1, 3. boeyken, waarschijnlijk het Friesche ‘boyke’ = knaap, borst, in str. 7 tot ridder geworden (Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 162). - 2, 2. Zie
den hiernagemelden 15e-eeuwschen aanvangsregel. - 7, 2. gheleden. - 7, 4. t.: die selve ridder fyn al voer dit cloosterkyn. - 8, 1. t.: lystelyck - 8, 2. t.: lystelyc - 8, 4. t.: aerden. - 9, 3. gheern; lees: gheren of gheerne.
Naar een Hs. gevoegd bij een exemplaar der Souterliedekens, Antw. 1540, berustende te Leiden, uitgegeven door P.A. Tiele, De Dietsche Warande, 1869, bl. 577, en door Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 158. Dr. Kalff bespreekt breedvoerig de varianten welke wij van dit lied bezitten, en ziet dezen tekst voor de oudst bekende lezing aan. Zij is inderdaad de eenvoudigste en de fraaiste. Alleen de aanvangsregelen van eene 15e-eeuwsche lezing bleven ons bewaard: ‘Ic stont op hoghe berghen of die mairl’ en ‘Ic stont op hoghen berghen// ende schencte den coelen wijn’. Zij dienden tot wijs voor: ‘Ic draech dat liden verborghen’ en ‘Ic sie heer Jesus hanghen’ (zie Hoffmann v.F., Niederl. geistl. Ldr., nrs. 71 en 90, bl. 152 en 180). Dr. Kalff leert, hoe bovenstaande lezing zich nauwer dan de andere bij de Duitsche bronnen aansluit, alhoewel er dan toch een aanmerkelijk verschil bestaat tusschen de Nederlandsche en de Duitsche opvatting. Het komt den schrijver voor, dat het lied niet oorspronkelijk Nederlandsch is; o.a. wordt door hem gewezen op het feit, ‘dat een lied, waarvan de oudste bij ons bekende tekst aanvangt met de regels:
dat nog heden van alle Duitsche volksliederen het meest bekend is en aan alle oorden van dat land van bergen en dalen gezongen wordt, ontstaan zou zijn in de ‘laege landen bider see.’ Aldus laat zich, volgens denzelfden schrijver, ook verklaren, dat de tweede regel (zie de volgende lezingen) in lateren tijd veranderd werd in: ‘Ic sach ter seewaert in’.
Het Nederlandsche lied van de ‘drie ruytertjes’, die worden vermeld in tekst B en C, is ook tot op onzen tijd populair gebleven. Het is overigens bij alle Germaansche volkeren verspreid. (Zie Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, I, bl. 313 vlg.).
Eene 15e-eeuwsche aan het lied eigen Nederlandsche melodie is ons niet bekend.

Oudt Amst. lb., bl. 34; - Hoffmann v.F., Holländische Volksldr., nr. 9, bl. 128, zonder de dertiende strophe; - Id., Niederl. Volksldr., nr. 18, bl. 71 (hier overgenomen); - Oudt Haerl. lb., 16e druk, o. 1645 en 27e druk, 1716, bl. 57. De laatste druk geeft de lezing van het Oudt Amst. lb. terug; - Hoffmann en Dr. Kalff zien beiden deze lezing voor ouder aan dan degene van het Antw. lb. 1544, die volgt onder C.
Den boeck der gheesteliicke sanghen, I (Bliiden requiem), Antw. 1631, bl. 178, ‘op de wyse: Ick stondt op hooghe berghen’:

Willems, Oude Vl. ldr., nr. 56. bl. 145, herhaalde een deel van de melodie ten einde deze op eene lezing met vijfregeligen strophenbouw te kunnen brengen door hem ‘deels naar het Jan Roulans lb. (Antw. lb.), deels naar het Oudt Haerl. lb., 1716, samengesteld. Snellaert, Oude en nieuwe liedjes, 1852, nr. 79, bl. 49, en 1864, nr. 58, bl. 62, bracht Willems' tekst in moderne taal en spelling over, en voegde daarbij de melodie volgens Willems. Erk u. Böhme, t.a.p., I, nr. 90b, bl. 322, namen insgelijks de willekeurige notatie van dezen laatste over. - In Theodotus' Paradys der gheest. en kerck. lofsanghen, Antw. 1648, bl. 630, wordt als wijs aangegeven: ‘Ick stont op hooger bergen’, met eene melodie welke insgelijks diende voor het lied, met vierregeligen strophenbouw: ‘Soo diep in die groen' heyden’. Zie dit laatste lied onder de geestelijke liederen onzer verzameling.
2, 4. t: al, bijgev. - 8, 1. dat, bijgev.
Antw. lb., 1544, nr. 87, bl. 131, ‘een oudt liedeken’; - Uhland, Volksldr., nr. 96b; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 19, bl. 73. Het vijfde vers der strophe wijst op een later bijvoegsel. Ook in de jongere lezingen is de strophenbouw vijfregelig; zoodat de fraaie melodie van tekst D insgelijks op tekst C past.
D. de Lange, Mr. J.C.M. van Riemsdijk en Dr. G. Kalff, Nederl. Volkslb. 1896, nr. 51, bl. 68, geven met tekst C eene tamelijk moderne melodie.


De Coussemaker, Chants pop. des Flamands de France, 1856, nr. 56, bl. 200, opgeteekend te Veurne (West-Vlaanderen). Overgenomen met Duitsche vertaling door Erk u. Böhme, t.a.p., I, nr. 90c, bl. 322. Varianten: Willems, t.a.p., bl. 147, 12 str. uit Kortrijk, medegedeeld door Snellaert; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., bl. XII, ellenlange omwerking nog in 1854 te Amsterdam gedrukt. H.v.F. merkt daarop aan: ‘Und doch ist es, als ob mancher volksthümliche Stoff mit seiner gefälligen Sangweise gar nicht untergehen könnte, das Volk kehrt gern immer wieder zu ihm zurück, wenn es auch Alles modernisiert’; - Lootens en Feys, Chants pop. flam., nr. 47, bl. 88, met meer moderne melodie; - 't Daghet, Hasselt, V (1889) bl. 60 onvolledige lezing en IX (1893), bl. 12, zestien strophen met melodie. Deze varianten sluiten zich aan bij tekst D en wel namelijk waar het geldt de nonne die ‘ging om brood’ en ‘vond haer schoon zoetelief dood’.
Het slot der variante bij Willems, str. 11:
geeft nagenoeg str. 9, tekst A, van het lied ‘Het daghet in den Oosten’ terug.
J.W. Wolff, Wodana, 1843, bl. 85, deelt het volgende fragment uit Geeraardsbergen mede, waarin de aanvang van ons lied met een Driekoningenlied is ineengeloopen (zie onze aanteekeningen op het lied ‘Drie koningen groot van macht’):
Juist die samensmeltingen met andere liederen getuigen van de groote populariteit van het lied der ‘drie ruitertjes’.
Pol de Mont, Volkskunde, II (1889), bl. 222, geeft de aanvangstrophe (met melodie) van eene lezing uit de Kempen, die omstreeks St.-Jansdag door de verhuizende dienstboden wordt gezongen, en die, naar hij vernam, voor de overige strophen nagenoeg overeenstemt met den tekst door Snellaert uitgegeven. Geene der hier genoemde melodieën kan opwegen tegen de zangwijze die men bij D.C. vindt.
In vier verschillende Duitsche lezingen (E.u.B., bl. 313 vlg.), treedt in plaats van den Nederlandschen ruiter een graaf op. In de lezing medegedeeld in 't Daghet (zie mede H.v.F., t.a.p., bl. XIII), vindt men in de vierde str.:
Deze tekst waar de ‘ruiter’ door een ‘'s graven zoon’ vervangen is, sluit zich, in dit opzicht nader dan de andere Nederlandsche lezingen bij den Duitschen tekst aan.