’), zie hierboven bl. 80.
In Duitschland is het lied van ‘Minen here van Valkenstein’ nog heden bekend, namelijk door een Nederduitschen tekst, te vinden in het Niederdeutsches Liederbuch, uitgegeven door het Verein für Niederdeutsche Sprachforschung, Hamburg - Leipzig, 1884, bl. 38, en door eene parodie (drinklied): ‘Ich sah mir den Herrn von Falkenstein’, welke men onder de studentenliederen, in de Commers-uitgaven, aantreft.
|
|
|